Na veertig jaar vriendschap vroeg Henk of wij een deel van de week bij hen wilden wonen

De sleutel van het huis van Henk en Els ligt al drie weken in het schaaltje op onze gang. Naast onze eigen sleutels, een oude Albert Heijn-munt en de reservesleutel van de schuur. Karel heeft hem daar neergelegd alsof het de gewoonste zaak van de wereld is.

Ik kijk er elke ochtend naar als ik de krant uit de brievenbus haal. Soms denk ik: leg hem terug. Soms denk ik: wat een verschrikkelijk mens ben ik dat ik dat denk.

We kennen Henk en Els al sinds 1983. Toen woonden we allebei nog in een huurhuis in Amersfoort, met bruine vloerbedekking en kinderen die om zes uur wakker waren, ook in het weekend. Onze oudste dochters zaten bij elkaar in de klas. Later gingen we samen op vakantie naar Frankrijk, eerst met een vouwwagen, daarna met twee caravans vlak naast elkaar op dezelfde camping. We hebben elkaar door ontslagen, sterfgevallen en ruzies met volwassen kinderen heen geholpen.

Toen mijn moeder in het ziekenhuis lag na haar herseninfarct, stond Els hier drie avonden per week te koken. Niet omdat ik daarom vroeg. Ze deed het gewoon. Stamppot, macaroni, een pan soep. Ze zette het op tafel, gaf Karel een knikje en zei dat ik mee naar boven moest om even te slapen.

Dus toen Henk ons in januari belde en zei dat het niet goed ging, zijn we meteen gegaan.

Els deed open in haar badjas, midden op de middag. Ze keek naar mij, heel lang. Toen zei ze: “Wat fijn dat je er bent, Marianne. Ik dacht al dat ik je stem hoorde.”

Ik heet geen Marianne. Marianne is haar zus, en die woont al jaren in Spanje.

Henk lachte er wat te hard om. Hij was altijd een rustige man, een boekhouder die zelfs op vakantie bonnetjes in een mapje stopte. Nu lag er een stapel ongeopende post op de eettafel, tussen twee verlopen recepten en een schaal met beschimmelde mandarijnen.

Hij zei dat Els de laatste tijd dingen door elkaar haalde. Dat kon gebeuren op hun leeftijd, zei hij erbij. Hij zei het alsof hij ons gerust wilde stellen, terwijl zijn handen bleven bewegen over de rugleuning van zijn stoel.

Een paar maanden later kwam er via de huisarts een casemanager dementie. Eerst vond Els dat onzin. Daarna vergat ze dat die vrouw was geweest. Henk begon zelf ook afspraken kwijt te raken. Hij had een keer de waterkoker op het gasfornuis gezet. Gelukkig niet aangezet. Een andere keer was hij naar de supermarkt gelopen en kon hij niet meer bedenken aan welke kant van de weg hun huis stond.

Karel ging steeds vaker even langs. Eerst om een lampje te vervangen, daarna om de internetbankieren-app weer aan de praat te krijgen. Hij nam ook de administratie mee naar huis, “voor het overzicht”. Ik vond dat al niet prettig, maar ik zei weinig. Het was Karel zijn beste vriend. En eerlijk is eerlijk: hij kon niet aanzien hoe Henk met rekeningen zat te schuiven zonder te begrijpen wat hij zag.

De vraag kwam op een zondagmiddag, nadat we koffie hadden gedronken die Els drie keer opnieuw wilde inschenken.

Henk zat tegenover ons en zei: “Ik heb erover nagedacht. Als jullie nou om de beurt een paar dagen hier zijn. Of misschien gewoon één vaste week per maand. Dan kunnen wij hier blijven wonen. Jullie hebben toch tijd nu?”

Hij zei het niet dwingend. Eerder wanhopig, bijna verontschuldigend. Maar ik voelde meteen iets dichtklappen in mijn borst.

Karel zei niet direct nee. Dat deed pijn, gek genoeg. Hij vroeg hoe Henk dat precies voor zich zag.

“Niet dat jullie alles moeten doen,” zei Henk. “Gewoon aanwezig zijn. Kijken of het goed gaat. Eten regelen misschien. Als Els onrustig is… dan kent ze jullie. En ik ken jullie ook.”

Dat laatste kwam er zacht achteraan. Hij keek naar zijn handen.

In de auto terug zei ik niets tot we bij de rotonde waren. Toen zei ik: “Hij vraagt of we bij ze gaan inwonen, Karel.”

“Dat zegt hij toch niet letterlijk.”

“Wat is ‘een paar dagen hier zijn’ dan?”

Karel keek strak voor zich uit. “Ze zijn bang voor een verpleeghuis.”

“Ik ook,” zei ik. “Maar ik ben niet bang genoeg om mijn eigen huis weg te geven.”

Daar kregen we voor het eerst echt ruzie over. Niet schreeuwen, dat doen wij niet. Juist dat rustige, venijnige praten waarbij je allebei de vaatwasser harder dichtdoet dan nodig is.

Karel zei dat ik alleen keek naar wat het ons kostte. Ik zei dat hij deed alsof veertig jaar vriendschap ons automatisch tot hulpverleners maakte. Hij zei dat Henk er ook voor hem was geweest toen hij na zijn ontslag bij de drukkerij maandenlang somber op de bank zat.

Dat wist ik natuurlijk. Henk had Karel toen elke dinsdag meegenomen om te vissen, ook als ze nauwelijks iets vingen.

“Maar Henk vroeg toen niet of wij zijn leven moesten overnemen,” zei ik.

De week erna belde Els mij om kwart voor acht ’s ochtends. Ze was in paniek. Henk was volgens haar verdwenen. Ik reed erheen, nog in mijn jas over mijn pyjama, omdat Karel bij de tandarts was. Henk bleek in de achtertuin te staan. Hij was bezig met de kliko en wist niet waarom Els zo huilde.

Die ochtend heb ik een boterham voor ze gemaakt, de post gesorteerd en de casemanager gebeld. Daarna zat ik twintig minuten in mijn auto voor hun huis voordat ik naar huis durfde. Ik voelde medelijden, maar ook woede. Niet op hen precies. Op alles wat nu blijkbaar op ons afkwam.

De casemanager is duidelijk geweest: er kan wijkverpleging worden aangevraagd, dagbesteding, iemand die met financiën meekijkt. Misschien uiteindelijk beschermd wonen of een plek in een verpleeghuis, maar daar zijn wachttijden en er moet eerst van alles worden onderzocht. Henk knikt dan, maar zegt daarna dat vreemden Els alleen maar onrustig maken.

En Els zegt sinds kort dat ze liever bij ons woont. Soms noemt ze mij nog Marianne.

Karel heeft voorgesteld dat we voorlopig iedere dinsdag en vrijdag gaan. Ik heb gezegd dat ik op vrijdag niet kan, omdat ik dan mijn aquagym heb en daarna meestal koffie drink met twee vrouwen uit de groep. Het klonk kinderachtig toen ik het uitsprak. Aquagym tegenover mensen die misschien niet meer veilig alleen thuis kunnen wonen.

Maar ik ben daar toch heen gegaan. Ik heb in het warme water gestaan, met mijn badmuts scheef, en ik heb me bijna de hele les schuldig gevoeld. Daarna heb ik koffie gedronken en verteld dat ik slecht had geslapen. Niet waarom.

Nu hebben we een rooster op de koelkast. Karel gaat drie keer per week, ik één keer. Meer wil ik voorlopig niet beloven. De sleutel ligt nog steeds in dat schaaltje. Vanavond komt Henk eten, zonder Els; zij gaat naar de dagbesteding om te kijken of het iets voor haar is.

Karel is stoofvlees aan het maken. Hij zegt dat Henk daar altijd gek op was.

Ik dek de tafel voor drie personen en merk dat ik automatisch ook een vierde bord pak. Daarna zet ik het weer terug in de kast.