Na veertig jaar vriendschap durfde ik nee te zeggen tegen een vakantie met onze beste vrienden
Ik heb de afgelopen weken drie keer gedaan alsof ik mijn telefoon niet hoorde.
Dat klinkt misschien kinderachtig, zeker op mijn leeftijd. Ik ben 62, geen puber die zich verstopt voor een lastig berichtje. Maar als ik de naam van Karin op mijn scherm zie, voel ik tegenwoordig soms eerst een soort druk op mijn borst voordat ik opneem. Niet omdat ik niet van haar houd. Juist omdat ik zo veel van haar gehouden heb, denk ik.
Karin en Henk kennen mijn man Rob en mij sinds 1984. We woonden toen allebei in Utrecht, in van die smalle huurwoningen waar je de buren kon horen douchen. Rob werkte bij de gemeente, Henk zat in het onderwijs, en Karin en ik hadden allebei kleine kinderen en te weinig slaap. We aten op zaterdag bij elkaar, eerst met pannen macaroni en later met wijn die we ons eigenlijk niet konden veroorloven.
Toen de kinderen groter waren, zijn we gaan reizen. Niet de hele wereld rond of zo, maar stedentrips, een huisje in Frankrijk, een paar keer Italië. Met z’n vieren eindeloos tafelen. Henk die altijd te veel bestelde omdat hij bang was dat er anders niet genoeg was. Karin die overal een marktje wist te vinden. Rob en ik zijn met hen door regen in Praag gelopen, hebben ruzie gehad over routekaarten in de Ardèche en op nieuwjaarsdag met brak hoofd erwtensoep gegeten bij ons aan tafel.
Het was nooit trekken of duwen. Als iemand een keer geen zin had, was dat ook goed. Dat was misschien wel waarom het zo lang goed ging.
Vier jaar geleden kreeg Karin de diagnose Parkinson. Ze is nog niet heel slecht, al vindt zij zelf van wel op sommige dagen. Ze loopt stijver, haar hand trilt geregeld en ze is sneller moe. Henk is daarnaast al jaren benauwd door zijn longen. Ze redden het thuis, met hulp hier en daar, maar hun wereld is kleiner geworden. Dat zie ik. En ik vind dat verschrikkelijk.
In het begin deden we gewoon wat meer moeite. We kwamen vaker bij hen eten, zodat Karin niet hoefde te koken. We gingen naar restaurants waar je goed kon parkeren en waar geen eindeloze trap naar het toilet was. Rob installeerde een paar dingen op Henks iPad, omdat Henk bij elke update totaal de weg kwijt is. Allemaal geen probleem.
Maar ongemerkt werden het vaste verwachtingen.
Als ik op woensdagmiddag met mijn zus naar Amersfoort ging, kreeg ik soms een appje van Karin: ‘Jammer dat jullie vandaag niet even langs kunnen komen, ik heb zo’n rotdag.’ Of: ‘Henk zit de hele middag stil voor zich uit.’ Daar hoefde ik niet eens iets op te zeggen, maar ik deed het natuurlijk wel. Vervolgens belde ik, en dan zat ik soms drie kwartier met de telefoon op schoot terwijl Karin vooral zuchtte en Henk op de achtergrond de televisie harder zette.
Als we met andere mensen afspraken, wilden ze weten met wie. Niet op een controlerende manier, al voelde het soms wel zo. Meer alsof ze gekwetst waren dat wij nog een leven hadden waar zij niet in mee konden.
Rob zag dat anders dan ik. Hij zei meestal: ‘Ze hebben ons nodig, Els.’
En daar kon ik dan weinig tegenin brengen, want ja, ze hadden ons nodig. Alleen: hoeveel is nodig? En wanneer wordt het zo veel dat je zelf niet meer weet waar je eigen weekend gebleven is?
Vorige zomer wilden Rob en ik eindelijk weer eens een paar dagen fietsen in Limburg. Niet eens een verre reis. We hadden een klein hotelletje in Gulpen geboekt. Karin hoorde het en zei meteen dat zij en Henk misschien ook wel mee konden, als we een aangepaste kamer namen en de fietsen in hun tempo deden. Henk kon dan met de auto naar de plekken waar wij naartoe fietsten.
Rob keek me aan alsof dat eigenlijk best gezellig klonk.
Ik zei dat we deze keer gewoon met z’n tweeën wilden gaan. Ik zei het voorzichtig, te voorzichtig waarschijnlijk. Karin was daarna stil. Niet boos op dat moment. Ze zei alleen: ‘Natuurlijk, jullie mogen ook wel eens iets alleen doen.’
Maar daarna belde ze twee weken nauwelijks terug. En toen ze wel opnam, zei ze dat ze zich realiseerde dat vriendschappen blijkbaar veranderen zodra mensen ziek worden.
Daar heb ik lang last van gehad. Ik voelde me een egoïstisch mens om vier dagen met mijn eigen man weg te willen.
Deze winter kwam het voorstel voor een vakantie. Henk had een vakantiepark gevonden in Drenthe, een aangepaste bungalow. Hij zei dat er een ziekenhuis in Assen in de buurt zat, alsof we daar allemaal beter van zouden worden. Karin wilde graag een week weg voordat ze ‘echt niet meer kon’. Ze had al gekeken naar een zorgwinkel voor een scootmobiel die op locatie geleverd kon worden. Of wij de boodschappen konden meenemen, vroeg ze, want Rob wist zo goed wat Henk lekker vond.
Ze zei ook dat het fijn zou zijn als ik ’s avonds bij haar kon zitten als Henk vroeg naar bed moest. Dan hoefde ze niet alleen in de woonkamer te zitten.
Ik zat aan onze eettafel met die telefoon op luidspreker. De aardappels stonden al droog te koken. Rob knikte tussendoor naar de telefoon en zei: ‘Ja, dat regelen we wel.’
Ik weet nog dat ik naar die pan keek en dacht: ik wil dit helemaal niet.
Niet Drenthe. Niet een week lang schema’s maken rond medicatie, rustmomenten en de vraag of Karin zich niet buitengesloten voelt. Niet doen alsof het een gezamenlijke vakantie is terwijl ik van tevoren al weet dat ik iedere zin ga afwegen.
Toen Karin vroeg of we die week vrij konden houden, zei ik: ‘Ik denk niet dat ik mee wil.’
Er viel een stilte die veel langer duurde dan hij waarschijnlijk was.
Henk nam de telefoon over. Hij vroeg of er iets was. Ik zei dat er niets was, wat natuurlijk onzin was. Daarna zei ik dat ik hen graag zie en best een keer een lang weekend met hen weg wil, maar niet op deze manier en niet een hele week. Dat ik merk dat ik soms moe ben van altijd beschikbaar zijn.
Karin begon te huilen. Niet hard. Juist dat ingehouden huilen waar je je meteen schuldig van voelt.
Ze zei: ‘Dus wij zijn te veel geworden.’
Ik wilde zeggen dat zij niet te veel wáren, maar dat de situatie te veel werd. Alleen klinkt dat waarschijnlijk hetzelfde als je degene bent die ziek is.
Rob zei na het gesprek bijna niets. Later, in bed, zei hij dat hij zich schaamde. Niet voor mij precies, maar voor ons. Hij vond dat we hen lieten vallen op het moment dat hun leven moeilijker werd. Ik werd boos en zei dat hij makkelijk kon praten, omdat hij na een avond bij hen thuis nog energie had en ik de volgende dag nergens zin in had. Dat was ook niet helemaal eerlijk. Rob mist Henk oprecht. Hij heeft niet veel vrienden, eigenlijk alleen Henk en een oude collega die hij twee keer per jaar ziet.
De vakantie gaat nu niet door. Tenminste, niet met ons. Karin stuurde vorige week een bericht dat ze het wel begreep, maar dat ze afstand nodig had. Daaronder stond een hartje. Dat maakte het erger dan wanneer ze boos was geweest.
Rob gaat binnenkort alleen bij Henk koffie drinken. Hij vroeg of ik mee wilde, maar ik zei nee. Daarna heb ik me de hele ochtend naar gevoeld.
Vanmiddag ga ik met mijn zus lunchen. Ik heb mijn telefoon wel bij me, want zo ver ben ik blijkbaar nog niet. Maar ik heb het geluid uitgezet. Misschien bel ik Karin vanavond. Misschien morgen.
Ik weet alleen dat ik niet meer automatisch wil rennen zodra zij zich alleen voelen. En dat voelt nog steeds niet als opluchting. Eerder als iets wat ik opnieuw moet leren, na bijna veertig jaar samen optrekken.