Toen Henk vroeg of hij bij ons kon komen wonen, hoorde ik mezelf voor het eerst denken: ik kan dit niet meer

Henk belt tegenwoordig meestal rond etenstijd. Niet omdat dat voor hem een goed moment is, denk ik, maar omdat hij dan weet dat wij thuis zijn.

Soms neem ik op en hoor ik eerst niks. Alleen zijn ademhaling, en op de achtergrond de televisie die veel te hard staat. Dan zeg ik: „Henk?” En dan komt er iets als: „Ik wilde even een stem horen.”

Vroeger vond ik dat ontroerend. Nu kijk ik bij zo’n telefoontje automatisch naar Pieter, mijn man, aan de andere kant van de tafel. Hij legt dan zijn vork neer nog voordat ik iets heb gezegd. Alsof we allebei weten dat de aardappels koud worden en de avond niet meer van ons is.

We kennen Henk al sinds 1987. Pieter zat met hem bij de vrijwillige brandweer in ons dorp, toen nog allebei jong en met van die snorren waar je achteraf om moet lachen. Ik kende zijn ex-vrouw Marjan via de tennisvereniging. Met z’n zessen gingen we jarenlang kamperen in Frankrijk: wij, Henk en Marjan, en Theo en Els. Later kwamen de kinderen mee, toen bleven de kinderen weer thuis, en nog later gingen we een weekendje naar de Veluwe omdat niemand meer zin had in een voortent opzetten.

Het was geen vriendengroep die elkaar elke week zag, maar als er wat was, stonden we er. Dat was gewoon zo. Toen Pieter zijn baan bij de drukkerij kwijtraakte, kwam Henk op zaterdag de schuur opruimen omdat Pieter nergens zin in had. Toen Marjan een borstoperatie kreeg, hebben wij drie maanden om de beurt gekookt. Niemand hield dat bij.

Daarom snap ik Pieter ook wel. Echt wel.

De scheiding van Henk en Marjan kwam vorig voorjaar. Het was geen affaire, geen groot schandaal. Marjan zei dat ze al jaren ongelukkig was en dat Henk niet meer bereikbaar was. Henk zegt dat zij hem zonder waarschuwing heeft ingeruild voor een leven waarin hij niet paste. Waarschijnlijk zit de waarheid ertussenin, zoals altijd.

Hij bleef in het rijtjeshuis in Deventer wonen en Marjan ging in een appartement bij haar dochter in Zutphen zitten. Eerst dacht ik nog: hij is gewoon ontredderd, geef het tijd. We gingen koffie drinken, namen hem mee naar de markt, nodigden hem uit voor stamppot. Hij vergat afspraken, kwam soms niet opdagen en kon een uur lang alleen maar over Marjan praten. Dat was verdrietig, maar niet onbegrijpelijk.

Alleen werd het steeds meer.

Henk stuurde berichten om half zeven ’s ochtends. „Ben je wakker?” Hij belde Pieter op diens golfmiddag omdat hij dacht dat Marjan online was geweest op WhatsApp en daar iets mee bedoelde. Hij stond een keer op zondag voor de deur met een plastic tas vuile was, omdat zijn wasmachine lekte en hij „toch niet alleen thuis wilde zitten terwijl die draaide”.

Pieter liet hem binnen. Natuurlijk liet hij hem binnen.

Ik zette koffie, zocht een handdoek voor de was uit en deed alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Maar die avond, toen Henk eindelijk weg was, vond ik een natte sok achter de verwarming in de bijkeuken. Ik weet nog dat ik daar veel te lang naar heb staan kijken. Niet vanwege die sok. Gewoon omdat ik het gevoel had dat er steeds iets van hem in ons huis bleef liggen.

De huisarts had hem antidepressiva voorgeschreven, zei hij. Hij had ook een verwijzing voor een psycholoog gekregen, maar de wachtlijst was lang en bovendien zag hij het nut er niet van in. „Zo’n jongen van dertig gaat mij dan vertellen dat ik moet wandelen,” zei hij.

Ik zei een keer, voorzichtig, dat hij misschien toch weer contact kon opnemen met de praktijkondersteuner. Henk keek me aan alsof ik hem had weggestuurd.

„Jullie willen zeker ook van me af.”

Pieter werd toen boos op mij. Niet waar Henk bij was, maar later in de keuken.

„Hij zit tegen een depressie aan, Lies. Dan ga jij toch niet zeggen dat hij hulp moet zoeken alsof wij hem zat zijn?”

„Hij zit er niet tegenaan, hij zit er middenin,” zei ik. „En wij kunnen dat niet oplossen.”

Pieter zei niets. Hij pakte de vaatwasser in met meer lawaai dan nodig was.

Het vervelende is dat Henk niet alleen somber is. Hij kan ook heel scherp worden. Als we een weekend naar onze dochter in Groningen gaan, zegt hij dat we hem blijkbaar makkelijk kunnen missen. Als Theo en Els zonder hem uit eten zijn geweest, zet hij in de groepsapp: „Fijn dat ik ook weer weet hoe het zit.” Daarna belt hij iedereen apart om te vragen wat er over hem gezegd is.

Theo neemt inmiddels minder vaak op. Els zegt dat ze hoofdpijn heeft als Henk vraagt of ze koffie wil drinken. Ik heb daar begrip voor, maar het steekt me ook. Want Pieter en ik zijn degene bij wie hij steeds terechtkomt. Pieter omdat hij niet kan weigeren, en ik omdat ik naast Pieter woon.

Vorige maand hadden we eindelijk een rustige vrijdag gepland. Geen afspraken, geen bezoek. We zouden een fles wijn opentrekken en naar dat programma over oude Nederlandse huizen kijken waar Pieter altijd bij in slaap valt. Om kwart voor acht ging de bel.

Henk stond daar met een sporttas en een doos met medicijnen.

Hij zei niet eens meteen hallo. Hij keek langs mij heen naar de gang en zei: „Ik trek het niet om vanavond alleen te zijn.”

Pieter pakte hem vast. Ik zag Henk zijn hoofd tegen Pieters schouder leggen. Toen schaamde ik me meteen voor de irritatie die ik voelde.

We hebben hem die nacht op de logeerkamer laten slapen. De volgende ochtend zat hij om half zes al beneden, volledig aangekleed, met zijn telefoon in zijn hand. Hij had niet geslapen. Pieter ook niet, want Henk had hem om twee uur wakker gemaakt om te vragen of hij dacht dat Marjan ooit spijt zou krijgen.

Die zondagmiddag zei Henk dat hij misschien beter een tijdje bij ons kon komen wonen. „Niet voor altijd hoor. Gewoon totdat ik weer een beetje onder de mensen ben.”

Ik voelde mijn buik samenknijpen. Onze logeerkamer is eigenlijk Pieters werkkamer met een bed erin. Ik werk twee dagen per week vanuit huis voor een administratiekantoor. En belangrijker: ik wist precies hoe het zou gaan. Henk zou niet zomaar bij ons wonen. Hij zou in alles aanwezig zijn: bij het ontbijt, in de stiltes, als ik naar boven wilde om even te lezen. Pieter zou hem proberen op te vrolijken en ik zou degene worden die boodschappen deed, schone lakens neerlegde en moest bedenken hoe lang „een tijdje” eigenlijk was.

Pieter zei: „Daar moeten we even over praten.”

Henk keek naar mij. Niet naar ons, naar mij.

„Jij wilt zeker liever dat ik alleen thuis zit.”

Ik heb toen iets gezegd waar ik nog steeds een naar gevoel van krijg. Ik zei: „Ja, soms moet je ook alleen thuis kunnen zitten, Henk.”

Het werd heel stil. Hij pakte zijn tas en zei dat hij wel begreep hoe laat het was. Pieter liep achter hem aan naar buiten. Ik bleef in de woonkamer staan met drie glazen op tafel, waarvan er twee nog vies waren van de avond ervoor.

Pieter kwam kwaad terug. Hij zei dat ik Henk een trap na had gegeven terwijl die al op de grond lag. Ik zei dat ik al bijna een jaar bang ben voor mijn eigen telefoon. Dat ik niet meer spontaan naar mijn zus ga, omdat Henk dan misschien belt en Pieter niet weet wat hij moet doen. Dat ik soms in de auto nog een rondje omrijd voordat ik thuiskom, alleen omdat ik eerst tien minuten niemand hoef te helpen.

Daar schrok Pieter van. Niet omdat hij het meteen met me eens was, geloof ik. Meer omdat hij het niet had gezien.

We hebben uiteindelijk tegen Henk gezegd dat hij niet bij ons kan intrekken. Pieter heeft voorgesteld om maandag met hem mee te gaan naar de huisarts, om te bespreken welke hulp er mogelijk is. Henk heeft daarop drie dagen niet gereageerd. Daarna stuurde hij Pieter alleen: „Blijkbaar ben ik dus te veel geworden.”

Pieter heeft die zin wel twintig keer gelezen. Ik ook. Hij ligt nog steeds als een steen tussen ons in.

Morgen gaat Pieter met hem naar de huisarts, als Henk tenminste op komt dagen. Ik heb gezegd dat ik niet meega. Pieter vond dat eerst hard, maar hij zei er niets van.

Vanavond hebben we alsnog dat programma over oude huizen gekeken. Pieter viel halverwege in slaap op de bank. Zijn telefoon lag op tafel, met het geluid aan. Ik heb hem niet uitgezet.