Na veertig jaar vriendschap durfde ik een weekend weg te gaan zonder hen

Ik heb Marijke afgelopen dinsdag niet gebeld. Dat klinkt misschien als een klein ding, maar vroeger belden we elkaar soms drie keer op een dag. Even over de prijs van sperziebonen bij de Albert Heijn, een buurvrouw die weer haar kliko verkeerd neerzette, of een recept dat niet lukte. Nu kijk ik eerst naar mijn telefoon en voel ik spanning voordat ik opneem.

Marijke en Theo kennen Henk en mij sinds 1982. We woonden toen allebei in een rijtjeshuis in Nieuwegein, met kleine kinderen, een te hoge hypotheek en van die bruine vloerbedekking waar je toen blijkbaar blij mee was. Onze dochters zaten bij elkaar in de klas. Theo en Henk voetbalden op zondag bij dezelfde club. Voor we het wisten, aten we iedere vrijdag samen.

Dat is eigenlijk veertig jaar zo gebleven. Eerst met kinderen die lawaai maakten, later met pubers die boven bleven, en daarna met z’n vieren aan tafel. We gingen samen naar Frankrijk, later naar Italië toen we allemaal iets meer geld hadden. Op de camping was Theo degene die altijd direct wist hoe de stroompaal werkte, en Marijke nam te veel boeken mee die ze vervolgens niet las. Het was vertrouwd. We hoefden niets uit te leggen.

Zes jaar geleden kreeg Marijke de diagnose MS. In het begin was het vooral vermoeidheid en een been dat soms niet meewerkte. Ze bleef nog lang doen alsof er niet veel veranderd was. Ik snap dat wel. Als iemand bij het restaurant vroeg of ze een tafel bij het raam wilde, zei ze vrolijk ja, terwijl ze daarna bijna niet bij het toilet kon komen.

De laatste twee jaar is het sneller gegaan. Ze loopt binnenshuis met een rollator en buiten meestal met een scootmobiel. Theo doet veel, echt veel. Hij kookt, wast, rijdt haar naar het ziekenhuis in Utrecht en regelt de hulpmiddelen. Ik zie dat hij moe is. Tegelijk is hij iemand die nooit zegt: ik trek het niet. Hij wordt dan juist praktisch. Hij maakt lijstjes. Hij stuurt appjes.

‘Kunnen jullie donderdag even komen? Marijke moet naar de podotherapeut en ik heb om twee uur de monteur voor de traplift.’

Of: ‘Zaterdag zou fijn zijn, dan kan Henk misschien de schuur opruimen en kun jij met Marijke naar het winkelcentrum.’

In het begin deden we dat zonder erbij na te denken. Natuurlijk. Zij hadden vroeger ook op onze kinderen gepast als Henk en ik allebei moesten werken. Theo heeft onze badkamer verbouwd toen Henk zijn arm gebroken had. Zo tel je dat niet precies op, maar je voelt wel dat je er voor elkaar hoort te zijn.

Alleen werd het steeds vaker. Vrijdagavond eten werd vrijdagmiddag boodschappen doen, koken bij hen, afwassen, medicijnen klaarzetten omdat Theo nog even naar de apotheek moest. Zondag gingen we soms ook, want dan was het voor Marijke zo’n lange dag.

Henk vindt dat vanzelfsprekend. Hij is 69, sinds vorig jaar met pensioen, en hij floreert erbij als iemand hem nodig heeft. Hij rijdt graag, hij klust graag, hij praat makkelijk met Theo. Soms zit hij daar drie uur lang een kastdeurtje recht te zetten en komt hij tevreden thuis.

Ik kom thuis en wil mijn jas niet eens meer uitdoen.

Ik schaamde me daar aanvankelijk voor. Marijke ligt niet voor haar plezier op de bank. Zij heeft niet gevraagd om een lichaam dat haar steeds meer in de steek laat. Maar ik begon afspraken af te zeggen met mijn zus, ik ging niet meer naar het koor waar ik net lid van was geworden en een lunch met oud-collega’s voelde ineens als iets waarvoor ik toestemming moest vragen.

Als ik zei dat ik een middag alleen wilde rommelen, keek Henk alsof ik had aangekondigd dat ik geen zin meer had in onze kleinkinderen.

‘Je kunt toch morgen rommelen?’ zei hij dan. ‘Marijke zit de hele week alleen.’

Dat was niet eens waar. Er kwam thuiszorg, haar dochter Femke kwam meestal op woensdag en Theo was natuurlijk thuis, al ging hij ook wel golfen. Maar in Henks hoofd was iedere vrije middag van ons blijkbaar beschikbaar zolang Marijke ziek was.

In maart heb ik gezegd dat ik niet meer elke week twee of drie keer wilde gaan. Ik had het opgeschreven, heel kinderachtig misschien, omdat ik bang was dat ik anders meteen zou gaan huilen of in de verdediging zou schieten.

Henk las mijn papiertje niet eens af. Hij schoof het weg en zei: ‘Dus nu we oud zijn en ze ons echt nodig hebben, haak jij af.’

Dat kwam hard aan. Vooral omdat het deels waar voelde. Ik wilde af en toe afhaken. Niet van Marijke als persoon, maar van het schema, de verwachtingen, dat constante paraatstaan.

Toen kwam die afspraak in het revalidatiecentrum. Marijke moest op maandagochtend een intake hebben voor een andere rolstoel. Theo had diezelfde ochtend een controle in het ziekenhuis vanwege zijn hartritmestoornissen. Femke kon niet, want haar jongste had koorts. Theo vroeg of ik mee kon met Marijke.

Precies dat weekend zouden mijn oud-collega’s en ik naar een huisje bij Domburg gaan. We hadden dat al in november besproken. Vier vrouwen, allemaal sinds kort met pensioen, en het was de eerste keer dat ik ergens naartoe ging zonder Henk. Ik had er belachelijk veel zin in. Gewoon wandelen, wijn drinken die te duur is, en niet nadenken over wie er morgen ergens heen moet.

Ik zei tegen Theo dat het me speet, maar dat ik weg was. Hij bleef heel stil aan de telefoon. Daarna zei hij: ‘Oké, dan moeten we iets anders verzinnen.’ Niet boos. Dat maakte het erger.

Henk was wel boos.

‘Je gaat dus lekker naar Zeeland terwijl Marijke daar zit met die afspraak?’

‘Alsof ik haar expres laat vallen,’ zei ik. ‘Ze heeft vervoer via de Wmo en Femke probeert iemand van haar werk te regelen.’

‘Je weet toch dat zo’n intake belangrijk is?’

Ik zei iets gemeens. Dat hij dan zelf mee moest gaan en zijn controle kon verzetten als het zo’n morele noodsituatie was. Meteen daarna had ik spijt, want die controle was ook belangrijk. Maar ik was zo moe van het feit dat mijn tijd altijd als eerste weggegeven werd.

Ik ben toch naar Domburg gegaan. De eerste avond had ik mijn telefoon op tafel liggen alsof er elk moment een ongeluk kon gebeuren. Marijke stuurde zaterdag een foto van haar nieuwe handgrepen in de badkamer. Daaronder: ‘Ziet er chic uit hè.’ Ik wist niet wat ik terug moest sturen en heb alleen een hartje gedaan.

Maandag ging de afspraak uiteindelijk door. Femke had vrij genomen. Marijke kreeg een goede intake, zei Theo later. Hij klonk afstandelijk. Henk heeft die week nauwelijks met mij gepraat, behalve over boodschappen en de afvalpas.

Vrijdagavond gingen we weer eten bij Marijke en Theo, omdat we dat blijkbaar allemaal nog niet durfden te veranderen. Marijke was opvallend vrolijk. Ze vertelde uitgebreid over de rolstoel en vroeg hoe Zeeland was. Ik zei dat het mooi weer was geweest, maar ik hoorde mezelf voorzichtig praten, alsof ik over een verboden onderwerp begon.

Theo keek naar zijn bord en zei: ‘Fijn dat je er even uit kon.’

Niemand zei iets. Henk kneep zijn lippen op elkaar. Marijke vroeg daarna of iemand nog jus wilde.

Sindsdien gaan we één keer per week bij hen langs, meestal op vrijdag. Henk gaat soms extra, zonder mij. Hij doet daar niet geheimzinnig over, maar ik voel het wel als een verwijt, ook als hij niets zegt. Theo appt me minder vaak. Marijke belt soms nog, maar korter dan vroeger.

Dinsdag heb ik niet gebeld omdat ik naar het koor moest. Ik stond tussen vrouwen die ik nog niet zo goed ken en zong een lied dat ik nauwelijks kende. Toen ik thuiskwam, had ik een gemiste oproep van Marijke.

Ik heb haar de volgende ochtend teruggebeld. Ze wilde alleen weten of ik nog een goed adres wist voor iemand die gordijnen kan inkorten. We praatten tien minuten. Over haar gordijnen, over de regen, over niets belangrijks.

Toen we ophingen, bleef ik met mijn hand op de telefoon zitten. Ik was opgelucht dat ze niets gevraagd had. En tegelijk vond ik die opluchting verschrikkelijk.