Na veertig jaar voelde een bord eten ineens als een keuze tussen mijn vrouw en onze vrienden
Ik heb jarenlang gedacht dat onze maandelijkse etentjes vanzelfsprekend waren. Alsof je daar niet over hoefde na te denken. De eerste zaterdag van de maand, om en om bij elkaar, ergens tussen zes en half zeven aanbellen met een fles wijn onder je arm. Eerst koffie met iets erbij, dan te lang borrelen in de keuken en pas om negen uur aan tafel. We noemden onszelf voor de grap de zaterdagclub, hoewel we allang niet meer precies wisten wie die naam ooit had bedacht.
We zijn met vier stellen. Sinds 1984, toen we allemaal nog net geen dertig waren en in dezelfde nieuwbouwwijk in Amersfoort terechtkwamen. Kinderen gekregen, banen gewisseld, ouders begraven, een scheiding van één van de kinderen meegemaakt, prostaatgedoe, een borstoperatie bij Els. Alles kwam wel eens langs aan tafel. Niet altijd mooi, maar wel echt.
Mijn vrouw Marijke is vorig jaar volledig veganistisch gaan eten. Niet van de ene op de andere dag. Eerst minder vlees, toen geen kaas meer, en uiteindelijk ook geen eieren. Ze had documentaires gezien, veel gelezen, en ze zei op een avond dat ze niet meer kon doen alsof ze niet wist hoe dieren gehouden werden. Ik ben er zelf niet zo diep ingedoken als zij, maar ik ben grotendeels mee gaan eten thuis. Ik maak nog wel eens een uitsmijter als zij naar haar yogales is, als ik eerlijk ben.
Bij de zaterdagclub vroeg Marijke niet of iedereen vegan moest koken. Dat wordt achteraf soms vergeten in de verhalen. Ze vroeg alleen of er voortaan iets stond dat niet bestond uit een aardappel en een schaaltje sperziebonen zonder boter. Iets waar ook een beetje aandacht in zat.
De eerste keer ging dat prima. Kees en Ria maakten een ovenschotel met gehakt en daarnaast een salade met couscous. Marijke at daarvan, al viste ze de feta er een beetje ongemakkelijk uit. Iedereen deed luchtig. Kees zei dat hij zich bijna schuldig voelde bij zijn slavink. Marijke lachte, maar ik zag dat ze haar lippen op elkaar hield.
Daarna werd het stroever. Bij Henk en Anja was er hutspot met rookworst. Voor Marijke lag er een bakje hutspot apart, maar daar bleek bouillon doorheen te zitten. Anja schrok daar oprecht van en zei: “Ach ja, ik denk daar gewoon niet aan, joh.” Marijke zei dat ze dat begreep. De rest van de avond was ze stil.
In de auto naar huis zei ze: “Ze verwachten dat ik dankbaar ben voor eten dat ik niet kan eten. Dat is toch raar?”
Ik zei iets wat ik beter niet had kunnen zeggen. Dat Anja haar best had gedaan en dat het niet expres was.
“Nee,” zei Marijke. “Maar jij zegt dus eigenlijk ook dat ik niet moeilijk moet doen.”
Dat bedoelde ik niet. Of misschien bedoelde ik het voor een deel wel, omdat ik bang was voor precies dit. Gedoe in een groep waarin we juist altijd zonder gedoe waren geweest. Ik haatte mezelf daar meteen een beetje om.
De discussie kwam pas echt los toen we in onze groepsapp afspraken maakten voor het kerstdiner. Saskia stuurde een foto van een recept voor stoofperen met rodekool en hertenstoof. Marijke reageerde alleen met: “Ziet er mooi uit. Is er voor mij ook een plantaardig hoofdgerecht, denken jullie? Dan neem ik graag iets lekkers mee voor iedereen als bijdrage.”
Toen kwam er een bericht van Ria dat veel langer was dan Ria normaal schrijft. Ze vond het lastig, schreef ze, maar de avonden werden volgens haar wel erg ingewikkeld. Iedereen heeft tegenwoordig iets: gluten, geen alcohol, koolhydraten tellen, dit wel en dat niet. Ze miste de tijd dat je gewoon at wat er op tafel kwam. Als Marijke haar eigen gerecht meenam, was dat volgens haar toch het makkelijkst.
Ik las dat bericht drie keer. Niet omdat het grof was. Juist omdat het beleefd genoeg was om niet meteen kwaad op te kunnen worden.
Marijke zette haar telefoon op tafel en liep naar boven. Ik hoorde laden dichtgaan, wat bij haar meestal betekent dat ze probeert niet te huilen.
Later zei ze: “Ik wil geen Tupperware-mevrouw worden bij mijn eigen vrienden. Begrijp je dat nou echt niet?”
Dat begreep ik wel. Een eigen bakje meenemen klinkt praktisch, maar het zegt ook: voor jou doen we niet mee aan de tafel. Jij zit erbij, maar een beetje apart.
Tegelijkertijd wist ik wat er bij de anderen speelde. Kees had me een week later gebeld. Hij zei dat hij Marijke heus niets misgunde, maar dat hij het gevoel had dat elk etentje voortaan een discussie over vlees zou worden. “We zijn geen slechte mensen omdat we draadjesvlees eten, Rob.” Hij klonk gekwetst, en ook verdedigend. Misschien had Marijke inderdaad soms te scherp gereageerd. Ze had eens gezegd dat een schaal bitterballen haar “verdrietig” maakte. Dat viel bij Kees verkeerd, logisch eigenlijk.
In januari boekten we normaal gesproken ons jaarlijkse weekend weg. Meestal een hotel in de Achterhoek of Limburg, met wandelen als het droog was en veel te lang ontbijten. Dit jaar kwam Henk met Hotel De Gouden Leeuw in de Veluwe. Drie gangen, wildarrangement, wijnproeverij erbij. Hij stuurde de link zonder verdere toelichting in de app.
Marijke zag meteen dat er bij het diner alleen een vegetarische optie werd genoemd. Niet veganistisch.
Ze vroeg in de groep: “Willen jullie eerst even checken of ze voor mij iets plantaardigs kunnen maken? Anders voelt het eerlijk gezegd alsof ik niet ben meegenomen in de keuze.”
Er bleef urenlang niets komen. Dat was misschien nog het naarste. We zaten thuis op zondagmiddag. Ik was de krant aan het lezen, al had ik dezelfde alinea vijf keer gelezen. Marijke zat met haar breiwerk op de bank en deed niets.
Uiteindelijk reageerde Henk: “Het is een hotel, Marijke. Die zullen best iets kunnen regelen als je het aangeeft. Maar we gaan nu toch niet een heel weekend laten afhangen van één dieet?”
Daarna ging het hard. Marijke schreef dat het geen dieet was. Saskia schreef dat zij zich onder druk gezet voelde. Ria zei dat niemand Marijke uitsloot, maar dat zij zelf overal een principe van maakte. Marijke verliet de groepsapp.
Ik bleef erin staan. Dat was laf, volgens haar. Misschien had ze gelijk.
De dagen daarna vroeg ik of ze toch mee wilde. Ik zei dat ik het hotel zou bellen, dat ik desnoods ergens anders met haar zou eten. Terwijl ik dat zei, hoorde ik zelf hoe treurig het klonk. Samen een weekend met vrienden weg en dan apart gaan dineren omdat de rest aan wild zwijn zit.
Marijke keek me aan en vroeg: “Ga jij wel?”
Ik heb niet meteen antwoord gegeven. Dat was antwoord genoeg.
Het weekend is over drie weken. Henk heeft gisteren in de app gevraagd wie er een kamer met bad wil, omdat er twee vrij zijn gekomen. Ik heb nog niets teruggestuurd. Marijke zoekt ondertussen naar een klein huisje op Texel voor diezelfde dagen. Alleen wij tweeën, zei ze. Alsof dat eenvoudig is.
Vanavond eten we stamppot boerenkool. Ik had vegetarische rookworst gehaald, maar die blijkt melkpoeder te bevatten. Marijke zei niets toen ze het zag. Ze sneed gewoon wat extra champignons en zette een pannetje linzen op. Ik stond ernaast met die verpakking in mijn hand en wist niet goed of ik me schuldig moest voelen, boos, of vooral ontzettend moe.