Mijn vriend werd langzaam iemand anders, en zijn vrouw verwachtte dat wij dat elke week zouden opvangen

Ik heb nog steeds het geluid van Henk in mijn hoofd als we vroeger op zaterdagochtend naar de volkstuin fietsten. Hij kon overal een mening over hebben: over compost, over de nieuwe bestrating in de straat, over Ajax terwijl hij zelf voor Feyenoord was, puur om mensen uit de tent te lokken. Mijn vrouw Ellen en ik kennen Henk en Marijke al ruim dertig jaar. Eerst via de kinderen op de basisschool, later omdat de kinderen allang hun eigen leven hadden en wij bleven afspreken.

We gingen samen wandelen, naar kleine concerten, een paar keer per jaar een weekend weg. Niet van die mensen die elke dag bij elkaar over de vloer kwamen, maar als er iets was, belden we. Gelijkwaardig, zo voelde het altijd. Marijke regelde vaak dingen, Henk maakte grappen, Ellen en ik deden net zo goed ons deel. Niets ingewikkelds.

Twee jaar geleden begon Henk dingen te vergeten. Eerst hadden we het niet eens door. Hij vertelde op één avond drie keer hetzelfde verhaal over een lekke band bij zijn kleinzoon. We lachten er nog om. Daarna raakte hij tijdens een wandeling in het Amsterdamse Bos de weg kwijt, op een rondje dat we al jaren liepen. Marijke zei toen, een beetje te fel: „Iedereen kan toch een keer verkeerd lopen?”

Pas maanden later vertelde ze dat hij onderzocht werd. Uiteindelijk kwam er de diagnose: beginnende Alzheimer.

Ik weet nog dat ik thuiskwam na dat gesprek en veel te hard de vaatwasser inruimde. Ellen zei niets. Ze stond alleen met een theedoek in haar handen. We waren verdrietig om Henk, maar ook bang, denk ik. Niet eens alleen voor hem. Vooral om wat er met Marijke zou gebeuren. Zij is iemand die graag alles onder controle heeft. Administratie, afspraken, de kleinkinderen, zelfs welke route je het beste naar Duitsland kunt nemen. En nu was er iets wat zij niet kon organiseren.

In het begin hielpen we vanzelfsprekend. Ik ging een paar keer met Henk naar de volkstuin, omdat Marijke een afspraak bij de geheugenpoli had of gewoon even naar haar zus wilde. Ellen nam Marijke mee naar de markt. Als we toch boodschappen deden, vroegen we of zij iets nodig hadden. Dat voelde niet als een opoffering. Dat doe je voor vrienden.

Maar er kwam geen moment waarop het een beetje bleef. Elke hulp werd stilletjes een vaste taak.

Eerst belde Marijke op woensdag of ik vrijdag met Henk kon fietsen. Daarna ging ze ervan uit dat ik vrijdag kon. Later ook op dinsdag, omdat Henk anders „de hele dag doelloos rondhing”. Ellen werd gevraagd om elke donderdag koffie te drinken met Marijke, want zij moest haar verhaal kwijt en wilde niet steeds haar dochters belasten. Die wonen allebei niet om de hoek, wat ik ook wel begrijp.

Het lastige was dat Marijke het nooit bracht als een eis. Ze zei dingen als: „Jullie weten tenminste nog hoe Henk was.” Of: „Hij luistert beter naar jou dan naar mij.” Daar zit iets in waar je moeilijk nee tegen zegt.

Een keer had ik met mijn broer afgesproken om een middag naar het Spoorwegmuseum te gaan. Mijn broer woont in Drenthe en was toevallig een weekend hier. Marijke belde die ochtend. Henk wilde per se naar de volkstuin en zij had slecht geslapen.

Ik zei dat het die dag niet ging.

Aan de andere kant bleef het een paar seconden stil. Toen zei ze: „Nee hoor, natuurlijk. Jullie hebben ook je eigen leven.” Maar op zo’n toon dat ik de rest van de ochtend met een steen in mijn maag rondliep.

Ik ben uiteindelijk toch naar mijn broer gegaan. Het was gezellig, maar ik heb mijn telefoon steeds omgedraaid op tafel gelegd, alsof ik hem niet wilde zien en juist daarom voortdurend wist waar hij lag.

Ellen begon ondertussen slecht te slapen. Niet alleen vanwege Marijke, zei ze, maar ik wist wel beter. Zij nam soms niet op als Marijke belde en voelde zich daar daarna schuldig over. Ik nam juist altijd op, ook als ik onder de douche stond of bij de tandarts zat. Dan appte ik: ik bel zo terug. Ik werd er zelf ook kriegel van.

We hadden het er thuis vaak over, meestal te laat op de avond. Ellen vond dat Marijke professionele ondersteuning moest regelen. Een casemanager dementie, dagbesteding voor Henk, iemand van de Wmo, wat er allemaal mogelijk is. Ik zei dan dat het makkelijk praten was. Marijke had al zoveel aan haar hoofd.

„Ja,” zei Ellen een keer, „maar wij zijn niet het systeem dat wegvalt omdat zij geen hulp durft te vragen.”

Daar werd ik kwaad om, terwijl ik eigenlijk wist dat ze gelijk had. Ik zei dat ze hard was. Zij zei dat ik bang was dat Henk me anders niet meer als vriend zou zien. Dat kwam aan.

De echte ruzie met Marijke ontstond niet eens op een bijzonder moment. Het was bij ons aan de keukentafel, op een maandagmiddag. Henk zat in de woonkamer naar een oud wielerprogramma te kijken. Hij had al drie keer gevraagd wanneer we gingen eten, terwijl het half drie was.

Marijke had een lijstje meegenomen. Of ik Henk voortaan op maandag en vrijdag mee kon nemen, en of Ellen op donderdag bij haar kon zijn. Niet de hele dag, zei ze snel, maar gewoon voor de steun. Ook vroeg ze of wij het etentje met de oude wandelgroep wilden blijven organiseren, omdat zij dat niet meer trok en Henk anders buiten de boot zou vallen.

Ellen keek naar mij. Ik had graag gewild dat zij niet keek, want dan had ik misschien kunnen doen alsof ik nog moest nadenken.

Ik zei dat we moesten minderen. Dat we willen blijven helpen, maar niet op vaste dagen elke week. Dat we zelf ook afspraken hebben, rust nodig hebben, en dat we niet de enige mensen kunnen zijn op wie zij leunt.

Marijke werd heel stil. Ze vouwde het lijstje dubbel, precies over het midden.

„Dus als het moeilijk wordt, zijn jullie er minder,” zei ze.

Ik probeerde uit te leggen dat het niet zo simpel was. Dat Henk nog steeds mijn vriend is. Dat ik juist niet wilde dat elk contact een verplicht nummer werd. Maar hoe langer ik praatte, hoe slechter het klonk. Alsof ik een abonnement opzegde.

Ze keek me aan en zei: „Ik had gedacht dat jullie begrepen wat vriendschap betekent.”

Dat vond ik gemeen. En misschien was ik op dat moment ook gemeen terug. Ik zei dat vriendschap niet betekent dat je twee mensen zonder overleg tot mantelzorgers maakt.

Henk kwam de keuken in en vroeg waarom we zo zacht praatten. Marijke zei: „Nergens om.” Daarna trok ze zijn jas aan en gingen ze weg. Hij zei nog vrolijk: „Tot vrijdag,” terwijl ik niet wist of dat nu een vraag was of een afspraak.

Sindsdien is het anders. We zien ze minder, ironisch genoeg precies waar ik bang voor was. Marijke reageert kort op berichtjes. Soms helemaal niet. Henk belt af en toe zelf, maar dan weet hij na twee minuten niet meer waarom. Eén keer zei hij dat hij me mistte bij de tuin. Ik heb daarna in de schuur gezeten en niets gedaan, gewoon op een omgekeerde emmer.

We hebben inmiddels aangeboden om eens per twee weken met Henk iets te doen, als het in onze agenda past. Ook hebben we Marijke geholpen met het invullen van papieren voor een gesprek bij de gemeente, al weet ik niet precies wat daar uiteindelijk uitkomt. Ze vond dat eerst overdreven. Vorige week stuurde ze alleen: „Ik heb gebeld.” Geen bedankje, geen verdere uitleg.

Ellen zegt dat we moeten accepteren dat Marijke nu misschien boos op ons is omdat ze bang is. Ik probeer dat te geloven. Tegelijk ben ik ook boos op haar, en daar schaam ik me dan weer voor. Henk is ziek. Marijke draagt het zwaarste. Wie ben ik dan om ruimte voor mezelf op te eisen?

Maar vanmorgen belde ze niet. Het was vrijdag. Ik heb koffie gezet, zonder haast, en ben met Ellen naar de markt gelopen. Bij de viskraam vroeg ze of we kibbeling wilden meenemen. Ik zei ja, terwijl we dat normaal alleen deden als de kleinkinderen kwamen. Daarna fietsten we naar huis met een zakje warme kibbeling tussen ons in, en ik voelde me opgelucht en beroerd tegelijk.