Na veertig jaar vriendschap wil mijn man onze depressieve vriend een heel weekend laten logeren — en ik wil mijn huis even voor mezelf

Ik had het logeerbed net volgelegd met was die nog opgevouwen moest worden, toen Henk zei dat die kamer vrijdag vrij moest zijn.

Ik dacht dat onze kleinzoon kwam. Die slaapt af en toe bij ons als onze dochter een late dienst heeft.

‘Peter komt een paar nachtjes. Kunnen we zaterdag samen naar de markt.’

Henk stond in de deuropening met een lege koffiemok. Alsof hij vertelde dat er regen kwam.

Ik ben vierenzestig. Henk is zevenenzestig. We zijn niet het soort echtpaar dat voor iedere afspraak toestemming aan elkaar vraagt. Maar iemand een weekend in huis halen, dat bespraken we altijd. Zelfs als het onze dochter was.

‘Wanneer heb je dat afgesproken?’

‘Gisteren. Hij zag zo tegen het weekend op.’

Ik legde een onderbroek boven op de stapel handdoeken. Daarna haalde ik hem er weer af. Ik wist ineens niet waar ik met mijn handen moest blijven.

We kennen Peter en zijn ex-vrouw Marijke al bijna veertig jaar. Onze kinderen zaten samen op de peuterspeelzaal. We hebben gekampeerd in Frankrijk, elkaars ouders begraven en geholpen bij verhuizingen. Peter heeft ooit op kerstavond onze verstopte afvoer opengemaakt, in zijn nette overhemd. Zo iemand is hij ook. Dat wil ik er wel bij zeggen.

Sinds november wonen hij en Marijke apart. Hun huwelijk was al langer niet goed, maar wij hoorden pas hoe slecht toen Marijke een flat had gevonden.

Ik heb nog contact met haar. Dat vertel ik Peter niet steeds. Niet omdat het geheim is, maar omdat hij bij haar naam al verstijft. Zij is ook een vriendin van mij. Soms voelt zelfs een kop koffie met haar alsof ik iets achter Henks rug doe.

Peter is na de scheiding diep weggezakt. Hij slaapt slecht, eet nauwelijks als hij alleen is en laat berichten dagen liggen. Hij is bij de huisarts geweest en slikt medicijnen. Er loopt een verwijzing voor verdere behandeling. Het is dus niet zo dat wij nooit over hulp hebben gesproken.

Maar tussen een afspraak en de volgende zit hij thuis.

In het begin kwam hij af en toe eten. Daarna werd het iedere woensdag. Henk doet meestal de boodschappen en kookt graag uitgebreid voor hem. Het gaat me niet om een extra bord of om de afwas. Was dat het maar.

Het begint vaak al als Peter zijn jas uittrekt. Dan weet ik aan zijn gezicht hoe de avond wordt.

We eten, vragen hoe het gaat, en komen weer terecht bij Marijke. Wat ze gezegd heeft. Wat hij eerder had moeten merken. Of ze misschien iemand anders heeft. Soms stelt hij dezelfde vraag drie keer, zonder dat hij volgens mij doorheeft dat we al antwoord hebben gegeven.

Ik luister. Ik probeer niet steeds met oplossingen te komen. Maar tegen half tien hoor ik mezelf dingen zeggen die ik ook de week ervoor zei. Daarna lig ik nog een uur wakker.

Er zijn ook gewone momenten. Laatst lachten we om een buurman die zijn camper niet meer uit de straat kreeg. Peter lachte echt, met dat snuivende geluid van vroeger. Ik was daar zo blij om dat ik er later in de keuken van moest huilen. Dat klinkt overdreven. Ik was gewoon moe.

De week erna hoopte ik weer op zo’n avond. Die kwam niet.

Ik werk nog twee ochtenden bij een opticien en pas op donderdag op onze kleinzoon. Verder heb ik een rustig leven. Daarom schaam ik me ook. Ik heb tijd. Ik ben gezond. Er ligt niemand in mijn huis dagen op de bank omdat opstaan niet lukt.

Toch begon ik op woensdagochtend al op te zien tegen de avond.

Toen ik voorstelde om eens om de week af te spreken, keek Henk me aan alsof ik iets heel onaardigs had gezegd.

‘Hij heeft verder bijna niemand meer.’

‘Hij heeft ons dan toch nog steeds?’

‘Ja, op afspraak, als het ons uitkomt.’

Dat deed pijn. Ook omdat ik zelf niet wist hoeveel ik nog wilde geven.

Henk gaat op andere dagen ook bij hem langs. Ze wandelen soms een rondje, of Henk brengt boodschappen. Hij doet meer dan ik. En toen ik jaren geleden na een operatie wekenlang weinig kon, kwam Peter onze tuin doen zonder dat we het vroegen.

Dat haalt Henk niet aan. Ikzelf wel, in mijn hoofd.

Bij dat logeerbed kwam alles eruit.

Ik zei dat ons huis de enige plek was waar ik niet wilde opletten hoe iemand erbij zat. Dat ik geen heel weekend zwaar wilde praten. Dat Henk mij niet zomaar voor twee dagen kon vastleggen.

‘Je hoeft toch niet voortdurend mee te doen?’ zei hij.

‘Dus dan ga ik boven zitten terwijl jullie beneden zijn?’

‘Dat zeg ik niet.’

‘Maar waar moet ik dan heen?’

Hij zette zijn mok op de vensterbank. Ik ergerde me nog aan de kring die dat zou geven. Midden in die ruzie dacht ik daaraan.

‘Echte vriendschap houdt niet op als het even moeilijk wordt,’ zei hij.

Ik antwoordde dat hij makkelijk gul kon zijn met iets wat ook van mij was.

Daar werd hij stil van. Later vond ik het een nare zin. Ik meende hem wel.

We hebben die avond apart televisie gekeken. Dat doen we anders nooit. Ik hoorde hem boven lachen om iets en was daar op een onredelijke manier kwaad over.

Het bezoek is nog steeds niet afgezegd. Henk vindt dat hij Peter niet eerst iets kan beloven en het daarna terugtrekken. Ik vind dat hij die belofte niet alleen had mogen doen.

Mijn zus woont in Zutphen. Ik heb haar gevraagd of ik zaterdag kan komen slapen. Ze vroeg of er iets was met Henk en mij. Ik zei eerst van niet en daarna toch van wel, maar niet wat zij dacht.

Nu ga ik dus zelf een nacht weg. Niet omdat we een oplossing hebben gevonden. Ik wil alleen dat weekend niet verder ruziën, en ik wil Peter niet het gevoel geven dat we ruzie hebben over hem.

Henk heeft aangeboden me naar het station te brengen. Ik heb gezegd dat ik de bus wel neem.

Vanmiddag stuurde Peter een berichtje. Of hij iets mee moest nemen voor bij de koffie.

Ik heb een tijd naar mijn telefoon gekeken. Uiteindelijk heb ik geantwoord dat er nog genoeg in huis was. Daarna heb ik mijn zus gevraagd of ik een handdoek moest meenemen.