Ik wilde onze beste vriendin niet kwijtraken, maar mijn man trok het niet meer om haar zieke man overal mee naartoe te nemen
Vorige maand stuurde ik een foto in onze oude WhatsApp-groep. Vier glazen wijn op tafel, een schaal met bitterballen die al bijna op was en op de achtergrond de slingerverlichting van het terras bij De Witte in ons dorp. Ik had er gedachteloos bij gezet: “Zo gezellig vanavond.”
Nog geen minuut later zag ik dat Marjan de foto had bekeken.
Ze reageerde niet.
Dat klinkt misschien kinderachtig, alsof het alleen om zo’n blauw vinkje gaat. Maar wij vieren hebben bijna veertig jaar alles gedeeld. De kinderen die tegelijk naar de basisschool gingen. De eerste caravans in Frankrijk, waarbij we in de regen onder een luifel zaten en deden alsof dat er allemaal bij hoorde. Elke vrijdag eten, eerst bij de een, dan bij de ander. Toen mijn moeder overleed, stond Marjan om half acht ’s ochtends met een pan soep voor de deur. Ze wist dat ik die dag niet zou eten als iemand het niet letterlijk voor mijn neus zette.
Zij en Kees waren niet gewoon vrienden. Ze waren verweven met ons leven.
Kees heeft nu anderhalf jaar de diagnose frontotemporale dementie. In het begin dacht ik eerlijk gezegd dat het vooral vergeetachtigheid was. Hij vertelde hetzelfde verhaal drie keer op een avond, vergat afspraken, werd soms wat botter. Vervelend, maar Kees was altijd al iemand die zonder omwegen sprak.
Later werd het anders. Hij begon mensen aan te raken op een manier die ongemakkelijk was. Niet seksueel, meestal niet, maar hij pakte je arm vast en liet niet los. Hij kon ineens hard praten in een restaurant, of boos worden omdat de bediening volgens hem “hem expres negeerde”. Een keer heeft hij bij ons thuis de plantenbak op het balkon leeggegooid omdat hij ervan overtuigd was dat er muizen onder zaten.
De ergste avond was bij Jeroen en mij thuis, afgelopen winter. Ik had stoofvlees gemaakt. Kees keek naar zijn bord, duwde het weg en zei dat het naar kattenvoer rook. Daarna zei hij tegen onze dochter, die even langskwam met haar vriend, dat ze dikker was geworden sinds de vorige keer. Onze dochter lachte het weg, maar ik zag haar gezicht dichtklappen.
Marjan zat ernaast en zei alleen: “Kees, nou niet.”
Niet boos. Niet echt streng. Meer alsof ze een jas recht trok die telkens van zijn schouders gleed.
Later, toen hij op de bank in slaap was gevallen, hielp ik haar met zijn jas aantrekken. Ze keek me niet aan en fluisterde: “Als jullie stoppen met vragen, houdt er voor mij ook iets op. Begrijp je dat?”
Ik zei natuurlijk dat we niet zouden stoppen.
Jeroen zei in de auto naar huis niets. Pas bij de rotonde zei hij: “Dat kun je niet beloven.”
Ik werd meteen kwaad. Ik zei dat hij geen idee had wat Marjan meemaakte. Hij zei dat dat juist het punt was: wij konden geen idee hebben, en we konden het ook niet oplossen door iedere vrijdag te doen alsof alles nog hetzelfde was.
Daarna hebben we er weken overheen gepraat, of eigenlijk langs elkaar heen. Ik ging vaker alleen bij Marjan koffie drinken. Ze vertelde dan over de casemanager, over de dagbesteding waar Kees nog niet heen wilde, over hoe hij soms ’s nachts alle kastjes openzette omdat hij zijn portemonnee zocht. Ze schaamde zich verschrikkelijk als hij erbij was.
“Hij zou dit zelf afschuwelijk vinden,” zei ze vaak.
Dat geloof ik ook. De oude Kees was trots, soms te trots. Hij was degene die vroeger de barbecue aanstak, de route uitstippelde op vakantie en iedereen thuisbracht als er te veel gedronken was. Nu zat hij soms met zijn jas aan in de woonkamer, klaar om naar zijn oude werk te gaan, terwijl hij al acht jaar met pensioen was.
Jeroen kon het steeds minder opbrengen. Hij werkte nog drie dagen per week bij een installatiebedrijf en zei dat hij juist in het weekend even wilde lachen zonder voortdurend te letten op wat Kees deed of zei. Ik vond dat hard klinken, maar ik merkte ook dat ik voor een etentje al spanning in mijn buik kreeg. Niet vanwege Kees zelf, maar omdat ik Marjan de hele avond in de gaten hield. Of ze nog at. Of ze niet huilde op het toilet. Of Kees niet zomaar wegliep.
Op een gegeven moment stelde Jeroen voor om af en toe met een paar mensen uit onze oude kring iets te gaan doen zonder Marjan en Kees. Een wandeling op de Veluwe, een avondje naar een cabaretvoorstelling. “Niet als vervanging,” zei hij. “Gewoon ook nog een eigen leven.”
Ik zei dat hij het niet zo moest noemen, maar ik wist precies wat hij bedoelde.
De eerste keer dat we dat deden, was die avond op het terras. Er waren nog twee andere stellen bij. Niemand had gezegd dat het geheim moest blijven. Toch voelde het zo. We hebben gelachen, echt gelachen. Over een buurman die zijn kliko steeds op de verkeerde dag buiten zet, over vroeger. En toen ik die foto stuurde, was dat niet om Marjan pijn te doen. Ik stuurde altijd foto’s. Dat deden we al jaren.
De volgende ochtend belde ze.
Ze nam pas na een paar tellen op. Ik hoorde de televisie hard op de achtergrond. Kees waarschijnlijk, al zei ze dat niet.
“Dus dit is het dan?” vroeg ze.
Ik begreep meteen wat ze bedoelde, maar ik deed alsof niet. Daar heb ik achteraf spijt van.
“Wat bedoel je?” zei ik.
Ze zuchtte. “Doe niet alsof, Els. Jullie gaan gewoon door. Zonder ons.”
Ik vertelde dat het spontaan was geweest, dat we haar niet wilden buitensluiten, dat we ook nog steeds bij haar wilden komen en konden helpen met praktische dingen. Maar terwijl ik praatte, hoorde ik zelf hoe mager het klonk. Alsof ik haar een lijstje met alternatieven aanbood voor een leven dat ze kwijt was.
Ze zei: “Jullie willen mij wel zonder Kees. Dat is wat je eigenlijk zegt.”
Dat was niet helemaal waar. Maar het was ook niet helemaal onwaar.
Ik zei dat we niet altijd konden doen alsof het voor iedereen nog prettig was. Dat Kees ziek was en dat niemand daar schuld aan had. Dat we hem niet lieten vallen, maar dat we soms iets wilden doen waar hij niet bij kon zijn.
Toen werd ze stil. Heel lang.
“Hij is mijn man,” zei ze uiteindelijk. “Ik kan hem ook niet even niet meenemen.”
Daarna heeft ze opgehangen.
Jeroen vond dat ik eindelijk eerlijk was geweest. Hij zei dat Marjan ons nu probeerde vast te zetten uit angst, en dat hij daar begrip voor had, maar dat begrip niet betekende dat wij ons hele leven moesten inleveren. Ik werd opnieuw boos, vooral omdat ik wist dat hij ergens gelijk had.
Sinds dat gesprek is het anders. Ik ga nog wel naar Marjan. Soms vraagt ze me binnen en is ze bijna normaal, met koffie en een stukje gevulde koek alsof we weer dertig jaar geleden aan haar keukentafel zitten. Soms zegt ze op het laatste moment af omdat Kees onrustig is. Soms reageert ze dagen niet.
Met de rest van de groep spreken we minder vaak af dan Jeroen zou willen. Ik kan het gewoon niet goed verdragen als iemand zegt: “Wat was het fijn dat het eens ontspannen was.” Dan denk ik meteen aan Marjan, thuis met Kees die misschien weer vraagt wanneer we naar Frankrijk gaan.
Volgende week gaan Jeroen en ik drie nachten naar Vlieland. Ooit gingen we daar met z’n vieren heen, altijd in november, buiten het seizoen. Ik heb Marjan niet verteld dat we gaan. Niet omdat ik haar wil liegen, maar omdat ik niet weet hoe ik het moet zeggen zonder dat het klinkt als een afscheid waar ik zelf ook niet aan toe ben.
Mijn koffer staat nog niet klaar. Jeroen heeft de bootovertocht al geboekt. Vanmiddag vroeg hij of ik mijn wandelschoenen mee wil nemen, en ik zei ja.
Daarna heb ik mijn telefoon op tafel gelegd en heel even gekeken of Marjan misschien iets had gestuurd.