Na 34 jaar vaste etentjes bleef ik thuis, en mijn man noemde het verraad

Ik heb vorige week voor het eerst in vierendertig jaar onze eerste-zaterdag-van-de-maand-afspraak afgezegd.

Niet omdat ik griep had, niet omdat we op vakantie waren of omdat er een kleinkind jarig was. Ik heb gewoon tegen mijn man gezegd dat hij van mij mocht gaan, maar dat ik thuisbleef.

Hij keek me aan alsof ik had gezegd dat ik voortaan met kerst niet meer bij mijn eigen kinderen wilde zijn.

Onze groep bestaat uit vier stellen, al sinds de tijd dat we nog in de nieuwbouwwijk in Amersfoort woonden. De kinderen speelden bij elkaar op straat, we leenden suiker en boormachines van elkaar en op een gegeven moment ontstond het vaste etentje. Eerst om de beurt thuis, later meestal bij een eetcafé, omdat niemand na een werkweek nog voor acht man wilde koken.

Nu zijn we allemaal begin zestig. De meeste kinderen zijn het huis uit. Twee stellen zijn verhuisd, maar niet zo ver dat de etentjes stopten. Het was altijd iets waar ik van opknapte. Een avond waarop je niet hoefde uit te leggen wie iedereen was. Je kende elkaars geschiedenis al. De banen die misliepen, de ouders die overleden, de dochters die op kamers gingen en na drie maanden weer terugkwamen omdat de huisgenoot nooit afwaste.

Rob hoorde daar ook bij. Rob en Marianne waren misschien wel het meest stabiele stel van ons allemaal, dacht ik altijd. Hij werkte bij de gemeente, zij in het onderwijs. Ze hadden een caravan in Frankrijk waar iedereen wel eens een keer koffie had gedronken op doorreis. Vorig voorjaar vertelde Marianne ineens dat ze apart gingen wonen.

Ze zei het heel beheerst, bij ons aan tafel, met haar jas nog aan. Rob zat ernaast en keek naar zijn handen. Niemand wist waar hij moest kijken. Ik ook niet.

In het begin hadden we vooral medelijden met hem. Hij ging in een huurappartement zitten, een beetje kaal nieuwbouwding bij het station. Hij was zichtbaar afgevallen. Mijn man, Henk, belde hem een paar keer per week. Nam hem mee naar de bouwmarkt, hielp een lamp ophangen. Dat vond ik juist goed van Henk. Hij is niet iemand van grote woorden, maar hij komt wel opdagen.

Alleen werden de etentjes langzaam iets anders.

Rob kwam soms veel te vroeg en zat dan al aan een pilsje voordat de rest er was. Hij vertelde steeds dezelfde dingen over Marianne. Dat zij hem had laten vallen. Dat zij waarschijnlijk al langer iemand anders had. Dat hij niet begreep waarom niemand haar eens zei wat ze hem aandeed.

Niemand wist wat er precies tussen hen was gebeurd. Marianne kwam niet meer. Ze had dat zelf zo besloten, via een kort berichtje in onze groepsapp. Ze schreef dat ze ons allemaal lief vond, maar dat ze voorlopig geen gezamenlijke avonden aankon. Ik vond het pijnlijk, maar ook begrijpelijk.

Rob bleef wel komen. En elke maand werd hij somberder of bozer. Soms allebei in één zin.

Bij het diner in november vroeg Els iets onschuldigs over de verbouwing bij haar zoon. Rob zei toen: “Geniet er maar van. Voor je het weet denkt je vrouw dat ze zonder jou beter af is.”

Het werd stil. Zelfs de serveerster bleef een seconde staan met haar schaaltje friet.

Henk legde een hand op Robs arm en zei zacht: “Kom, jongen.” Ik vond dat lief, echt. Maar daarna ging de avond gewoon verder, alsof we met z’n allen hadden besloten dat dit nu erbij hoorde.

Ik merkte dat ik op vrijdag al onrustig werd als ik wist dat we zaterdag gingen eten. Ik ging dan in mijn hoofd langs mogelijke onderwerpen. Niet over relaties beginnen. Niet vragen hoe het met hem gaat, want dan komt er een heel verhaal waar je niet meer uitkomt. Niet te opgewekt doen, want dat leek hem soms persoonlijk te raken. Maar ook niet te stil zijn, want dan zei hij: “Nou, gezellige boel weer.”

Dat klinkt misschien overdreven. Het was ook niet iedere keer verschrikkelijk. Soms kon hij ineens ouderwets grappig zijn. Dan zag ik even de Rob van vroeger terug, degene die bij elke barbecue te veel vlees kocht en beweerde dat courgette geen eten was. Juist daarom vond ik het zo lastig. Ik wilde hem niet afschrijven.

Maar na het etentje in januari ben ik thuis in de bijkeuken gaan huilen. Niet dramatisch. Ik stond gewoon de restjes in bakjes te doen omdat we nog een portie nasi hadden meegekregen, en ik kon ineens niet meer stoppen.

Die avond had Rob na drie glazen wijn aan Henk gevraagd of hij ook vond dat Marianne “koud” was geworden. Henk zei dat hij Marianne niet wilde beoordelen zonder haar kant te kennen. Rob werd daar kwaad van. Niet hard schreeuwen, maar dat ijzige, spottende praten waar je je nog kleiner door voelt.

Toen ik zei dat we misschien over iets anders konden praten, draaide Rob zich naar mij om en zei: “Jij snapt dit natuurlijk niet. Jij hebt alles nog netjes op orde.”

Dat was niet eens het gemeenste wat iemand ooit tegen me gezegd heeft. Maar ik voelde me plotseling zo moe. Alsof ik verantwoordelijk was geworden voor de stemming van een man die ik niet kon helpen.

Een paar dagen later zei ik tegen Henk dat ik niet meer iedere maand wilde. Misschien om de maand. Of alleen koffie met de groep, overdag. En misschien moest Rob hulp zoeken die verder ging dan vrienden die geduldig knikken aan een tafel in een grand café.

Henk werd meteen stil. Dat is bij hem nooit een goed teken.

“Hij heeft hulp,” zei hij. “Hij zit bij de huisarts en hij heeft gesprekken.”

“Mooi,” zei ik. “Maar wij zijn geen behandeling, Henk.”

Hij keek me toen aan, echt gekwetst. “Dus als het lastig wordt, wil jij hem minder zien.”

Ik zei dat ik mezelf ook niet kwijt wilde raken. Dat ik na zo’n avond twee dagen nodig had om weer normaal te doen. Dat ik soms boos op hem werd omdat hij Rob bleef opvangen en vervolgens thuis nauwelijks meer praatte.

Dat laatste kwam er harder uit dan ik bedoeld had. Henk zei dat hij óók moe was. Dat Rob soms om elf uur ’s avonds belde en dat hij dan niet wist wat hij moest doen. Hij zei: “Als iedereen zich terugtrekt, blijft er niemand over.”

Daar had ik geen goed antwoord op. Want ik weet dat hij gelijk heeft, tenminste gedeeltelijk. Ik weet ook hoe makkelijk mensen verdwijnen wanneer iemand niet meer gezellig is. Je zegt nog drie keer: we moeten snel afspreken, en daarna wordt iemand een naam die af en toe langskomt.

Maar ik zei wel: “Er is verschil tussen er zijn voor iemand en elke maand met samengeknepen kaken aan tafel zitten.”

Afgelopen zaterdag ging Henk dus alleen. Hij trok zijn nette overhemd aan, wat hij anders alleen doet als we uit eten gaan of naar een crematie moeten. Dat viel me pas op toen hij al in de gang stond.

“Wat moet ik zeggen?” vroeg hij.

“Dat ik moe ben,” zei ik. “Want dat ben ik ook.”

Hij zuchtte. “Dat gelooft Rob nooit.”

“Dan gelooft hij het niet.”

Hij kwam pas na elven thuis. Ik lag nog wakker, niet omdat ik op hem wachtte, zei ik tegen mezelf, maar dat deed ik natuurlijk wel. Hij vertelde dat Rob eerst had gevraagd waar ik was. Daarna had hij gezegd dat hij het wel begreep. Vervolgens had hij bijna de hele avond niets meer gezegd.

“Zie je nou wel,” zei Henk, terwijl hij zijn schoenen uitdeed. “Hij voelt zich meteen afgewezen.”

Ik wilde zeggen: en ik dan? Maar ik zei niets. Henk ging douchen. Ik hoorde de leidingen tikken in de muur.

De volgende ochtend stond er een bericht van Rob in de groepsapp: Bedankt voor gisteren allemaal. Ik denk dat ik voorlopig maar even pas.

Els reageerde met hartjes. Peter schreef dat Rob altijd welkom was. Henk stuurde hem apart een bericht, dat weet ik omdat hij het me zelf vertelde. Ik heb niets gestuurd. Daar schaam ik me een beetje voor, maar ik wist ook niet wat ik kon schrijven zonder weer een deur open te zetten waar ik zelf bang voor was geworden.

Vanmiddag heeft Henk voorgesteld om Rob volgende week mee te nemen naar een voetbalwedstrijd van FC Utrecht. Hij heeft nog kaarten via zijn broer. Ik zei dat ik dat een goed idee vond. Dat meende ik ook.

Over het etentje van volgende maand hebben we het nog niet gehad. De datum staat al in mijn agenda. Ik heb hem niet weggehaald, maar er staat ook nog geen vinkje bij.