Na veertig jaar vriendschap voelde ons pensioen ineens als verraad

De caravan staat nog steeds op de oprit bij mijn zwager in Drenthe. Hij heeft hem afgelopen voorjaar voor ons nagekeken, nieuwe banden eronder, gasfles gecontroleerd, alles. Marjan had al van die opvouwbare stoeltjes gekocht en een klein fluitketeltje waar ze belachelijk blij mee was. We zouden in september drie weken naar Frankrijk gaan. Niet ver weg, gewoon via Luxemburg en dan zien waar we uitkwamen.

Het is nu november. De caravan heeft nog geen kilometer gereden.

Ik ben 68, Marjan is 66. Ik werkte tot vorig jaar bij een installatiebedrijf in Amersfoort, zij in de bibliotheek. We hadden het niet slecht, maar ook niet het soort geld waarmee je ineens een tweede huis koopt of elk jaar naar Curaçao vliegt. Ons idee van pensioen was eigenlijk heel eenvoudig: wat vaker weg, op woensdag vrijwilligerswerk in het buurthuis, misschien een cursus Spaans. Dingen waarvoor we vroeger altijd zeiden: als we daar ooit tijd voor hebben.

En toen werd Henk ziek.

Henk en Els kennen we sinds 1984. We woonden toen allebei in dezelfde nieuwbouwwijk, met jonge kinderen, te hoge hypotheekrente en van die bruine vloerbedekking waar iedereen toen blijkbaar tevreden mee was. De eerste jaren aten we bijna elke vrijdag samen. Later werd het vaak zaterdag, soms sloegen we een week over, maar de gewoonte bleef. Kerst, verjaardagen, vakanties met de kinderen toen ze klein waren. Ook de minder leuke dingen. Toen mijn moeder in het verpleeghuis terechtkwam, stond Els ineens met een pan lasagne voor de deur. Toen Henk zijn baan kwijtraakte bij de drukkerij, hielp ik hem met solliciteren, al had ik er weinig verstand van.

Ik heb nooit getwijfeld aan die vriendschap. Dat doe ik nog steeds niet.

Bij Henk begon het met vermoeidheid. Hij zei dat hij gewoon ouder werd, en eerlijk gezegd vonden wij dat allemaal aannemelijk. Daarna kwamen de onderzoeken, de ziekenhuisafspraken en uiteindelijk de diagnose: een neurologische aandoening die niet meer overgaat. Hij loopt inmiddels met een rollator. Sommige dagen gaat praten ook moeizaam. Els doet bijna alles: medicijnen klaarzetten, rijden, koken, de administratie, meegaan naar de neuroloog. Hun dochter woont in Zwolle en heeft zelf twee kinderen. Hun zoon zit voor zijn werk vaak in Duitsland.

In het begin gingen we twee keer per week langs. Marjan nam soep mee, ik maaide het gras of zette een kastje recht dat Henk zelf niet meer kon tillen. Dat voelde vanzelfsprekend. Als ik eerlijk ben, vond ik het ook fijn om iets concreets te doen. Een kapotte lamp vervangen is overzichtelijker dan naast een vriend zitten die je al veertig jaar kent en die ineens moeite heeft om uit zijn stoel te komen.

Maar twee keer per week werd drie keer. Daarna belde Els ook tussendoor. Niet altijd voor iets dringends. Soms wilde ze gewoon praten omdat Henk de hele dag weinig had gezegd. Soms vroeg ze of we ’s avonds konden komen, want dan was hij onrustig. Een keer belde ze omdat de thuiszorg later kwam en zij naar de apotheek moest. Marjan ging meteen. Natuurlijk ging ze.

Op een gegeven moment keek ik in onze agenda en zag ik dat wij de enige mensen waren die er bijna elke week meer dan één keer stonden. Behalve professionals dan. Wijkverpleging, fysio, ergotherapie. Alles in blokjes, alles met tijden erbij. Hun leven was een rooster geworden.

Dat is ook het moment waarop ik me een rotzak begon te voelen.

Marjan en ik hadden een informatieavond bezocht over vrijwilligerswerk bij taalmaatjes. We waren enthousiast. De week erna zei Els: “Jullie zijn toch niet van plan om nu overal verplichtingen erbij te nemen?” Ze zei het met een lachje, maar ze keek Marjan niet aan.

Marjan antwoordde iets als: “Nee hoor, we kijken alleen een beetje.” Daarna praatten we over iets anders. Over de nieuwe badkamer van hun dochter, geloof ik. Maar in de auto terug zei Marjan: “Ik mag dus geen ander leven meer beginnen?”

Ik zei dat Els het vast niet zo bedoeld had. Dat zei ik vaker. Misschien omdat ik geen zin had om toe te geven dat ik het ook zo hoorde.

De vakantie was de eerste echte botsing. We hadden Henk en Els er aanvankelijk niets over verteld, wat achteraf laf was. Niet omdat het een geheim moest zijn, maar omdat we wisten dat het gedoe zou geven. Toen Els de caravan bij mijn zwager zag staan, vroeg ze ernaar. Marjan vertelde dat we in september weg wilden.

Els werd stil. Henk zat aan tafel en keek naar zijn handen.

“Drie weken?” vroeg hij na een tijdje. Zijn stem was zachter dan vroeger, maar die vraag kwam hard binnen.

Ik zei dat onze zoon wel bereikbaar was, dat er buren waren, dat de thuiszorg gewoon doorging. Het klonk meteen alsof ik een dossier aan het toelichten was.

Els zei: “Het gaat niet om de thuiszorg, Kees. Het gaat erom dat wij dan hier zitten.”

Henk keek me aan en zei: “Als je vrienden veertig jaar lang ‘we zijn er voor jullie’ zeggen, denk je niet dat dat ophoudt zodra het lastig wordt.”

Daar had ik geen goed antwoord op. Ik werd boos, wat eigenlijk schaamte was.

“Alsof we nooit komen,” zei ik. “Alsof we niets doen.”

Dat was een domme opmerking. Want zij hadden niet gezegd dat we niets deden. Ze zeiden dat het niet genoeg voelde. En daar kun je niet tegenin praten zonder meteen kil te klinken.

We gingen eerder weg dan normaal. Thuis zette Marjan de waterkoker aan en bleef ernaast staan tot hij afsloeg. Ze pakte geen kopje. Ik zat aan tafel en keek naar onze agenda op mijn telefoon, alsof daar een oplossing in stond.

De caravanreis hebben we afgezegd. Niet op die avond, maar een paar dagen later. De annuleringskosten vielen mee. Marjan zei dat ze er geen plezier aan zou beleven als Els en Henk zich in de steek gelaten voelden. Ik zei dat ik het begreep, maar ik voelde iets knappen waar ik me nog steeds voor schaam. Niet omdat ik per se naar Frankrijk moest. Ik wilde dat mijn tijd weer van ons was, al was het maar een beetje.

Sindsdien gaan we op maandagmiddag en donderdagavond. Daarnaast doe ik boodschappen als Els een slechte week heeft. Marjan helpt soms met de was, hoewel Els dat vreselijk vindt. Ze zegt steeds dat ze geen hulp wil, terwijl ze hem vervolgens toch aanneemt. Henk is soms dankbaar en soms kortaf. Dat snap ik ook wel. Ik zou waarschijnlijk net zo zijn als iemand mijn brood voor me sneed omdat mijn handen niet meer wilden.

Maar er zijn ook avonden waarop ik bij hen zit en merk dat ik naar huis wil. Dan voel ik me schuldig nog vóór ik mijn jas aantrek. Marjan voelt het ook. Vorige week hadden we kaartjes voor een voorstelling in Flint, gekregen van onze dochter. Els belde een uur van tevoren: Henk had een nare dag, of we even konden komen zitten.

Marjan nam op. Ik hoorde haar zeggen: “Vanavond lukt het niet, Els. Morgen na de lunch kunnen we komen.”

Er viel zo’n lange stilte dat ik dacht dat de verbinding weg was.

“Ja,” zei Els uiteindelijk. “Natuurlijk. Jullie hebben ook jullie leven.”

Ze sprak het niet verwijtend uit. Dat maakte het erger.

We zijn naar de voorstelling gegaan. We hebben zelfs gelachen, echt gelachen. Op de terugweg zei Marjan ineens dat ze zich afvroeg of Els die avond alleen op de bank had gehuild. Ik zei dat we niet alles konden opvangen. Zij zei: “Nee. Maar zij hebben ook niemand anders die het echt opvangt.”

Dat is waar we nu zitten. Niet in een ruzie, niet in een heldere afspraak. Gewoon in een soort schuivende grens die iedere week anders ligt.

Morgen zouden we naar een open dag van de volkstuinvereniging gaan. Marjan wil al jaren iets met kruiden en tomaten, ik zie mezelf eerlijk gezegd nog niet met een gieter lopen, maar goed. Vanmiddag stuurde Els een berichtje dat Henk sinds gisteren meer moeite heeft met lopen en dat ze bang is voor het weekend.

Ik heb nog niet gereageerd. Mijn telefoon ligt op de vensterbank. Marjan is boven de kampeerspullen aan het uitzoeken, terwijl we nergens heen gaan.

Over een paar minuten bel ik Els terug. Ik weet alleen nog niet wat ik precies kan beloven.