Sinds de diagnose van Kees voelt onze vriendschap met Marjan niet meer als vriendschap, maar als een zorgrooster

Ik heb de sleutel van het huis van Marjan en Kees inmiddels aan mijn eigen sleutelbos hangen. Hij zit tussen de schuur- en fietssleutel, met zo’n blauw plastic dopje eromheen. Soms voel ik hem in mijn jaszak en dan weet ik al dat ik die dag waarschijnlijk niet rustig een rondje ga wandelen, ook al was dat wel het plan.

Mijn man Henk en ik kennen hen sinds 1987. We woonden toen allebei in een nieuwbouwwijk in Amersfoort, met jonge kinderen, een nog kaal tuintje en te weinig geld voor fatsoenlijke tuinmeubels. Kees en Henk gingen samen voetballen op zondag, Marjan en ik zaten bij hetzelfde koor. Later kwamen de kampeerweekenden, de wandelvakanties in Duitsland, de vaste oliebollen op nieuwjaarsdag. Niet omdat we dat moesten, maar omdat het zo gegroeid was.

We waren altijd gelijk. Soms betaalden zij de camping, soms wij. Marjan kon verschrikkelijk drammen als we te laat wilden vertrekken, Kees vergat altijd wel iets: zijn leesbril, de haringen, een slipper. Daar maakten we grappen over. Het waren van die dingen die je alleen grappig vindt als je elkaar heel lang kent.

Vorig voorjaar belde Marjan me vanaf de parkeerplaats bij de Albert Heijn. Ze stond daar te huilen omdat Kees niet meer wist waar ze geparkeerd hadden. Hij was met de auto naar de winkel gereden, terwijl hij die auto daar helemaal niet had neergezet. Hij bleef maar zeggen dat zij hem gek maakte.

Een paar maanden daarna kwam de diagnose. Beginnende Alzheimer. Ik weet nog dat ik dacht: beginnend, dat woord klinkt bijna onschuldig. Alsof het nog even bij een begin blijft.

In het begin deden we gewoon wat vrienden doen. Henk hielp Kees met een kapotte kraan. Ik ging met Marjan mee naar een gesprek bij de huisarts, omdat zij bang was dat ze alles verkeerd zou onthouden. We namen Kees een paar keer mee op een rustig fietstochtje. Hij reed toen nog prima mee, al moesten we niet ineens een andere route nemen.

Maar het werd sneller meer dan ik had verwacht.

Marjan belde steeds vaker. Niet eens altijd met paniek. Soms was het: of ik even kon komen, want Kees wilde zijn medicijnen niet nemen. Of ik mee wilde kijken naar een brief van de bank. Of Henk misschien de container buiten kon zetten, want Kees had die de straat op gereden op dinsdag en daarna boos gedaan toen Marjan hem terug wilde halen.

Ik zei bijna altijd ja. Henk ook. Je zegt niet tegen iemand die je al bijna veertig jaar kent: sorry, vandaag liever niet, wij gaan naar de Intratuin.

Alleen gingen wij op een gegeven moment nergens meer zomaar heen. Als we een middag weg wilden, zette ik mijn telefoon op geluid. Na twintig minuten keek ik toch. Dan stonden er drie gemiste oproepen van Marjan. Soms bleek er niets acuut. Kees had de afstandsbediening verstopt. Kees wilde naar zijn oude werk bellen, hoewel hij al twaalf jaar met pensioen was. Kees had gezegd dat er vreemde mannen in de tuin stonden, terwijl het de buren waren die een schutting aan het plaatsen waren.

Marjan klonk dan zo moe dat ik me schuldig voelde zodra ik aan mezelf dacht.

Henk begon er eerder over dan ik. Hij is normaal niet iemand die snel klaagt. Hij zei op een avond, terwijl hij aardappels stond af te gieten: “We zijn geen hulpdienst, Lies.”

Ik werd meteen boos. Niet omdat hij ongelijk had, denk ik. Maar omdat ik het niet kon verdragen dat iemand het zo hardop zei.

“Wat moeten we dan? Zeggen dat ze het maar uitzoekt?”

Dat had hij niet gezegd. Hij zette de pan neer en zei alleen: “Nee. Maar we moeten wel iets anders bedenken.”

Het moeilijke was dat Marjan zelf bijna nergens hulp voor wilde vragen. Ze had contact met de casemanager dementie, dat wel, maar ze vond iedereen die via de Wmo kwam ‘van die wisselende gezichten’. Dagbesteding wilde Kees niet. Huishoudelijke hulp vond ze onzin, omdat ze het huis zelf nog kon schoonmaken. Alleen kon ze het niet meer. Dat zag je als je binnenkwam. Niet omdat het vies was, maar omdat alles half bleef liggen. Een natte dweil in de gang, post op de eettafel, een pan die al uren op het fornuis stond zonder vuur eronder.

En eerlijk is eerlijk: wij maakten het haar ook makkelijk om professionele hulp uit te stellen. Als Henk toch de lamp kon vervangen, waarom iemand regelen? Als ik toch de administratie kon doornemen, waarom een afspraak maken met een ouderenadviseur?

De breuk, als je het zo mag noemen, kwam door een zaterdag in augustus. We zouden eindelijk een nachtje naar Zwolle gaan. Gewoon een hotelletje, museum, ’s avonds eten. Dat hadden we Henk zijn hele pensioenperiode al gezegd en steeds uitgesteld.

Toen belde Marjan om half negen ’s ochtends. Kees was verdwenen.

Ik voelde mijn maag meteen samentrekken. Henk sprong in de auto en ik bleef bij Marjan. We hebben de politie gebeld. Na ruim een uur vonden twee agenten hem bij de bibliotheek, drie kilometer verderop. Hij wilde volgens hen ‘naar huis’, maar hij kon niet uitleggen welk huis.

Natuurlijk gingen wij niet naar Zwolle. Dat stond niet eens ter discussie. Die avond zat Kees op de bank met een dekentje over zijn knieën, alsof er niets gebeurd was. Marjan zei steeds: “Zie je nou wel dat ik jullie nodig heb?”

Ik snapte wat ze bedoelde. Maar er ging iets in mij dicht.

Een week later zijn Henk en ik bij haar gaan zitten. Ik had van tevoren zinnen in mijn hoofd gemaakt, heel voorzichtig. Dat we van hen hielden. Dat we wilden blijven helpen. Dat dit niet meer veilig was voor haar alleen. Dat de casemanager misschien kon helpen met meer ondersteuning, met dagopvang of iemand die meekeek naar de mogelijkheden.

Marjan hoorde eigenlijk alleen het laatste deel.

“Dus jullie vinden dat ik hem moet wegstoppen?” zei ze.

“Dat zeggen we niet.”

“Jullie zijn gewoon klaar met ons.”

Henk zei dat we niet elke dag beschikbaar konden zijn. Dat hij zelf last van zijn knie had en dat ik slecht sliep omdat ik voortdurend bang was dat de telefoon ging. Daar had ik hem nog niet eerder zo eerlijk over gehoord.

Marjan keek hem aan alsof hij iemand anders was geworden. “Als Kees jullie nodig heeft, dan komen jullie toch? Na alles wat we samen hebben meegemaakt?”

Ik wilde zeggen dat vriendschap niet hetzelfde is als altijd klaarstaan, dat wij ook ouder worden, dat onze kinderen heus wel eens vragen waarom we nooit meer op zondag langskomen. Maar het kwam er allemaal lelijk uit.

Ik zei: “Marjan, wij kunnen dit niet dragen alsof we familie zijn die bij jullie in huis woont.”

Ze werd heel stil. Dat was erger dan wanneer ze had geschreeuwd.

Sindsdien is het ongemakkelijk. We helpen nog steeds, maar minder vanzelfsprekend. Henk heeft samen met de casemanager een lijst gemaakt met nummers voor Marjan. Er komt nu twee middagen per week iemand bij Kees thuis en hij gaat één ochtend naar dagbesteding. Marjan vindt het vreselijk en zegt bij bijna ieder gesprek dat Kees daar niet thuishoort.

Vorige week belde ze omdat de wasmachine lekte. Ik zat net bij de kapper. Vroeger was ik opgestaan, met nat haar de straat op gegaan en had ik Henk gebeld. Nu nam ik op en zei ik dat ze eerst de verhuurder moest bellen, omdat het waarschijnlijk aan de aansluiting lag. Ze zuchtte heel lang.

“Jullie zijn veranderd,” zei ze.

Misschien is dat zo. Of misschien zijn we pas laat gaan toegeven dat we niet alles kunnen oplossen.

Vanmiddag ga ik alsnog bij haar koffie drinken. Ik heb er geen zin in en ik wil ook niet niet gaan. Henk zegt dat ik niet hoef, maar hij begrijpt dat dit niet zo simpel voelt. Ik neem een pak stroopwafels mee, alsof dat ergens bij helpt. De sleutel zit nog steeds aan mijn bos.