Mijn man leeft in een virtuele wereld terwijl ik ons gezin draaiende houd – Hoe lang hou ik dit nog vol?
‘Ben, kun je alsjeblieft even helpen met de kinderen? Ik moet zo naar mijn werk!’ Mijn stem trilt, maar Benjamin reageert niet. Zijn headset zit stevig op zijn hoofd, zijn ogen gefixeerd op het flikkerende scherm. Ik hoor hem mompelen: ‘Nog één potje, Brianna. Echt, ik kom zo.’
Het is inmiddels een jaar geleden dat Benjamin zijn baan verloor bij het IT-bedrijf in Utrecht. Eerst voelde ik medelijden – wie verwacht nou dat je na tien jaar trouwe dienst ineens op straat staat? Maar wat begon als een korte pauze om ‘even bij te komen’, is veranderd in een eindeloze vakantie. Alleen niet voor mij.
Elke ochtend sta ik op om zes uur. Alexander, onze jongste van vijf, kruipt dan al bij me in bed. Harper, acht jaar en altijd nieuwsgierig, vraagt: ‘Mama, waarom is papa altijd zo moe?’ Ik weet niet wat ik moet zeggen. ‘Papa is gewoon even aan het uitrusten,’ lieg ik. Maar diep vanbinnen groeit de frustratie.
Op mijn werk bij het gemeentehuis in Amersfoort probeer ik me te concentreren op de dossiers, maar mijn hoofd zit vol zorgen. De hypotheek, de boodschappen, kinderopvang – alles komt op mijn schouders terecht. Mijn collega Sanne merkt het op. ‘Gaat het wel thuis?’ vraagt ze voorzichtig tijdens de lunchpauze. Ik knik, maar mijn ogen verraden me.
’s Avonds, als de kinderen slapen, probeer ik met Benjamin te praten. ‘Ben, we moeten echt kijken naar vacatures. De spaarrekening raakt leeg.’ Hij zucht en draait zich van me af op de bank. ‘Ik heb gesolliciteerd hoor, maar er zijn gewoon geen banen voor mij. En trouwens, jij verdient toch genoeg?’
Die woorden snijden dieper dan hij beseft. Genoeg? We redden het nét. Ik heb mijn Netflix-abonnement al opgezegd en koop alleen nog huismerkproducten bij de Albert Heijn. Soms vraag ik me af of hij het überhaupt merkt.
De spanning tussen ons groeit. Harper merkt het ook. Ze tekent laatst een plaatje van ons gezin: papa achter de computer, mama met een aktetas en twee kinderen die haar hand vasthouden. ‘Papa speelt altijd spelletjes,’ zegt ze zachtjes als ik haar vraag waarom hij niet met ons aan tafel zit.
Op een regenachtige zaterdagmiddag barst de bom. Alexander heeft zijn beker melk omgestoten over Benjamins toetsenbord. Benjamin schreeuwt: ‘Kun je die kinderen niet beter opvoeden?!’ Ik voel iets in me knappen. ‘Misschien moet jij eens van die stoel afkomen en helpen!’ roep ik terug.
De kinderen schrikken en rennen naar hun kamer. Het huis voelt ineens ijskoud. Benjamin kijkt me aan met een mengeling van woede en schaamte. Maar in plaats van excuses loopt hij naar buiten, de regen in.
Die nacht lig ik wakker naast een lege plek in bed. Mijn gedachten razen: hoe is het zover gekomen? We waren ooit zo’n sterk team. Samen fietsten we door de bossen bij Soest, droomden we over verre reizen met de kinderen. Nu voelt het alsof ik alleen vecht voor ons gezin.
De volgende ochtend komt Benjamin pas laat thuis. Zijn ogen zijn rood en hij ruikt naar natte bladeren en sigarettenrook – iets wat hij vroeger nooit deed. Zonder iets te zeggen kruipt hij onder de dekens.
Ik weet niet meer wat ik moet doen. Moet ik hem dwingen hulp te zoeken? Dreigen met scheiding? Of hem juist steunen tot hij zelf weer opstaat? Mijn moeder belt en vraagt: ‘Brianna, hoe lang ga je dit nog volhouden?’ Ik weet het niet.
Op een avond zit ik aan de keukentafel met een glas goedkope wijn en mijn laptop open op vacaturesites – niet voor Benjamin, maar voor mezelf. Misschien moet ik meer uren gaan werken, of zelfs een tweede baan nemen. Maar dan zie ik Harper in de deuropening staan, haar ogen groot en bezorgd.
‘Mama, ben je verdrietig?’ vraagt ze zachtjes.
Ik trek haar op schoot en voel tranen branden achter mijn ogen. ‘Soms wel, lieverd,’ fluister ik. ‘Maar het komt goed.’
Ze knikt dapper, maar ik weet dat ze meer begrijpt dan ik wil toegeven.
De dagen worden weken, de weken maanden. Benjamin blijft hangen in zijn virtuele werelden; soms lijkt hij daar gelukkiger dan ooit bij ons thuis. Ik voel me steeds meer een alleenstaande moeder met een extra kind dat niet wil opgroeien.
Op een dag komt Sanne onverwacht langs na haar werk. Ze kijkt me doordringend aan en zegt: ‘Brianna, je hoeft dit niet alleen te doen.’ Haar woorden raken me diep. Misschien moet ik hulp zoeken – voor mezelf én voor Benjamin.
Die avond probeer ik opnieuw met Benjamin te praten. ‘Ben, we kunnen zo niet doorgaan. Ik trek dit niet meer alleen.’ Hij kijkt me aan, eindelijk echt, zonder scherm ertussen.
‘Ik weet het,’ fluistert hij schor. ‘Ik weet gewoon niet hoe ik eruit moet komen.’
Voor het eerst in maanden voel ik hoop én verdriet tegelijk. Misschien is dit het begin van verandering – of het einde van ons samen.
Soms vraag ik me af: hoeveel kun je geven voordat je zelf leeg raakt? En wat zou jij doen als je partner verdwijnt in een wereld waar jij niet bij kunt komen?