Ik wilde de vakantie van mijn vriend betalen, maar nu gaan we misschien al veertig jaar niet meer samen weg

Ik heb vorige week de map met onze oude vakantiefoto’s van zolder gehaald. Niet omdat ik daar ineens zin in had, maar omdat ik een factuur zocht die waarschijnlijk nergens meer lag. In die map zat alles door elkaar: een parkeerkaartje uit Beaune, een menukaart van dat belachelijk dure restaurant in Uzès, foto’s van onze kinderen toen ze nog mee wilden en allemaal zonnebrillen droegen die te groot waren.

Op bijna elke foto stonden dezelfde mensen. Mijn vrouw Marjan en ik, Kees en Ellen, Rob en Saskia, en vroeger ook Hans en Monique, totdat Monique overleed. Al meer dan dertig jaar gaan we met z’n zessen, later met z’n vijven, een week of tien dagen naar Frankrijk. Niet kamperen, nooit gekampeerd. We huren meestal een groot huis met zwembad, ergens in de Drôme of de Luberon. Goede bedden, een keuken waar je normaal kunt koken, een dorpje in de buurt. Kees regelt de wijn, ik doe de reserveringen, Ellen zoekt altijd het huis uit en doet alsof het toevallig is dat er een mooie stenen trap en een olijfboomgaard bij zitten.

Het is duur, ja. Daar hebben we ook nooit geheimzinnig over gedaan. We zijn allemaal ouder geworden, hebben hard gewerkt, kinderen grootgebracht, verbouwingen gehad, ouders verzorgd. Nu kunnen we het ons veroorloven. Of dat dachten we tenminste.

Rob belde me eind januari. Hij klonk vreemd opgewekt, alsof hij een verkoudheid probeerde weg te lachen.

Hij zei: „Zeg, voor Frankrijk dit jaar… misschien moeten we eens iets anders doen.”

Ik stond op dat moment bij de Praxis, met een pakje schroeven in mijn hand. Ik zei nog: „Anders? Je bedoelt een ander gebied?”

„Nee. Gewoon in Nederland. Of België. Een huisje op de Veluwe misschien. Niet zo lang. Ook prima toch?”

Rob is niet iemand die voor zijn plezier naar de Veluwe gaat als hij normaal naar de Provence kan. Hij kan genieten van een boswandeling, hoor, maar hij heeft ook altijd het hardst geroepen dat vakantie pas vakantie was als je de eerste dag al ruzie kreeg met een Franse parkeerautomaat.

Pas toen hij zei dat zijn investering niet goed was afgelopen, begreep ik het een beetje. Hij had geld gestoken in een bedrijfje van de zoon van een oude collega. Iets met laadpalen en software, ik weet de details nog steeds niet precies. Hij had ook geld geleend, bleek later. Niet alleen spaargeld kwijt, maar echt vastgezeten aan maandelijkse aflossingen. Saskia wist ervan, de rest niet.

Ik voelde meteen medelijden, maar ook ongemak. Dat geef ik eerlijk toe. Niet omdat ik op hem neerkeek. Rob was altijd degene die het financieel het ruimst had. Hij runde een installatiebedrijf en ging eerder met pensioen dan ik. Als hij zei dat iets een slimme investering was, luisterde je automatisch.

Die avond bespraken Marjan en ik het aan de keukentafel. Zij zei vrijwel direct: „Dan betalen wij dat deel toch gewoon dit jaar?”

Ik vond het eerst een beetje veel. Niet omdat we het niet konden missen. Mijn pensioen is goed, Marjan werkt nog twee dagen bij de bibliotheek en we hebben geen hypotheek meer. Maar een week voor twee mensen in zo’n huis, plus eten en uitjes, is ook niet een bos bloemen.

Toch dacht ik: dit is precies waarvoor vrienden er zijn. Rob heeft mij in 2008 nog geholpen toen ik bijna een klus aannam waar ik achteraf enorm mee in mijn maag had gezeten. Hij kwam gewoon langs, dronk koffie en zei: „Jij bent geen twintig meer, Willem. Doe niet alsof je alles nog hoeft te bewijzen.” Hij had gelijk.

Dus ik belde hem de volgende ochtend. Ik probeerde het luchtig te houden. Ik zei dat Marjan en ik het leuk zouden vinden als zij gewoon meegingen en dat wij hun aandeel wel wilden doen. „Niet moeilijk over doen, Rob. Volgend jaar zien we wel weer.”

Er viel een stilte die veel langer duurde dan prettig was.

Toen zei hij: „Dus iedereen gaat lekker op vakantie en ik mag mee als jullie project?”

Ik zei dat hij dat er niet van moest maken. Misschien dom, want daarmee deed ik precies alsof zijn gevoel lastig was in plaats van begrijpelijk.

Hij zei: „Ik stel voor dat we een keer iets kiezen wat iedereen kan betalen. Dat is toch niet zo gek?”

„Nee,” zei ik, „maar waarom moet iedereen dan ineens in een vakantiepark in Drenthe zitten omdat jij dit jaar krap zit?”

Het was eruit voordat ik het wist. Ik hoorde Marjan aan de andere kant van de kamer heel zacht mijn naam zeggen, niet boos, meer waarschuwend.

Rob werd niet hard. Dat had ik bijna liever gehad. Hij zei alleen: „Daar gaat het dus om. Jij ziet het als ineens inleveren.”

Hij hing op met de mededeling dat hij er later op terug zou komen.

Ellen maakte daarna een groepsapp aan, wat al een slecht teken was. Normaal sturen we daar foto’s van gerechten in of vragen we wie er nog een verloopstekker heeft. Nu kwamen er lange berichten. Saskia schreef dat Rob zich al maanden schaamde en dat zij geen medelijden wilden, alleen niet buitengesloten wilden worden. Kees reageerde dat hij best een eenvoudiger vakantie wilde, maar dat hij ook niet wilde doen alsof hij geen zin had in Frankrijk. Zijn vrouw Ellen wilde het liefst splitsen: een lang weekend in Nederland met iedereen en daarna wie wilde naar Frankrijk.

Marjan vond dat een redelijke oplossing. Ik niet, al zei ik dat niet meteen. Voor mij voelde het alsof we iets dat al decennia van ons allemaal was, opknipten om een situatie minder ongemakkelijk te maken. En ik schaam me om het te schrijven, maar ik had ook gewoon geen behoefte aan een regenton naast een huisje op een vakantiepark, met elektrische fietsen in de schuur en een snackbar op loopafstand. Ik werk mijn hele leven al om niet meer op die manier vakantie te hoeven vieren.

Dat klinkt elitair. Misschien is het ook elitair.

Vorige vrijdag zijn we bij Kees en Ellen gaan eten. Rob en Saskia waren er ook. Ellen had lasagne gemaakt en veel te veel salade, zoals altijd. Iedereen deed de eerste drie kwartier alsof er niets aan de hand was. We hadden het over de knie van Kees, over de kleindochter van Ellen die naar de middelbare ging, over de verbouwing bij onze dochter.

Toen Kees vroeg of iemand nog wijn wilde, zei Rob ineens: „We hoeven hier niet omheen te draaien.”

Hij keek mij niet eens direct aan. Hij zei dat hij niet mee wilde op kosten van anderen. Dat hij daar elke keer bij het boodschappen doen aan zou denken, bij een restaurantrekening, bij het zwembad. „Dan ben ik niet meer Rob die te veel wijn inslaat,” zei hij. „Dan ben ik Rob voor wie ze betalen.”

Ik zei dat niemand hem zo zou zien.

„Jij misschien niet,” zei hij. „Maar ik wel.”

Dat vond ik oneerlijk. Alsof mijn bedoeling er helemaal niet toe deed. Ik zei dat vriendschap toch ook betekent dat je hulp aanneemt als het nodig is. Hij antwoordde dat vriendschap ook betekent dat je niet verwacht dat de rest zich altijd aan jouw smaak en budget aanpast.

Daar zat ik dan, met mijn glas in mijn hand, en ik wist oprecht niet meer wie van ons tweeën het hardst vasthield aan iets.

Uiteindelijk is er niets besloten. Kees en Ellen gaan waarschijnlijk twee weken naar Frankrijk, met hun dochter en schoonzoon. Marjan en ik hebben de optie op het huis in de Drôme nog tot volgende maand. Rob en Saskia willen in september een paar dagen naar Terschelling, alleen of met wie mee wil.

Gisteren stuurde Rob mij een foto van zijn nieuwe pup. Een zwarte labrador, veel te grote poten. Daaronder stond alleen: „Saskia heeft gewonnen.” Ik heb een hartje gestuurd en gevraagd hoe hij heet. Het leek me te weinig, maar ook het enige normale dat ik op dat moment kon bedenken.

De map ligt nog steeds op tafel. Marjan zegt dat ik hem moet opruimen. Ik doe het telkens niet. Op de bovenste foto zitten we allemaal aan een lange tafel onder een druivenrank. Rob heeft een wit overhemd aan dat hij later die avond met rode wijn heeft verpest. Ik weet nog dat we daar verschrikkelijk om hebben gelachen.