Mijn vrouw wil onze vakantie opgeven voor onze beste vriend, maar ik trek het niet meer

Vorige week stond er op de keukentafel een opengevouwen folder van een vakantiepark in de Ardèche. Mijn vrouw Marjan had er met pen twee huisjes omcirkeld, een aan een rivier en een iets goedkoper huisje tegen een helling. We hadden het er al maanden over. Niet groots, gewoon drie weken weg met de auto, een koelbox achterin en om de dag ergens koffie drinken waar niemand haast heeft.

Ik zag die folder en dacht heel even: fijn, ze heeft er weer zin in.

Toen zei ze: „Als we niet gaan, kunnen we Kees misschien een tijdje meenemen naar dat huisje van zijn zus in Zeeland. Of desnoods betalen we een paar sessies bij iemand die aan huis komt. Hij zegt dat hij geen geld heeft voor al dat gedoe.”

Ik weet nog dat ik naar de waterkoker keek. Die maakte zo’n droog tikkend geluid omdat hij net klaar was. Ik zei niet meteen iets, en dat was waarschijnlijk al fout.

Kees en Anja waren ruim veertig jaar onze vrienden. We leerden elkaar kennen op de camping in Renesse, toen onze kinderen nog klein waren en iedereen te veel blikjes bier dronk omdat de kinderen toch vroeg wakker werden. Daarna kwamen de verjaardagen, de barbecue in hun tuin in Gouda, oud en nieuw, de ziekenhuisbezoeken toen Marjan haar knie moest laten vervangen. Kees hielp mij ooit een hele zaterdag met het leggen van laminaat toen we net in dit huis in Amersfoort woonden. Hij was niet iemand die groot sprak, maar als hij zei dat hij er was, dan stond hij er ook.

Daarom kwam zijn scheiding hard aan. Eigenlijk vooral omdat niemand hem had zien aankomen. Anja zei dat ze al jaren ongelukkig was. Kees zei bijna niets. Hij verhuisde naar een huurappartement op de vierde verdieping in Nieuwegein, boven een tandartspraktijk. Een kleine woonkamer, een slaapkamer waar net een bed en een kast in passen, en een balkonnetje waar altijd wind lijkt te staan.

De eerste keer dat we daar kwamen, had hij nog geen lamp boven de eettafel. Alleen een schemerlamp op de grond naast de bank. Er stonden twee verhuisdozen in de gang, maanden later nog precies zo. Hij had koffie gezet maar vergat melk te kopen, terwijl hij zelf altijd melk in zijn koffie drinkt. Dat soort dingen vielen Marjan op. Mij ook, trouwens.

Hij zei steeds: „Het gaat wel.”

Maar hij keek ons nauwelijks aan. Hij was mager geworden. Zijn haar was vettig. In de koelkast lagen een half pak kaas, drie flesjes bier en een pot augurken.

Marjan begon op donderdagmiddag bij hem langs te gaan. Eerst een uurtje. Dan nam ze soep mee of broodjes van de bakker. Ze maakte een wandeling met hem, al was het maar naar de Jumbo. Soms belde ze me vanuit zijn keuken: of ik ook wilde komen eten, want Kees had onverwacht wel gekookt. Ik ging vaak mee. Ik vond dat ik dat moest doen.

Alleen merkte ik na een tijdje dat ik al moe werd voordat we de A12 op draaiden.

Bij Kees hangt een soort stilte die niet gewoon stil is. De televisie staat zacht aan zonder dat iemand kijkt. Als je vraagt hoe zijn week was, haalt hij zijn schouders op. Als je over vroeger begint, wordt hij óf verdrietig óf hij zegt dat Anja alles kapot heeft gemaakt. En als Marjan voorzichtig begint over de huisarts, praat hij ineens over iets anders. De verwarming staat er altijd te hoog. Ik krijg het benauwd en schaam me daar vervolgens voor, omdat híj degene is die alleen zit en ík degene die naar huis kan.

Marjan zegt dat hij niet onwillig is. Ze zegt dat depressie juist maakt dat iemand geen hulp regelt.

Daar heeft ze waarschijnlijk gelijk in. Dat is het irritante: ik ben niet eens overtuigd van mijn eigen gelijk.

Maar het werd steeds meer. Donderdag werd donderdag en zondag. Daarna ook telefoontjes op avonden dat we net aan tafel zaten. Kees belde niet om iets concreets te vragen. Hij belde en ademde soms een paar tellen voordat hij zei: „Ik wist niet wie ik anders moest bellen.”

Dan veranderde Marjan meteen. Ze keek niet meer naar haar eten. Ze liep naar de bijkeuken om rustiger met hem te kunnen praten. Daarna zat ze nog een uur met haar telefoon in haar hand, alsof er elk moment iets vreselijks kon gebeuren.

Ik werd daar kribbig van. Niet op hem alleen, ook op haar. En vervolgens vooral op mezelf.

Toen kwam die folder van de Ardèche.

Ik zei: „Marjan, we kunnen niet onze vakantie opgeven omdat Kees niet naar de huisarts wil.”

Ze keek me aan alsof ik had voorgesteld hem van de trap te duwen.

„Dus we laten hem gewoon zitten?”

„Dat zeg ik niet. Ik zeg dat wij niet zijn behandeling kunnen worden.”

„Behandeling? Henk, het is Kees. Hij zit daar alleen. Hij komt sommige dagen niet eens buiten.”

Ik zei iets te hard dat hij een volwassen man is en dat hij hulp moet aannemen. Meteen daarna wist ik hoe koud dat klonk. Alsof je bij iemand die in het water ligt roept dat hij maar moet leren zwemmen.

Marjan begon te huilen, maar op die stille manier waarbij ze gewoon doorgaat met afruimen. Ze zette mijn bord in de vaatwasser en zei: „Jij begrijpt niet hoe het is om iemand langzaam kwijt te raken terwijl hij nog leeft.”

Dat vond ik oneerlijk. Ik raak hem ook kwijt. Alleen kennelijk op een andere manier.

We hebben die avond apart televisie gekeken. Ik op de bank, zij aan de eettafel met haar iPad. Ik hoorde haar appen met Anja, wat me ook nog stak. Anja is degene die vertrokken is, dacht ik kinderachtig. Alsof zij nu advies mag geven vanaf haar nieuwe huis met haar nieuwe leven.

De volgende ochtend heb ik Kees zelf gebeld. Dat deed ik eigenlijk zelden zonder dat Marjan erbij betrokken was. Hij nam pas na vier keer op.

Ik zei dat ik me zorgen maakte en dat ik graag met hem mee wilde naar de huisarts, als hij dat lastig vond. Hij zei: „Hoeft niet, Henk. Het is gewoon een rotdag.”

Ik zei dat het al maanden rotdagen waren.

Daar bleef het even stil van zijn kant. Toen zei hij: „Ik weet het.”

Meer kwam er niet. Geen afspraak, geen belofte. Maar hij klonk ineens niet boos of afwerend. Vooral moe.

Marjan en ik hebben daarna niet echt ruzie gemaakt, maar ook niets opgelost. We gaan nu nog één keer per week samen naar Kees, meestal op zondagmiddag. Marjan gaat soms extra, maar niet meer automatisch elke donderdag. Ze heeft met zijn toestemming de huisarts gebeld om te vragen hoe ze hem het best kan stimuleren, al kreeg ze natuurlijk geen inhoudelijke informatie. Kees heeft uiteindelijk zelf een afspraak gemaakt. Of hij er ook heen is gegaan, weet ik eerlijk gezegd niet zeker. Hij zei van wel. Ik heb niet doorgevraagd.

De vakantie hebben we nog niet geannuleerd. De folder ligt inmiddels onder een stapel post, naast een rekening van de energieleverancier en een kortingsbon van de Gamma. Gisteren zei Marjan dat ze het huisje in Zeeland misschien toch niet wilde, omdat Kees daar helemaal niet om gevraagd heeft.

Ik zei alleen: „Nee.”

Daarna zaten we een tijd zwijgend aan tafel. Niet goed, niet slecht. Gewoon moe van hetzelfde onderwerp, en misschien ook bang dat er geen manier bestaat waarop niemand tekortkomt.