Mijn man boekte een vakantie met onze vriendengroep terwijl ik al maanden zei dat ik niet meer mee kon
Ik wist dat er iets niet goed zat toen ik op een woensdagmiddag mijn telefoon op stil zette en vervolgens schrok van de opluchting die ik voelde.
Er stonden drie berichten in onze groepsapp. Iemand wilde weten wie er zaterdag mee ging eten bij De Lantaarn. Daarna een foto van een nieuwe tuinset van Karin. En ten slotte Henk, mijn man: “Wij zijn erbij, gezellig.”
Ik zat aan de keukentafel met een kop thee die koud was geworden en keek alleen maar naar dat woordje: wij.
Wij zijn al ruim dertig jaar bevriend met dezelfde acht mensen. Eerst via de voetbal van onze kinderen, later omdat je blijkbaar vanzelf een vaste groep wordt als iedereen ongeveer in dezelfde fase zit. Verjaardagen, kerstdiners, kampeerweekenden in Zeeland, barbecueën zodra er drie zonnestralen zijn. Toen de kinderen uit huis gingen, bleven wij over. Niet als verplichting, zo voelde het jarenlang niet. Ik heb ontzettend veel aan die mensen gehad. Vooral toen mijn moeder ziek werd. Karin stond met een pan lasagne voor de deur en Theo reed Henk naar het ziekenhuis toen mijn auto niet wilde starten.
Maar het afgelopen jaar is er iets verschoven. Misschien begon het toen Henk met pensioen ging. Hij werkte altijd bij de gemeente, veel buiten, veel mensen om zich heen. De eerste weken na zijn afscheid vond ik hem wat verloren. Nu is hij juist helemaal opgebloeid. Hij padelt twee ochtenden per week, helpt Theo met klussen, drinkt op vrijdagmiddag een biertje in het clubhuis en onderhoudt de groepsapp alsof het zijn tweede baan is.
Ik gun hem dat ook echt. Henk is vrolijker dan hij in jaren is geweest.
Alleen ik ben niet vrolijker geworden.
Ik werk nog twee dagen per week in de thuiszorg. Dat is niet zwaar op papier misschien, maar ik kom bij mensen die soms dagen niemand zien. Je bent de hele tijd aan het praten, opletten, geruststellen, dingen herhalen. Mijn rug speelt op sinds afgelopen winter en ik slaap slecht. Niet dramatisch slecht, maar zo’n slaap waarbij je om half vier wakker wordt en alvast begint te rekenen hoeveel afspraken, appjes en etentjes er nog komen.
Op mijn vrije dagen wil ik soms gewoon nergens heen. Een rondje door het park, de was ophangen, een beetje rommelen in de tuin. Geen ‘gezellig even aanwaaien’ dat uiteindelijk van twee tot zeven uur duurt. Geen rekening houden met wie vegetarisch eet, wie niet tegen knoflook kan en wie altijd nog een kop koffie wil nadat je al bij de deur staat.
Toen ik dat voor het eerst tegen Henk zei, keek hij me aan alsof ik had gezegd dat ik wilde verhuizen naar een hut op de Veluwe.
“Maar je vindt het toch altijd leuk als je er eenmaal bent?” zei hij.
Dat is juist het lastige. Soms vind ik het inderdaad leuk. Ik lach, ik praat mee, ik kom thuis en denk: zie je wel, niet zo aanstellen. Maar de volgende dag ben ik op. Dan wil ik niemand spreken, ook Henk niet. En een week later begint hetzelfde weer.
Ik stelde voor om niet meer elke week iets te doen, maar één keer per maand. Dan kon ik er ook met meer zin naartoe. Henk werd stil. Hij is niet iemand die snel schreeuwt, maar hij kan heel hard zwijgen. Uiteindelijk zei hij: “Je kunt vriendschappen niet behandelen alsof het tandartsafspraken zijn.”
Dat kwam harder aan dan ik verwachtte.
Sindsdien gaat hij vaak alleen. Eerst vond ik dat juist een prima oplossing. Hij hoeft zich niet in te houden vanwege mij en ik heb rust. Maar hij vertelde de anderen niet dat ik minder wil. Hij zei dat ik moe was, dat ik hoofdpijn had, dat ik nog een avonddienst had geruild. Allemaal dingen die soms waar waren, maar niet de kern.
“Waarom zeg je niet gewoon dat ik even minder sociale dingen wil?” vroeg ik.
Hij haalde zijn schouders op. “Omdat ze dan denken dat er iets aan de hand is. Of dat je geen zin meer in ze hebt.”
“Maar ik heb niet minder zin in hen. Ik heb minder energie voor alles.”
“Dat verschil snappen mensen niet altijd, Marjan.”
Daar zat ik dan, blijkbaar iemand die niet begrepen zou worden door de mensen die al dertig jaar mijn vrienden zijn.
Vorige maand kwam het gedoe over de vakantie. Elke twee jaar gaan we met z’n allen een week weg. Dit keer zou het een groot huis in de Ardennen worden, met vier stellen, wandelingen, samen koken, een bierproeverij die Theo al had uitgezocht en, volgens de app, een ‘ochtendprogramma’ voor wie zin had. Alleen dat woord maakte me moe.
Toen Henk erover begon, zei ik meteen dat ik niet mee wilde. Niet misschien, niet als we korter gaan. Gewoon niet. Ik stelde voor dat hij ging en dat ik thuisbleef. Of dat wij samen later een paar dagen naar een rustig hotel in Drenthe konden, zonder planning en zonder gezamenlijke boodschappenlijst.
Hij zei dat hij het begreep. Hij klonk teleurgesteld, maar redelijk. Daarom dacht ik dat het klaar was.
Tot ik vorige week een bevestiging van Booking.com op zijn laptop zag. Die stond open omdat hij iets wilde printen. Twee personen. Zeven nachten. Betaald met onze gezamenlijke rekening.
Ik heb eerst nog gedacht dat ik het verkeerd zag. Echt waar. Ik stond daar met een vel papier in mijn hand, een recept van de huisarts dat ik eigenlijk wilde opbergen, en ik bleef maar naar die data kijken.
Toen Henk thuiskwam van padel vroeg ik ernaar. Hij trok zijn schoenen uit, keek naar het scherm en zuchtte meteen.
“Ik dacht dat je misschien nog zou bijdraaien,” zei hij.
Dat woord, bijdraaien. Alsof ik een lastige klant was die uiteindelijk wel akkoord zou gaan met een hogere offerte.
Ik werd boos. Veel bozer dan ik normaal word. Ik zei dat hij niet over mij kon boeken alsof ik handbagage was. Hij zei dat ik onze hele groep liet vallen en dat hij bang was dat we langzaam buiten alles zouden komen te staan. Dat mensen minder zouden vragen. Dat de vriendschappen verwateren. En eerlijk gezegd snap ik die angst. Onze wereld is kleiner dan vroeger. De kinderen wonen in Utrecht en Groningen, mijn zus zit vooral met haar kleinkinderen, en als wij oud zijn, zijn dit waarschijnlijk de mensen die merken dat het licht al drie dagen niet brandt.
Maar ik zei ook dat ik geen sociaal vangnet kan zijn als ik zelf steeds door het ijs zak.
Daarna hebben we twee dagen bijna niet gepraat. Niet op een dramatische manier. We deden gewoon de gewone dingen. Henk maakte stamppot. Ik belde mijn dochter. We keken een aflevering van Heel Holland Bakt zonder echt te kijken. Hij sliep met zijn rug naar me toe, wat hij anders nooit doet.
Gisteren heeft hij de boeking aangepast. Hij gaat wel, ik niet. Het kostte geld, want mijn deel was niet meer volledig terug te krijgen. Hij heeft daar niets over gezegd, maar ik weet dat hij dat erg vindt. Niet omdat we het niet kunnen missen, maar omdat hij vindt dat je geen geld over de balk moet gooien voor iets wat voorkomen had kunnen worden.
Vanmiddag stuurde Karin mij apart een berichtje. Alleen: “Ik hoor dat je niet meegaat. Alles oké? Je hoeft niks uit te leggen hoor.”
Ik heb het bericht drie keer gelezen. Daarna heb ik teruggeschreven dat ik gewoon wat meer rust nodig heb en dat ik haar binnenkort graag eens alleen wil zien, misschien wandelen en koffie drinken.
Ze antwoordde bijna meteen: “Lijkt me fijn.”
Henk zit nu in de schuur een fietstas schoon te maken voor de Ardennen. Ik hoor hem rommelen met een rits die vastzit. Ik weet niet of hij nog steeds denkt dat ik overdrijf. Misschien denkt hij dat wel. En ik weet ook niet of ik over een half jaar spijt krijg als ik op een zaterdagavond alleen op de bank zit terwijl de groepsapp volloopt met foto’s waar ik niet op sta.
Maar voor het eerst in maanden staat zaterdag nergens in mijn agenda. Alleen boodschappen doen, misschien de rozen snoeien als het droog blijft. Het idee daarvan voelt niet als verlies. Nog niet.