Sinds Kees verandert, is onze vrijdagavond nooit meer gewoon gezellig

Vroeger wist ik op vrijdagmiddag al ongeveer hoe de avond zou lopen. Dan zette ik de borrelhapjes klaar, Peter haalde een fles wijn die volgens hem ‘niet te zwaar’ was, en ergens rond half zeven stroomden de appjes binnen. Wie nam het voorgerecht mee, wie zat er al in de auto, of Hanneke nog die ene glutenvrije crackers had gevonden.

We zijn met z’n achten, al bijna vijfentwintig jaar. Eerst via de tennisclub, later werd het veel meer dan dat. We gingen samen een weekend naar Limburg, met de fiets naar de Biesbosch, we pasten op elkaars katten en kinderen toen die nog jong waren. Nu zijn we allemaal met pensioen of bijna. Onze vrijdagen waren een soort vast punt geworden. Niet heilig, maar wel belangrijk.

Kees was altijd degene die alles regelde. Als iemand zei dat het leuk zou zijn om nog eens naar een museum te gaan, had hij twee dagen later een datumprikker gestuurd, treintijden uitgezocht en bedacht waar we konden lunchen. Toen Wim zijn heup brak, stond Kees zonder veel woorden met een pannetje soep voor de deur. Toen mijn zus overleed, bracht hij Peter en mij naar Schiphol omdat we te moe waren om zelf te rijden. Zo iemand was hij.

Ongeveer anderhalf jaar geleden begon hij dingen te vergeten. Eerst waren het kleine dingen. Hij vertelde hetzelfde verhaal twee keer op een avond. Hij vergat dat Marja sinds kort een kleinzoon had en vroeg er drie keer naar alsof het nieuws was. We maakten er allemaal een beetje luchtig grapjes over. Kees zelf ook.

Daarna werd het lastiger.

Hij raakte in een restaurant een keer helemaal overstuur omdat hij dacht dat de ober hem te weinig wisselgeld had teruggegeven. Het ging om twee euro twintig. Kees bleef maar zeggen dat hij geen gek was en dat ze hem niet moesten behandelen alsof hij seniel was. Dat laatste woord gebruikte hij zelf. De ober stond er rood van, wij ook. Uiteindelijk bleek het geld in zijn jaszak te zitten.

Een andere keer vroeg hij tijdens het eten aan Els waarom ze zo’n dikke buik had gekregen. Els had net verteld dat haar dochter na een miskraam eindelijk weer zwanger was. Er viel een stilte waar ik nog steeds ongemakkelijk van word. Kees keek oprecht verbaasd toen niemand lachte.

Hij is onderzocht en er is gesproken over een beginnende vorm van dementie. Welke precies weet ik niet eens goed; Peter weet dat misschien beter, omdat hij met Kees meegaat naar sommige afspraken. Kees woont alleen sinds zijn vrouw twaalf jaar geleden is overleden. Zijn zoon woont in Groningen en komt geregeld, maar heeft natuurlijk ook een baan en een gezin. Kees redt zich nog grotendeels. Hij rijdt eigenlijk niet meer, gelukkig. Hij doet boodschappen, alleen raakt hij soms de weg kwijt in de supermarkt. Dat vertelde hij laatst alsof het een grappig voorval was, maar hij keek daarbij naar zijn handen.

Peter heeft zich opgeworpen als zijn maatje. Daar heb ik nooit bezwaar tegen gehad. Integendeel. Ik vind het mooi hoe trouw Peter is. Hij haalt Kees op voor de vrijdagavonden, kijkt of zijn koelkast niet leeg is en gaat soms met hem wandelen. Alleen: Peter doet alsof die groepsavonden precies hetzelfde moeten blijven als vroeger, met Kees gewoon erbij en niemand die daar iets van mag vinden.

De anderen zeggen niet veel in de gezamenlijke app. Daar is iedereen beleefd. ‘Wat naar voor Kees.’ ‘Natuurlijk moeten we er voor hem zijn.’ ‘Misschien volgende keer iets rustigers.’ Maar privé kreeg ik berichtjes.

Van Marja: ik wil echt niet onaardig doen, maar ik ben de hele avond gespannen als Kees er is.

Van Els, nog voorzichtig: denk jij ook dat het voor hem soms te veel wordt?

En Hanneke belde me op een dinsdagmiddag. Ze zei dat Wim niet meer mee wilde. Niet omdat hij Kees niet aardig vond, juist niet. Maar Wim had zelf hartklachten gehad en was na zo’n avond twee dagen van slag. ‘Je weet nooit wat er komt, Ineke. En ik schaam me dat ik dit zeg.’

Ik schaamde me ook. Want ik begreep het meteen.

Afgelopen maand gingen we naar een voorstelling in DeLaMar. Kees had er zelf vroeger kaartjes voor geregeld, dat maakte het extra pijnlijk. Peter vond dat we dus al helemaal niet zonder hem konden gaan. We hadden twee rijen, hij zat naast mij. Vlak voor de pauze begon hij hard te fluisteren dat de hoofdrolspeelster ‘wel erg veel aandacht voor zichzelf had’. Mensen voor ons draaiden zich om. In de foyer pakte hij zonder te vragen een glas wijn van een dienblad, en toen een medewerker hem aansprak omdat het blijkbaar voor een andere groep was, werd hij boos. Niet woedend, maar venijnig. Hij zei dat iedereen tegenwoordig op hem lette alsof hij een klein kind was.

Op weg naar huis was hij weer vriendelijk. Hij bedankte Peter uitgebreid voor de avond en zei dat hij zich rijk voelde met zulke vrienden. Peter kneep in zijn arm en ik kon bijna niet kijken.

De maandag daarna kwamen Wim en Hanneke koffie drinken. Dat was niet gepland als een zwaar gesprek, maar het werd het wel. Wim zei uiteindelijk: ‘We moeten iets afspreken voor de komende tijd. Niet om Kees buiten te sluiten. Maar zo kan het niet eindeloos door.’

Peter werd meteen stijf. Hij zat met zijn armen over elkaar op de bank.

‘Wat bedoel je precies met “zo kan het niet”?’, vroeg hij.

Hanneke zei dat ze misschien niet meer met de hele groep op pad moesten. Korter afspreken, overdag koffie drinken, niet steeds restaurants of voorstellingen waar Kees kan schrikken, verdwalen of ruzie krijgen. Ze zei ook dat niet iedereen elke keer erbij hoefde te zijn.

Peter hoorde maar één ding: dat Kees niet meer welkom was.

Hij zei: ‘Dus nu hij lastig wordt, verdelen we hem in kleine porties zodat de rest het gezellig houdt?’

Dat kwam hard aan. Wim werd boos en zei dat Peter makkelijk praten had, omdat hij altijd dacht dat hij alles kon oplossen. Daar zit ook iets in. Peter kan heel zorgzaam zijn, maar hij neemt soms dingen over zonder te vragen of iemand dat wil of kan.

Ik heb toen gezegd wat ik al weken probeerde te formuleren. Dat Kees niet minder onze vriend is omdat hij ziek wordt. Maar dat een avond met acht mensen misschien niet meer de beste plek voor hem is. Dat wij hem ook niet helpen door te doen alsof er niets veranderd is. En dat het niet eerlijk is om van de anderen te verwachten dat ze elke vrijdag op hun tenen lopen.

Peter keek me aan alsof ik hem had verraden. Niet eens omdat ik Kees wilde laten vallen, denk ik. Meer omdat ik hardop zei dat Peters loyaliteit ook een prijs had.

Sinds dat gesprek is het stil in de groepsapp. Vrijdag eten Peter en ik bij Kees. Gewoon met z’n drieën. Ik heb soep gemaakt en brood gehaald bij de bakker. Peter wil daarna bespreken of we volgende maand toch weer met iedereen kunnen dineren, maar dan bij ons thuis, zonder drukte.

Ik weet niet of dat werkt. Misschien komt straks niemand meer. Misschien is dat precies wat ik vreesde en waar Peter bang voor is: dat Kees langzaam uit onze kring verdwijnt terwijl hij nog leeft en nog begrijpt dat mensen wegblijven.

Maar ik denk ook aan Els, die na die opmerking over haar buik de hele terugweg heeft gehuild. En aan Wim, die zijn jas aantrekt zodra Kees zijn stem verheft. Aan mezelf, als ik op vrijdagmiddag niet meer blij ben maar alleen een knoop in mijn maag voel.

Peter heeft net gevraagd of ik de wijn wil meenemen. Hij staat in de gang met zijn autosleutels al in zijn hand.

Ik doe dat straks. En ik ga vanavond gewoon naast Kees zitten, zoals altijd. Alleen weet ik niet meer wat ‘zoals altijd’ eigenlijk betekent.