Mijn vriend weet niet meer dat wij zijn vakantie in Frankrijk zouden moeten betalen

Vorige week haalde ik de map met Franse vakanties uit de kast omdat ik dacht dat we eindelijk weer eens naar de Ardèche zouden gaan kijken. Mijn vrouw Els zei nog: “Niet doen, dan krijg je weer zin in dat huis.”

Dat huis is een oude mas met een scheef zwembad en een buitenkeuken waar de gaspit het alleen doet als je hem eerst een paar keer boos toespreekt. Niet luxe-luxe, maar wel groot genoeg voor ons allemaal. Acht slaapkamers, een lange tafel onder een plataan, de bakker op tien minuten rijden. Sinds 1992 gaan we er, met een paar onderbrekingen toen de kinderen klein waren of iemand ziek was.

Wij zijn nu met z’n zessen over, drie stellen. Vroeger waren we met vier. Kees en Marijke, Paul en Anja, Els en ik, en Henk en Ria. Kees overleed jaren geleden aan een hartstilstand en daarna hield het voor Marijke op. Maar verder bleef het eigenlijk opvallend hetzelfde. De vaste kamers, Paul die op de eerste dag al vergeet waar hij zijn zwembroek heeft gelegd, Anja die te veel boodschappen doet, ik die elk jaar beloof minder wijn mee te nemen en dat niet doe.

Henk is al sinds de havo mijn vriend. We woonden in dezelfde straat in Amersfoort, voetbalden bij dezelfde club en zijn later, toevallig genoeg, allebei in het onderwijs terechtgekomen. Hij gaf natuurkunde op een middelbare school. Henk kon alles uitleggen met een luciferdoosje, een fietspomp of een leeg glas bier. Zelfs als je niets van natuurkunde moest hebben, luisterde je naar hem.

Sinds anderhalf jaar is dat anders.

Eerst waren het kleine dingen. Hij vertelde hetzelfde verhaal twee keer op een verjaardag. Daarna drie keer. Hij belde mij eens om te vragen hoe laat we zouden vertrekken naar een etentje waar we al een week eerder waren geweest. Hij werd ook sneller kwaad. Niet gemeen, eerder gekrenkt, alsof iedereen hem expres buiten de grap hield.

Vorig najaar heeft Ria ons verteld dat er onderzoek liep in het ziekenhuis. Ze zei het op haar eigen manier: koffie inschenken, niet gaan zitten, ondertussen over de planten praten. Uiteindelijk zei ze: “Ze denken aan Alzheimer. Nog in een beginfase, zeggen ze.”

Ik weet nog dat Els haar hand pakte. Ik deed niets. Ik keek naar een natte kring op de eettafel en dacht heel kinderachtig: nee, Henk niet. Hij was altijd degene die wist wat er moest gebeuren.

De diagnose is er inmiddels. Beginnende Alzheimer. Ria probeert het zo gewoon mogelijk te houden. Dat begrijp ik. Natuurlijk begrijp ik dat. Ze gaan nog fietsen, Henk rommelt in de tuin, en als je hem een uur spreekt over oude wedstrijden van Ajax of over de brug bij Millau, denk je soms: misschien valt het mee.

Maar het valt niet mee.

Twee weken geleden kwam Ria bij ons langs. Zonder Henk. Ze had gezegd dat ze naar de mondhygiënist moest, vertelde ze, en ze keek daar beschaamd bij alsof ze iets ergs had gedaan.

Ze had de offerte van het huis bij zich. Dit jaar zou het, inclusief schoonmaak en toeristenbelasting, iets meer dan drieduizend euro per stel kosten. Daar komen de tol, benzine en boodschappen nog bij. We hebben het geld niet slecht, Els en ik. Ik ben met pensioen, zij werkt nog twee dagen in de week bij de bibliotheek. Maar we passen wel op. Onze badkamer moet eigenlijk gedaan worden en we willen volgend voorjaar met onze dochter en kleindochter een weekend weg.

Ria legde haar hand plat op het papier.

“Het lukt ons niet,” zei ze.

Ik dacht eerst dat ze bedoelde dat Henk niet mee kon. Daar schrok ik al van, maar ergens verwachtte ik dat gesprek natuurlijk.

Toen zei ze: “Zouden jullie misschien zijn deel kunnen opvangen? Niet voor altijd. Alleen nu. Misschien kunnen Paul en Anja ook iets doen. Henk moet gewoon denken dat hij meegaat zoals altijd.”

Els vroeg meteen hoeveel Ria zelf nog kon betalen. Niet hard, maar wel direct. Ria zei dat ze haar eigen deel misschien kon regelen als ze wat geld van hun spaarrekening haalde. Het probleem was Henk zijn deel. Ze wilde niet dat hij doorhad dat ze niet meer uitkwamen.

“Hij begrijpt geld niet meer zoals vroeger,” zei ze. “Als ik zeg dat we niet gaan omdat het te duur is, hoort hij alleen dat híj te duur is. En dat kan ik hem niet aandoen.”

Dat kwam binnen. Echt. Ik zag Henk ineens voor me, met zijn veel te grote zonnebril op, die bij de Intermarché staat te mopperen dat een stokbrood vroeger geen euro twintig kostte. Ik wil ook niet dat hij zich klein voelt.

Maar ik hoorde mezelf toch zeggen dat we daar even over moesten nadenken.

Ria knikte, maar ze keek alsof ik haar al had afgewezen.

Die avond hebben Els en ik lang aan tafel gezeten. Onze vaatwasser stond te piepen omdat hij klaar was, maar geen van ons stond op. Els zei dat we Henk niet in de steek konden laten. Ik zei dat dat niet hetzelfde was als drieduizend euro betalen om te doen alsof alles nog normaal was.

“Het is niet alleen geld,” zei Els.

“Nee,” zei ik. “Dat is juist het probleem.”

Want als we ja zouden zeggen, betaalden we niet alleen een vakantie. Dan werden wij ineens de mensen die wisten dat Henk niet meer mee kon komen, terwijl hij zelf aan tafel zat. En Ria wilde dat we dat geheim mee zouden dragen. Misschien is dat onvermijdelijk bij dementie, ik weet het niet. Er gebeuren vast vaker dingen buiten iemand om. Maar dit voelde groot. En ook ongemakkelijk scheef.

De volgende dag belde Paul mij. Ria had hem blijkbaar ook gesproken. Hij was woedend, al zei hij zelf dat hij “praktisch” was. Anja vond dat we een kleiner huis moesten zoeken, of een week korter moesten gaan. Paul zei dat Henk dan zou merken dat het anders was en dat Ria daar nooit mee akkoord ging.

Dat bleek ook zo te zijn.

Ria wil precies dit huis. Dezelfde slaapkamers, dezelfde markt in Ruoms, dezelfde route langs Lyon. Ze zei aan de telefoon dat routine belangrijk is voor Henk. Dat zal best waar zijn. Alleen klonk het op een gegeven moment alsof die routine alleen mocht blijven bestaan als de rest van ons ervoor betaalde en nergens vragen over stelde.

Ik schaam me ervoor dat ik daar boos van werd. Ria draagt waarschijnlijk elke dag iets wat ik niet eens zie. Henk is soms haar man nog wel en soms niet. Wie ben ik dan om over een vakantiewoning te beginnen?

Maar ik ben ook niet bereid om onze eigen plannen weg te strepen zonder dat er überhaupt gekeken wordt naar andere mogelijkheden. Een goedkoper huis. Niet met z’n allen. Een paar dagen in plaats van twee weken. Misschien gewoon een vakantie voor Ria en Henk samen, met hulp van haar zus of de kinderen.

Gisteren hebben we met z’n zessen afgesproken bij Paul en Anja. Henk was er niet bij. Ria zei dat hij dacht dat zij bij de vrouwen van de tennisvereniging ging kaarten. Ze kaarten niet.

Het gesprek liep stroef. Ria huilde één keer, heel stil, en daarna werd ze juist zakelijk. Ze zei dat ze niet om medelijden vroeg, alleen om trouw. Paul bood aan om een beperkt bedrag bij te leggen. Els ook. Ik heb uiteindelijk gezegd dat ik mee wil denken en dat we best iets kunnen bijdragen, maar niet de hele rekening en niet onder de voorwaarde dat alles exact hetzelfde moet blijven.

Ria zei: “Dan snappen jullie niet wat ik probeer te redden.”

Misschien heeft ze gelijk. Misschien probeer ik vooral mezelf te redden van het moment waarop ik moet toegeven dat onze vakanties zoals ze waren voorbij zijn.

We hebben nog niets geboekt. De eigenaar van het huis wil eind deze week weten waar hij aan toe is. Vanmiddag stuurde Henk mij een foto van een oude fles rosé die hij ergens in de schuur had gevonden. Er stond alleen bij: “Deze meenemen naar Frankrijk?”

Ik heb een duimpje teruggestuurd. Daarna heb ik mijn telefoon op tafel gelegd en ben ik de badkamer gaan opmeten, alsof dat ineens haast had.