Na veertig jaar vriendschap durfde ik tegen mijn beste vrienden te zeggen dat ik niet steeds meer kon komen
De laatste keer dat Henk me belde, stond ik met mijn jas al aan in de gang. Anja en ik zouden naar Zwolle, een nachtje weg. Geen verre reis, gewoon een hotelletje dat zij had gevonden met een aanbieding. We hadden onze koffers de avond ervoor ingepakt. Ik had zelfs voor het eerst in maanden geen lijstje gemaakt van dingen die nog moesten.
Henk zei niet eens hallo. Hij zei: „Karel, ik trek het vandaag niet. Marijke ligt nog in bed. Kun jij even komen?”
Ik keek naar Anja. Ze hoorde alleen mijn kant van het gesprek, maar ze wist genoeg. Ze pakte haar tas niet op. Ze ging aan de keukentafel zitten en streek met haar hand over het tafelkleed, alsof daar iets heel interessants op lag.
Veertig jaar geleden waren Henk, Marijke, Anja en ik bijna elk weekend samen. We woonden toen allebei in een rijtjeshuis in Amersfoort, drie straten van elkaar af. Onze kinderen zaten ongeveer tegelijk op de basisschool. We hadden een opblaaszwembadje in de tuin, waar altijd te veel kinderen in zaten en te weinig water in stond. Henk maakte de barbecue aan, ook als het regende. Marijke nam standaard een schaal huzarensalade mee, met veel te veel augurk, vond ik.
We gingen jaren met elkaar kamperen in Frankrijk. Later, toen we allemaal wat meer verdienden, huurden we huisjes. We hebben samen begrafenissen meegemaakt, ontslagen, een miskraam van Marijke waar eigenlijk nooit goed over gesproken is. Toen Anja borstkanker kreeg, waren Henk en Marijke er. Henk reed me naar het ziekenhuis toen ik zelf te gespannen was om fatsoenlijk te rijden. Marijke kookte voor ons, wekenlang. Niet geweldig, maar wel trouw. Dat vergeet je niet.
Daar zit misschien ook het probleem. Je vergeet niet wat mensen voor je hebben gedaan, dus op een gegeven moment voelt elke grens als verraad.
Henk is twee jaar ouder dan ik. Hij heeft COPD en loopt steeds slechter. Marijke heeft al langer last van depressies, maar sinds ze met pensioen is, lijkt haar wereld kleiner en donkerder geworden. Eerst belde ze Anja af en toe omdat ze zich somber voelde. Daar is op zichzelf niets verkeerds aan. Anja kan goed luisteren, misschien té goed.
Daarna werden het berichten om zeven uur ’s ochtends. Of ’s avonds laat, als Henk al in bed lag en Marijke bang was dat hij die nacht zou stikken. Soms wilde ze alleen horen dat Anja er was. Soms vroeg ze of we boodschappen konden meenemen, omdat Henk benauwd was en zij „toch nergens toe in staat” was.
We begonnen op donderdag bij hen koffie te drinken. Dat was oorspronkelijk gezellig bedoeld. Maar het werd al snel een soort spreekuur. Henk wilde zijn medicijnen doornemen. Marijke wilde vertellen wat de huisarts volgens haar niet begreep. Vervolgens kwamen de rekeningen op tafel, de kapotte afzuigkap, een brief van de zorgverzekeraar die ze niet durfden open te maken.
Ik ben geen hulpverlener. Ik heb mijn hele leven bij de gemeente op de technische dienst gewerkt. Toch zat ik op een gegeven moment hun DigiD-problemen op te lossen en te bellen over een afspraak bij de longverpleegkundige. Als ik zei dat ze misschien de praktijkondersteuner konden bellen, werd Henk stil. Dan zei hij: „Ja, maar jij snapt ons gewoon.”
Dat klinkt aardig. Maar op den duur voelde het als een hand om je pols.
Anja en ik hadden ons pensioen anders voorgesteld. Niet spectaculair. Een paar keer per jaar weg met de camper die we uiteindelijk toch gekocht hebben. Meer fietsen. Minder afspraken. Gewoon eens op een dinsdagmiddag niets hoeven. Onze eigen kinderen wonen niet om de hoek en we wilden makkelijker naar hen toe kunnen, zonder eerst te bedenken wie er dan bij Henk en Marijke langs moest.
Ik schaam me bijna om dat op te schrijven. Alsof rust een luxe is die je niet mag willen als iemand anders ongelukkig is.
Vorige winter liep het echt vast. We zouden met de camper vier dagen naar Limburg. De avond ervoor belde Marijke dat ze niet alleen durfde te zijn, omdat Henk zo hoestte. Hij had die week de huisarts gesproken en er was volgens mij niets acuut. Maar Marijke huilde zo hard dat Anja na het gesprek meteen zei: „We kunnen niet weg.”
Ik zei dat we wel weg konden. Veel harder dan ik van plan was.
We kregen ruzie. Niet schreeuwen, zo zijn wij niet. Juist erger misschien. Anja ging in de slaapkamer slapen en ik zat beneden op de bank, met de camper voor de deur en een tas mandarijnen die ik voor onderweg had gekocht.
De volgende ochtend zijn we niet gegaan. Ik reed naar Henk en Marijke om hun verwarming bij te vullen, want die gaf een storing. Henk lag op de bank. Marijke zat in haar badjas aan tafel. Ze waren allebei blij dat ik er was. Op dat moment voelde ik me een verschrikkelijk mens omdat ik überhaupt had gedacht aan Limburg.
Maar toen ik thuiskwam, zei Anja: „Ik word ook bang als de telefoon gaat.”
Daar kon ik niets tegenin brengen. Ik voelde hetzelfde. Als ik Henk zag bellen, dacht ik niet meer: mijn vriend belt. Ik dacht: wat is er nu weer, hoe lang duurt het, kunnen we nog naar de supermarkt, moet ik ergens heen?
Een maand later hebben we met hen afgesproken dat we niet meer op elke spontane hulpvraag zouden inspringen. Anja had het netjes opgeschreven, omdat ze anders dichtklapt als Marijke begint te huilen. We wilden nog steeds een vaste middag komen. We wilden helpen als er echt iets aan de hand was. Maar geen dagelijkse telefoontjes over pillen, geen administratie meer, geen afzeggen van onze plannen omdat Marijke zich alleen voelde.
Henk keek vooral naar zijn handen. Marijke werd eerst heel stil. Toen zei ze: „Dus nu wij oud en ziek zijn, worden we lastig.”
Dat was niet wat we zeiden. Maar ik snap dat het zo klonk.
Ik zei dat we van hen hielden, op onze manier, en dat dit juist zo niet langer kon. Dat wij vrienden waren en geen zorgteam. Ik weet nog dat ik het woord zorgteam gebruikte en meteen dacht: wat een kille, zakelijke onzin. Maar het was wel waar.
Marijke zei: „Vrienden laat je niet vallen als het moeilijk wordt.”
Ik antwoordde dat vrienden elkaar ook niet helemaal leeg zouden moeten trekken. Daar heb ik nog spijt van. Niet omdat het onwaar was, maar omdat het gemeen klonk. Alsof zij dat bewust deden. Ik denk niet dat ze bewust iets deden. Ik denk dat hun angst gewoon steeds groter was geworden en dat wij dichtbij stonden.
Sinds dat gesprek is het anders. Niet dramatisch anders. Er is geen grote breuk geweest. We gaan nog steeds op donderdag, meestal. Alleen soms zeggen we af, ook als het geen heel goede reden is. Dat oefenen we nog.
Henk appt minder. Marijke appt juist soms helemaal niet meer. Via hun dochter hoorden we dat ze nu thuiszorg hebben voor een deel van de praktische dingen en dat Marijke weer gesprekken heeft bij de ggz. Ik ben opgelucht, maar ook gekwetst dat het blijkbaar toch geregeld kon worden nadat wij terugstapten.
Vorige week zaten Anja en ik eindelijk in de camper, op een kleine camping bij Lochem. Het regende bijna de hele middag. We aten een boterham met oude kaas en keken naar andere pensionado’s die hun luifels opnieuw vastzetten vanwege de wind.
Mijn telefoon lag op tafel, met het geluid aan.
Anja zei niets. Ik ook niet. Pas na een tijd heb ik hem omgedraaid, zodat het scherm naar beneden lag. Niet uitgezet. Daar was ik blijkbaar nog niet aan toe.