Na veertig zomers in Frankrijk dreigt onze vriendengroep te breken om één lege stoel
Ik heb gisteren de oude vakantiefoto’s van mijn telefoon gehaald omdat ik ruimte tekortkwam. Daar sta ik dan in 2008 met een plastic glas rosé in mijn hand, achter me een zwembad met zo’n blauw zeil eroverheen. Hans staat naast de barbecue alsof hij hem zelf heeft uitgevonden. Kees zit op de rand van het terras, veel te dicht bij de zon, met zijn overhemd open en een grote schaal salade op schoot.
Ik kon die foto niet weggooien.
Wij gaan al bijna veertig jaar met dezelfde groep een week, soms tien dagen, naar Frankrijk. Eerst waren we met z’n zessen in een oud huisje bij de Ardèche, nog zonder kinderen. Later werden het grotere huizen, met stapelbedden, opblaasbeesten in het zwembad en eindeloze discussies over wie er die nacht nog naar de apotheek moest. De kinderen zijn inmiddels allemaal de deur uit. Twee hebben zelf jonge kinderen. Maar wij, zes stellen en later nog twee alleenstaanden, bleven gaan.
Niet ieder jaar naar dezelfde plek, maar wel volgens hetzelfde systeem. Iemand zoekt een huis. Iedereen zegt wat hij maximaal kwijt wil. De kosten worden gedeeld. Boodschappenpot erbij. Wie een beter inkomen had, nam soms wat extra wijn mee of betaalde een etentje, maar niemand hield een boekhouding bij van gulheid. Juist daarom werkte het, denk ik. Het voelde gelijkwaardig.
Kees en Marjan hoorden daar altijd vanzelfsprekend bij. Kees is de man die om zeven uur ’s ochtends al brood gaat halen en dan terugkomt met drie soorten kaas die niemand had gevraagd. Marjan regelde de spelletjesavond, zelfs toen iedereen daar eigenlijk te oud en te moe voor was. Vorig jaar waren ze nog samen mee. Ik weet nog dat ik merkte dat ze stiller waren dan anders, maar ja, je ziet elkaar in zo’n week ook niet echt als je twintig man om je heen hebt.
In november belde Kees mij. Niet Hans, mij. Dat vond ik al vreemd.
Hij en Marjan gingen scheiden. Hij zei het op een vlakke toon, alsof hij een kapotte cv-ketel doorgaf. Daarna vertelde hij dat hij ook geld kwijt was geraakt. Hij had samen met een kennis geïnvesteerd in vakantieappartementen in Spanje. Ik wist eerlijk gezegd niet eens dat hij dat had gedaan. Volgens Kees was het bijna allemaal weg. Hij moest zijn deel van de overwaarde van het huis aan Marjan uitkeren en woonde tijdelijk in een huurappartement in Lelystad, boven een winkelstraat waar hij zich voor schaamde.
Ik wist niet goed wat ik moest zeggen. Ik heb vooral geluisterd. Toen ik ophing, zat ik een tijd met mijn jas nog aan op de bank.
Een paar weken geleden begon de groepsapp over Frankrijk. Anja had een huis gevonden in de Lot, groot genoeg, met airco en een zwembad. Niet goedkoop, maar in juli is alles duur. De prijs per persoon zou, inclusief schoonmaak en beddengoed, rond de 780 euro zijn. Daar komen boodschappen en benzine nog bij.
Kees stuurde die avond een lang bericht. Ik heb het drie keer gelezen voordat ik reageerde. Hij schreef dat hij graag mee wilde, maar dat hij het dit jaar niet kon betalen. Dat hij wist dat het een rottige vraag was. En dat hij sinds de scheiding soms dagen niemand zag en bang was voor die week alleen in zijn appartement. Hij vroeg of wij zijn deel, ‘als groep’, misschien voor één keer konden opvangen.
Hans zei vrijwel meteen: “Natuurlijk doen we dat. We laten Kees toch niet thuis zitten?”
In de app kwamen hartjes, duimpjes, een bericht van Ria dat ze het vreselijk voor hem vond. Ik voelde me ondertussen kleiner worden, en ik schaam me daar nog steeds voor. Niet omdat ik Kees niets gunde. Maar omdat ik meteen zat te rekenen. Zijn aandeel zou, als we het over de anderen verdeelden, voor ons ongeveer 100 tot 120 euro extra zijn. Dat bedrag kunnen wij missen. Daar ging het niet eens om.
Ik dacht aan het jaar erna. En aan de manier waarop Kees de laatste jaren soms deed alsof geld er gewoon altijd was. Die investering, een nieuwe motor toen zijn oude het nog prima deed, etentjes waar hij dan stoer de rekening pakte. Misschien is dat flauw van mij. Misschien bewaar ik dat soort dingen te makkelijk.
Maar ik dacht ook: hij vraagt niet of iemand hem een keer komt ophalen voor koffie. Hij vraagt of tien mensen hun vakantie anders inrichten omdat hij anders eenzaam is.
Ik heb eerst niets gezegd. Die stilte werd blijkbaar door anderen opgevat als instemming, want twee dagen later stuurde Anja een overzichtje: als iedereen iets extra’s betaalde, kon Kees mee. Netjes afgerond bedrag erbij. Toen heb ik Hans gevraagd of we erover konden praten voordat hij namens ons ‘prima’ terugstuurde.
Hij stond aardappels te schillen. Hans schilt altijd veel te dikke repen, dat doet hij al veertig jaar.
Ik zei dat ik liever Kees persoonlijk een bedrag zou geven. Bijvoorbeeld tweehonderd euro. Dan konden anderen dat ook doen als ze wilden, zonder dat het een gezamenlijke regeling werd. Of we konden meedenken over een goedkoper huis, een kortere week, desnoods een camping in plaats van die villa met zwembad.
Hans keek me aan alsof ik had voorgesteld Kees buiten te zetten.
“Hij zegt dat hij depressief is, Els.”
“Ik weet het. Juist daarom vind ik dat we dit niet moeten oplossen met een vakantiehuis.”
Dat kwam er harder uit dan ik bedoelde. Hans legde zijn mes neer en zei dat ik altijd zo bang was dat mensen misbruik van ons maakten. Dat deed pijn, omdat er een kern van waarheid in zit. Mijn vader leende vroeger geld aan iedereen die zielig keek. Wij hadden thuis soms geen nieuwe winterjas omdat iemand anders ‘even krap zat’. Ik wil niet zo worden. Maar ik wil ook niet koud worden, en soms weet ik het verschil niet meer.
De app werd intussen steeds ongemakkelijker. Peter vond dat Kees gewoon mee moest en dat we niet moesten zeuren over honderd euro. Zijn vrouw, Monique, stuurde hem later privé naar mij dat zij het eigenlijk ook ingewikkeld vond, omdat hun dochter net was ontslagen en ze zelf op hun geld letten. Ria wilde wel bijdragen, maar zei dat ze niet wist of ze er emotioneel tegen kon als Kees de hele week somber op zijn kamer bleef. Daar was ik ergens opgelucht om, en daarna voelde ik me daar weer schuldig over.
Kees zelf bleef opvallend stil. Tot hij vorige vrijdag schreef: “Laat maar. Ik merk wel dat dit gedoe geeft. Ik wil niet de reden zijn dat jullie vakantie verpest wordt.”
Daar werd ik pas echt misselijk van.
Hans belde hem die avond. Ik hoorde maar één kant van het gesprek. Hans zei een paar keer: “Nee jongen, zo bedoelen we het niet.” Daarna zat hij lang aan de eettafel zonder zijn telefoon weg te leggen.
Later vertelde hij dat Kees nauwelijks nog contact had met Marjan en dat zijn zoon in Groningen het druk had met werk en een baby. Kees had gezegd dat hij niet per se naar Frankrijk wilde vanwege het zwembad of de wijn, maar omdat hij bang was dat hij anders zou merken hoe leeg zijn leven geworden was.
Ik heb die nacht slecht geslapen. Niet omdat ik ineens vond dat ik ongelijk had, maar omdat ik begreep dat mijn voorstel voor hem waarschijnlijk klonk als: we willen best iets geven, als je maar niet te dichtbij komt.
De volgende ochtend heb ik Kees zelf gebeld. Ik heb gezegd dat ik niet tegen hem was en dat ik dom was geweest om alleen over het principe te praten. Hij zei: “Je hebt ook wel een punt, Els. Ik wist niet hoe ik het anders moest vragen.” Dat vond ik misschien nog het ergst.
We hebben nu een kleiner huis geboekt, zonder airco en met maar één badkamer minder dan gepland. Iedereen betaalt zijn eigen deel. Hans en ik betalen het deel van Kees, niet via de groep en niet als lening. Hij wilde eerst weigeren. Ik heb gezegd dat hij het later, als hij wil, aan iemand anders mag doorgeven die het nodig heeft. Dat klinkt achteraf heel netjes, maar aan de telefoon stamelde ik het ongeveer zo.
Ik weet niet of dit de goede oplossing is. Misschien maakt het juist onderscheid, terwijl we dat wilden voorkomen. Misschien komt Kees mee en is het ongemakkelijk. Misschien zit hij inderdaad een middag alleen op zijn kamer en weet niemand wat we moeten doen.
Vanmorgen stuurde Anja in de app een foto van een opvouwbare campingstoel die ze voor het terras heeft gekocht. Daaronder reageerde Kees alleen met: “Ik neem de koffie mee.”
Niemand maakte er een grap over. Maar ik keek naar dat bericht en dacht aan al die keren dat hij ’s ochtends met brood terugkwam, alsof dat de gewoonste zaak van de wereld was.