‘Kom alsjeblieft gewoon weer op donderdag’: hoe een vriendschap van dertig jaar ons in tweeën trok
‘Niet weer volgende week, alsjeblieft.’
Pieter zei het zacht, maar zijn hand bleef strak op de deurklink. Achter hem hoorde ik Anneke vanuit de woonkamer roepen: ‘Natuurlijk wel. Donderdag. Gewoon donderdag, zoals altijd.’
Ik stond daar met een schaal lege ovenschaal in mijn handen, mijn man Kees naast me, en ik voelde meteen dat we midden in iets stonden waar we niet meer netjes uit konden stappen.
Wij kennen Pieter en Anneke al meer dan dertig jaar. Gewoon begonnen op de camping in Drenthe, toen onze kinderen nog klein waren en we allemaal dachten dat we later zeeën van tijd zouden hebben. We gingen fietsen, kaarten, naar rommelmarkten, later samen wandelen in de duinen, en al zeker vijftien jaar aten we bijna elke donderdag bij elkaar. Altijd om half zes. De een maakte het hoofdgerecht, de ander het toetje. Het was zo vanzelfsprekend geworden dat ik op donderdagmiddag automatisch aardappels ging schillen.
Tot Anneke ziek werd.
Chronisch, zeiden de artsen. Niet meer beter. Wel schommelingen, goede en slechte dagen, veel vermoeidheid, benauwdheid, pijn die soms ineens door haar lijf schoot. In het begin deden we juist extra ons best. Soep brengen, boodschappen meenemen, bloemen op tafel. Anneke wilde vooral één ding: dat we normaal bleven doen.
‘Als jullie ook al anders gaan doen, blijft er niks over,’ zei ze een keer, terwijl ze haar theekopje met twee handen vasthield omdat ze trilde.
Ik snapte haar. Echt.
Maar Pieter begon te veranderen. Waar hij vroeger altijd de gang in kwam met een grap, deed hij nu open in een verwassen trui, alsof hij al dagen niet echt had geslapen. Zijn gezicht werd smaller. Hij was voortdurend bezig: medicijnen, afspraken, formulieren van de gemeente, gedoe met de Wmo, nachtelijk opstaan, wassen, koken, opletten of Anneke niet viel.
Op een middag belde hij mij terwijl ik in de rij bij de supermarkt stond.
‘Marjan,’ zei hij, en hij klonk kapot. ‘Zouden jullie misschien iets minder vaak kunnen komen?’
Ik zweeg even. ‘Minder vaak?’
‘Anneke trekt het niet goed, ook al denkt ze van wel. En ik ook niet. Voor bezoek moet er altijd opgeruimd, koffie gezet, gezellig gedaan. Daarna is ze kapot. En ik ook.’
Ik voelde me meteen schuldig omdat ik dacht: maar zij wil ons juist wel zien.
Die donderdag gingen we toch. Op verzoek van Anneke zelf. Ze had me twee keer geappt: Kom je echt hè? Niet luisteren naar Pieter. Ik heb dit nodig.
Aan tafel at ze bijna niks. Ze was bleek, maar haar ogen waren fel.
‘Jullie moeten blijven komen,’ zei ze. ‘Niet één keer per maand alsof ik een tante in een verzorgingshuis ben.’
Pieter legde zijn bestek neer. Heel beheerst. Te beheerst.
‘Anneke, hou op.’
‘Nee, ik hou niet op. Iedereen beslist ineens over mij. De huisarts, de wijkverpleging, jij… En nu moeten zij ook al wegblijven?’
Kees schoof ongemakkelijk op zijn stoel. Ik voelde mijn wangen gloeien.
‘We willen helemaal niet wegblijven,’ zei ik. ‘We willen alleen… ja… kijken wat goed is.’
Anneke keek me aan alsof ik haar verried.
‘Goed voor wie?’
Daar had ik geen antwoord op. Of eigenlijk wel, maar ik durfde het niet te zeggen.
Pieter stond op en liep naar het aanrecht. Hij zette twee glazen harder neer dan nodig was.
‘We leven hier niet meer zoals vroeger, Anneke. Dat kan gewoon niet. Na elk bezoek lig jij twee dagen uitgeput op bed en mag ik de scherven oprapen.’
Ze begon te huilen. Niet netjes, niet stil. Gewoon rauw.
‘Dus ik moet alvast maar verdwijnen? Is dat het? Rustig worden, niemand tot last zijn, wachten tot mijn wereld klein genoeg is voor jouw planning?’
Ik schrok van die zin. Pieter ook. Dat zag ik aan zijn schouders. Hij draaide zich om, wilde iets zeggen, deed het niet.
Die avond in de auto zei Kees: ‘We zitten hier tussen twee waarheden in.’
En dat was precies het ellendige.
De weken erna werd het alleen maar grimmiger. Als wij niet kwamen, appte Anneke: Waar zijn jullie? Ben ik nu ook al te zwaar geworden? Als we wel kwamen, kregen we later een kort bericht van Pieter: Dit is te veel zo.
Ik sliep er slecht van. Het voelde kinderachtig om als zestigplusser verstrikt te raken in appjes, stiltes en agenda’s, maar zo was het wel. Vriendschap hoort licht te zijn, dacht ik altijd. Of in elk geval vrijwillig. Ineens voelde het als een moreel mijnenveld.
Op een zondag ben ik alleen naar Anneke gegaan. Zonder ovenschotel, zonder gezellig plan. Gewoon zitten.
Ze lag op de bank met een deken over zich heen. De televisie stond zacht.
‘Pieter is boodschappen doen,’ zei ze meteen. ‘Dus zeg maar eerlijk. Komen jullie minder door hem?’
Ik ging niet omheen draaien. ‘Ja.’
Ze sloot haar ogen. ‘Ik wist het.’
‘Maar niet omdat we je niet willen zien,’ zei ik snel. ‘Hij trekt het niet meer, Anneke. Hij loopt op zijn tandvlees.’
‘En ik dan?’ fluisterde ze. ‘Ik ben mijn lichaam al kwijt. Moet ik jullie ook nog inleveren?’
Dat kwam binnen. Hard.
Toen Pieter thuiskwam en ons samen zag zitten, gebeurde waar ik al bang voor was.
‘Dus nu doen we het stiekem?’ zei hij in de deuropening.
‘Doe niet zo raar,’ beet Anneke hem toe.
‘Raar? Ik vraag om één grens. Eén. En zelfs dat is te veel.’
Hij keek niet boos. Eerder wanhopig. Dat maakte het nog erger.
Ik ben opgestaan en heb gezegd dat wij voorlopig niet meer op donderdag zouden komen, maar alleen als het echt uitkwam, korter, rustiger, zonder eten, zonder verwachtingen. Anneke draaide haar gezicht van me weg. Pieter zei alleen: ‘Dank je.’
Dat dankjewel voelde niet als opluchting. Het voelde als verlies.
Sindsdien is niets meer zoals vroeger. We zien Anneke minder. Als we er zijn, is het fijn en pijnlijk tegelijk. Pieter oogt soms opgelucht, soms verwijtend, alsof ook onze voorzichtigheid hem herinnert aan alles wat weg is.
En ik? Ik mis mijn vriendin. Maar ik mis ook de vanzelfsprekendheid van vroeger, toen goed doen nog simpel leek.
Hebben wij haar in de steek gelaten, of hebben we eindelijk gezien hoe zwaar liefde kan zijn voor degene die elke dag blijft?
Ik weet het nog steeds niet. Wat zouden jullie hebben gedaan?