Na 28 vakanties met dezelfde vriendengroep wil ik voor het eerst zonder één van hen weg, en mijn man noemt me hard
Vorige week heb ik voor het eerst in 28 jaar de groepsapp van onze vakantie op stil gezet.
Het klinkt misschien kinderachtig, zeker op mijn leeftijd. Ik ben 62, ik werk nog drie dagen per week bij de bibliotheek in Amersfoort en ik zou toch moeten weten hoe je gewoon even niet kijkt. Maar iedere keer als dat groene bolletje verscheen, voelde ik mijn schouders omhooggaan.
Onze groep bestaat uit vier stellen. Wij kennen elkaar nog van de straat waar we vroeger allemaal ongeveer tegelijk een huis kochten. De kinderen waren klein, er waren barbecueën met plastic bekers en veel te harde muziek, later verjaardagen, verbouwingen, scheidingen van ouders, overlijdens. We gingen eerst met tenten naar Frankrijk, daarna met stacaravans omdat de ruggen slechter werden, en tegenwoordig huren we meestal twee huisjes ergens in de Ardèche of in Limburg als niemand zin heeft in zo’n lange rit.
Het was nooit ingewikkeld. Iedereen betaalde zijn deel, iedereen kookte een avond, en als iemand eens geen puf had, nam een ander het over. Juist dat vanzelfsprekende vond ik zo fijn.
Henk is al die jaren een van mijn beste vrienden geweest. Hij kan ontzettend droog uit de hoek komen. Op de camping stond hij vroeger om zeven uur voor onze tent met verse koffie, omdat hij zelf toch niet kon uitslapen. Toen mijn vader overleed, heeft hij zonder veel woorden de schuur opgeruimd omdat ik het niet kon aanzien. Dat vergeet ik niet.
Maar de afgelopen twee jaar is hij veranderd. Zijn vrouw Marjan is na een lang ziekbed overleden, en ik snap echt dat je daar niet zomaar overheen stapt. Alsof het leven dan ineens een kamer is waar alle meubels uit zijn gehaald. Henk bleef alleen achter in hun huis in Soest. Zijn dochter woont in Zwolle, zijn zoon in België. Hij zegt steeds dat hij niemand tot last wil zijn, maar ondertussen belt hij soms drie keer op een dag.
Niet om iets praktisch te regelen. Hij wil vooral dat je blijft luisteren.
Als je zegt dat je weg moet, wordt hij stil. Niet boos, eerder gekwetst op een manier waar je je schuldig van gaat voelen. Daarna krijg je een berichtje: ‘Geeft niet hoor, ik red me wel weer alleen.’ Daar kan ik dan uren over nadenken, terwijl ik eigenlijk gewoon naar mijn werk moet of boodschappen wil doen.
Mijn man, Pieter, neemt altijd op. Ook tijdens het eten. Ook als we net in bed liggen.
‘Hij heeft niemand meer,’ zegt hij dan.
Dat is niet helemaal waar. Hij heeft ons. Hij heeft zijn kinderen, zijn broer, de mannen van zijn kaartclub. Maar wij zijn blijkbaar de mensen geworden bij wie alles terechtkomt: zijn slapeloze nachten, zijn woede op de huisarts, zijn ergernis over zijn buurvrouw, zijn angst dat hij dement wordt omdat hij een afspraak vergeten is.
Afgelopen jaar op vakantie werd het echt zichtbaar. We waren in de Vogezen, in een groot huis dat Els had gevonden. Henk wilde aanvankelijk niet mee, want hij vond het huis te afgelegen. Toen we zeiden dat we het ook konden omboeken, wilde hij weer niet degene zijn ‘die alles verpestte’. Uiteindelijk ging hij mee, maar vanaf de tweede dag was er altijd iets.
De wandeling was te lang. Het terras was te druk. We moesten eerder eten, want hij werd onrustig als het donker werd. Een avond wilden we met z’n allen naar een klein dorpsfeestje. Henk bleef alleen in het huis en stuurde Pieter na een halfuur dat hij zich benauwd voelde. Pieter ging terug. Ik bleef bij de rest, maar ik zat de hele tijd op mijn telefoon te kijken.
De volgende ochtend zei Henk dat hij zich schaamde en dat hij de sfeer bedierf. Iedereen zei natuurlijk dat dat niet zo was. Wat moest je anders?
Alleen voelde het wel zo. En ik haatte mezelf erom.
Dit jaar waren we vroeg met plannen maken. Karin stelde een week aan de kust in Denemarken voor. Meteen kwam er een bericht van Henk dat hij geen lange autoritten meer aandurfde. Daarna volgden zesentwintig berichten over veerboten, ziekenhuizen in de buurt, eenpersoonskamers, of er een supermarkt op loopafstand was en of we niet beter gewoon ergens in Nederland konden blijven.
Pieter zat aan de keukentafel zijn krant te lezen terwijl ik de app opende.
Ik zei: ‘Volgens mij moeten we dit jaar misschien gewoon met z’n zevenen gaan.’
Hij keek me aan alsof ik iets heel lelijks had gezegd.
‘Zonder Henk?’
‘Niet om hem te straffen. Maar misschien kunnen we een keer iets doen wat niet volledig om hem heen gebouwd is. Of een weekend hier met hem, en die vakantie anders.’
Pieter legde zijn krant neer. Hij zei dat Henk juist nu niet buitengesloten mocht worden. Dat Marjan nog geen twee jaar dood was. Dat wij ook oud zouden worden en dat hij hoopte dat mensen dan niet gingen rekenen hoeveel energie wij kostten.
Dat kwam hard binnen, omdat er natuurlijk waarheid in zit.
Maar ik zei ook dat zorg voor iemand iets anders is dan altijd beschikbaar zijn. Dat ik geen hulpverlener ben. Dat ik vorig jaar op vakantie iedere ochtend wakker werd met de vraag hoe Henk die dag erbij zou zitten. Dat ik na een middag met hem soms in de badkamer ging staan alsof ik daar even niemand hoefde te zijn.
Pieter werd boos. Niet schreeuwen, dat doet hij zelden, maar dat koude soort boos waarbij hij ineens heel precies praat.
‘Dus omdat het niet meer gezellig genoeg is, mag hij niet mee?’
‘Nee,’ zei ik. ‘Omdat ik bang ben dat ik hem anders op een gegeven moment helemaal niet meer wil zien.’
Daarna hebben we twee dagen nauwelijks over iets anders gesproken dan wie er de hond uit zou laten en of er nog melk was. Dat is misschien nog het ergste. We zijn 36 jaar getrouwd. Pieter is normaal degene bij wie ik mijn hoofd leeg kan maken. Nu voelde het alsof ik iets had aangeraakt waar hij niet aan wilde komen.
In de groepsapp heeft Els voorzichtig voorgesteld om twee plannen te maken: een weekendje in Nederland voor iedereen, en daarnaast een week Denemarken voor wie mee wil. Henk reageerde pas de volgende ochtend. Hij schreef: ‘Duidelijk. Ik begrijp de boodschap wel.’
Karin belde me later huilend op. Zij vindt dat we hem niet zo mogen laten vallen. Rob zei juist dat hij opgelucht was dat iemand eindelijk iets uitsprak. Niemand heeft het openlijk over mij gehad, maar iedereen weet dat het van mij kwam. Dat merk je aan die rare, voorzichtige zinnen.
Henk heeft me sindsdien niet gebeld. Gisteren stuurde hij alleen een foto van Marjan en hem op onze eerste gezamenlijke vakantie, ergens in 1997. Zij zaten op van die goedkope blauwe campingstoelen. Er stond geen tekst bij.
Ik heb lang naar die foto gekeken. Ik mis haar ook. Misschien mis ik vooral hoe het was toen zij er nog tussen zat, met haar nuchtere opmerkingen en haar manier om Henk soms gewoon een schop onder zijn kont te geven zonder dat hij zich afgewezen voelde.
Pieter heeft vanavond gevraagd of ik mee wil naar Henk voor een biertje. Ik heb ja gezegd, maar ik weet niet wat ik moet zeggen. Ik wil niet doen alsof er niets aan de hand is. Ik wil ook niet dat elk woord weer een bewijs wordt dat ik hem liever kwijt dan rijk ben.
De vakantie is nog niet geboekt. De groepsapp staat nog steeds op stil. En in de gang staat mijn oude weekendtas al sinds vorige zomer op de bovenste plank, met zand in een zijvak dat ik er blijkbaar nooit heb uitgehaald.