Na veertig jaar samen eten wil één vriend bepalen waar we nog welkom zijn — en mijn man vindt dat ik gewoon een keer mee moet

Ik had mijn bericht over de ovenschotel al getypt toen Peter vroeg of ik voorlopig niets in de groepsapp wilde zetten. Alleen maar: zal ik zaterdag iets met vis maken? Meer stond er niet.

‘Laat mij eerst even met Henk bellen,’ zei hij.

Daar stond ik dan, eenenzestig jaar oud, met een telefoon boven een bak ontdooide kabeljauw. Kennelijk moesten we inmiddels overleggen voordat ik eten mocht voorstellen.

We eten al bijna veertig jaar samen. Peter en ik, Henk en Marja, Els en Kees, en Rob en Ineke. Eerst in kleine huurhuizen, met geleende stoelen. Later kwamen er kinderen bij die boven in één bed werden gelegd. Inmiddels praten we over pensioen, versleten knieën en kinderen die nergens een woning kunnen krijgen.

De eerste zaterdag van de maand. Om de beurt bij iemand thuis. Het is weleens verschoven vanwege een vakantie of een operatie, maar bijna nooit afgezegd.

Ik heb met deze mensen mijn moeder begraven. Henk heeft op een zondag onze verstopte afvoer opengemaakt, terwijl hij eigenlijk naar een verjaardag moest. Toen Marja borstkanker had, kookte ik iedere donderdag voor hen. Niet omdat we zulke bijzondere mensen zijn. Zo deden we dat gewoon.

Daarom vind ik het ook moeilijk om op te schrijven dat ik hem op het ogenblik liever niet zie.

Het begon niet met ruzie. Henk ging na zijn vervroegde vertrek bij het installatiebedrijf helpen bij een politieke vereniging hier in de regio. Hij zat thuis te niksen, zei Marja. Daar kon hij tenminste weer iets doen.

Eerst zette hij stoelen klaar. Daarna organiseerde hij avonden. Hij werd er blij van, en dat gunden we hem.

Maar steeds vaker kwam die vereniging mee aan tafel.

Hij wilde alleen nog Nederlandse producten kopen. Geen geld meer naar buitenlandse ketens, geen restaurants die volgens hem ‘niets met onze cultuur’ hadden. Toen Kees voorstelde om ons jaarlijkse uitje bij een Turks restaurant te houden, zei Henk dat hij daar niet aan ging bijdragen.

Kees maakte een flauw grapje over de Franse wijn in zijn glas. Iedereen lachte, Henk ook nog.

Later lachte hij niet meer mee.

Ik vond vooral de opmerkingen tussendoor naar. Over wijken waar hij zich niet meer thuis voelde, over mensen die hier volgens hem alleen kwamen halen. Onze schoondochter is in Nederland geboren en heeft Marokkaanse ouders. Henk kent haar. Hij heeft haar zelfs geholpen met haar fiets toen ze hier eens was.

‘Ik heb het toch niet over háár,’ zei hij toen ik daar iets van zei.

Daar bleef het meestal bij. Dan vroeg iemand wie er koffie wilde.

Achteraf denk ik dat we dat te vaak hebben gedaan. Maar ik was zelf ook degene die opstond om kopjes te pakken.

In februari zou Henk koken. In plaats daarvan stuurde hij een link naar het verenigingsgebouw waar hij tegenwoordig zijn avonden doorbrengt. Er zat een zaaltje achter. We konden daar een driegangenmenu krijgen voor achtentwintig euro per persoon.

Op de foto’s zag ik vlaggen, verkiezingsposters en een groot bord met ‘Ons land terug’. Vijf euro van ieder menu ging naar de activiteitenkas van de vereniging.

Ik appte dat ik daar niet wilde eten.

Henk belde vrijwel meteen. Hij klonk eerst gewoon opgewekt.

‘Je moet niet alles geloven wat je over die mensen hoort. Kom nou eens kijken.’

Ik zei dat ik niets hoefde te geloven. Ik had hun eigen website gelezen. Ik wilde niet betalen voor een politieke club, en al helemaal niet voor deze.

‘Dan leg ik die vijf euro voor je bij.’

‘Dat is het punt niet, Henk.’

Hij zuchtte alsof ik iets heel ingewikkeld maakte.

Volgens hem hielden we al jaren rekening met iedereen. Met Els haar rug, met Peters bloeddruk, met Ineke die geen melkproducten meer verdraagt. Waarom konden we dan niet één keer rekening houden met wat voor hem belangrijk was?

Ik zei dat een lactosevrij toetje iets anders was dan een politieke bijdrage.

Dat vond hij neerbuigend.

Misschien klonk ik ook zo. Ik was inmiddels behoorlijk kwaad.

Peter vond dat we gewoon moesten gaan. Eén avond, zei hij. Daarna konden we rustig bespreken hoe we verder wilden.

‘En dan hebben we daar op de foto gestaan en gezellig betaald,’ zei ik.

‘Niemand vraagt je ergens lid van te worden.’

We kregen er zo’n ruzie over dat hij zijn thee liet staan en een rondje ging lopen. Dat doet hij anders nooit ’s avonds.

Pas de volgende ochtend zei hij dat hij bang was Henk kwijt te raken. Sinds zijn pensionering spreekt Peter buiten onze groep weinig mensen. Hij gaat iedere woensdag met Henk fietsen. Soms maar twintig kilometer, met een lange koffiepauze. Dat had ik in mijn boosheid behandeld alsof het niets was.

Ik zei dat hij best met hem kon blijven fietsen.

‘Fijn dat ik toestemming heb,’ zei hij.

Die kwam aan. Terecht ook.

Ondertussen liep de groepsapp vast. Els wilde niet mee. Kees wel, al vond hij die vereniging ook niks. Rob stelde voor de vijf euro apart aan de voedselbank te geven. Niemand begreep hoe dat iets oploste, maar hij bedoelde het goed.

Toen stuurde Henk een lang bericht. Hij schreef dat hij zich blijkbaar veertig jaar in ons had vergist. Wie hem nu liet vallen om zijn overtuiging, was eigenlijk nooit een echte vriend geweest.

Ik heb teruggeschreven: ‘Als veertig jaar alleen telt wanneer we doen wat jij wilt, houdt het voor mij op.’

Ik vond dat een heldere reactie. Nu vind ik hem vooral hard.

Marja belde me die middag. Ze huilde niet, maar ze klonk moe. Ze had zich verheugd op een avond waarop ze niet hoefde te koken. Of ik begreep dat zij hier ook tussen zat.

Ik had haar nog helemaal niet gevraagd wat zij wilde.

Het etentje is doorgegaan. Peter is geweest, met Kees en Rob. De anderen bleven thuis. Ik at brood met een gebakken ei en keek iets waarvan ik de volgende dag niet meer wist hoe het heette.

Peter kwam om halfelf terug. Het eten was goed geweest. Er was weinig gepraat, zei hij. Henk had gevraagd hoe het met mijn heup ging.

Daar moest ik onverwacht van huilen. Daar baalde ik ook weer van.

We zijn nu twee maanden verder. De groepsapp bestaat nog, maar behalve een verjaardagsfelicitatie staat er niets in. Peter fietst weer met Henk. Zelf heb ik met Marja koffie gedronken bij het tuincentrum. We hebben vooral over haar zus gepraat.

Volgende maand zijn wij aan de beurt om te koken. Peter wil iedereen uitnodigen, gewoon bij ons thuis. Ik heb gezegd dat ik dat goedvind, maar dat ik geen avond lang die vereniging wil bespreken.

Hij heeft het bericht gisteren verstuurd. Henk heeft nog niet gereageerd. Ik moet morgen boodschappen doen en weet nog steeds niet voor hoeveel mensen.