Na 34 jaar vaste etentjes gaan onze vrienden nu liever zonder mijn man op vakantie
Ik heb vorige week de appgroep op stil gezet. Niet verlaten, dat durf ik blijkbaar nog niet, maar wel op stil. Elke keer als er een melding kwam, kreeg ik zo’n naar gevoel in mijn buik. Terwijl het vroeger juist de leukste appgroep was die ik had.
Wij wonen in een dorp onder Deventer, ik ben 61 en mijn man Arjen is 64. We kennen onze vaste vriendengroep al sinds de kinderen op de basisschool zaten. Zes stellen waren we ooit, nu vijf, omdat Henk drie jaar geleden is overleden. Met hem erbij was alles altijd wat luchtiger. Hij kon Arjen ook een beetje plagen zonder dat het gemeen werd.
Op donderdag aten we meestal bij elkaar. Niet iedere week precies met iedereen, maar het was wel de gewoonte. Om de beurt koken, een fles wijn op tafel, na afloop koffie met iets erbij. In de zomer zaten we in de tuin van Monique en Leo, met te veel kussens op die houten banken en altijd ruzie over de parasol. In september gingen we vaak een week naar Frankrijk of de Moezel. Niet chic, gewoon een groot huis via een site waar je met negen of tien mensen terechtkon.
Arjen was nooit de gangmaker, maar hij hoorde er helemaal bij. Hij maakte de barbecue aan, dronk speciaalbier met Leo en was degene die om half elf zei dat we nog één ronde gingen doen. Daarom snapten de anderen zijn verandering denk ik ook niet.
Het begon nadat hij een documentaire had gezien over de vee-industrie. Ik weet niet eens meer welke. Daarna ging hij van alles lezen. Eerst stopte hij met vlees. Toen met kaas, eieren en vis. Vervolgens wilde hij geen alcohol meer omdat hij vond dat hij te makkelijk dronk uit gewoonte. Daar bleef het niet bij. Hij koopt nu bijna alles tweedehands, heeft onze auto verkocht en gaat met de elektrische fiets naar zijn werk in Deventer, ook als het regent. Hij werkt nog drie dagen per week bij een installatiebedrijf, dus dat is best een eind.
In het begin vond ik het eerlijk gezegd irritant. Vooral omdat er ineens overal potjes met linzen en noten stonden waar ik niets van wist. Maar ik zag ook dat het hem goed deed. Hij viel af, sliep beter en was minder gejaagd. Na een halfjaar zei hij dat hij zich schaamde voor hoe gedachteloos hij vroeger leefde.
Dat woord, schaamde, is eigenlijk waar het misging met de rest.
Niemand had er moeite mee dat Arjen geen vlees at. Monique maakte zelfs apart iets voor hem. Alleen hij ging zich tijdens etentjes steeds ongemakkelijker gedragen. Niet expres, denk ik. Hij kon stilvallen als er een plank met oude kaas kwam. Of hij zei bij het inschenken: „Voor mij niet, ik wil niet meer meedoen aan dat normale doen over drinken.”
Dat laatste kwam verkeerd aan. Leo keek hem toen aan en zei: „Wij zitten hier toch niet met een drankprobleem?” Arjen zei meteen dat hij dat niet bedoelde, maar daarna werd het stroef. Ik voelde het al voordat ik het goed kon uitleggen. Iedereen praatte harder. Er werd sneller gelachen.
Thuis vroeg ik hem waarom hij het zo moest formuleren.
Hij zei: „Ik mag toch zeggen wat ik zelf niet meer wil?”
„Natuurlijk mag dat. Maar je zegt het alsof wij allemaal niet nadenken.”
Daar werd hij boos om. Hij vond dat ik vooral wilde dat hij zich kleiner maakte zodat anderen zich niet ongemakkelijk hoefden te voelen. Misschien zat daar iets in. Ik wilde gewoon weer een avond waarop ik niet de hele tijd aan het opletten was.
In oktober gingen we nog wel mee naar Limburg. Dat was al eerder geboekt. Arjen had aangeboden zelf boodschappen te doen en zijn eigen eten te regelen. Hij wilde niemand belasten. Maar juist dat maakte hem apart. Wij aten stoofvlees bij een eetcafé in Gulpen en hij had van tevoren thuis kikkererwtenburgers gemaakt. Die warmde hij op in de keuken van het huisje. Hij zat vervolgens met ons aan tafel met een bakje sla en een stuk brood.
Niemand zei er iets lelijks over. Maar Nanda zei wel: „Het voelt gewoon alsof wij hier zitten te vreten waar jij bij bent.”
Arjen antwoordde: „Dat is jullie gevoel, niet mijn oordeel.”
Dat is typisch zo’n zin waar je inhoudelijk misschien niet eens tegenin kunt, maar waar de hele avond toch van op slot gaat.
Ik heb die nacht in de slaapkamer zacht tegen hem gezegd dat het voor mij ook niet leuk meer was. Hij draaide zich om en zei na een tijdje: „Dus jij vindt ook dat ik maar weer moet doen alsof?”
Nee, dat vond ik niet. Alleen wist ik ook niet wat ik dan wel vond.
Vorige maand hebben we bij Monique en Leo gegeten. Arjen was thuisgebleven. Hij had gezegd dat hij geen zin meer had om aan tafel te zitten terwijl iedereen zich door hem bekeken voelde. Ik ging alleen. Het was oprecht gezellig, zeker het eerste uur. We hadden het over de verbouwing bij Nanda, over de kleindochter van Petra die naar de middelbare ging. Ik dronk twee glazen wijn, waar ik me vervolgens belachelijk schuldig over voelde.
Toen de borden waren afgeruimd, zei Monique dat ze iets lastigs wilde bespreken. Ze hadden voor volgend voorjaar naar een huis in de Ardèche gekeken. Er waren nog plekken, maar ze wilden het deze keer liever met z’n achten doen. Zonder Arjen.
Ze zei het voorzichtig. „Niet omdat we hem weg willen hebben, Marije. Maar die vakantie is voor ons ook ontspanning. We willen niet de hele week nadenken over iedere maaltijd of een fles rosé.”
Ik weet nog dat ik naar haar tafelkleed keek. Van dat blauw-witte boerenruitje, met een vlek van rode wijn erop die er nooit helemaal uitgaat. Ik had daar misschien honderd keer gezeten.
Ik vroeg: „En ik dan?”
Leo zei: „Jij bent natuurlijk altijd welkom. Maar we snappen het ook als je niet wil.”
Dat was misschien nog het eerlijkste wat ze konden zeggen, en toch deed het vreselijk veel pijn. Alsof ik niet meer een helft van ons was, maar iemand die apart beoordeeld moest worden.
Arjen reageerde thuis veel rustiger dan ik had verwacht. Hij zei dat hij het al aan had zien komen. „Ga gewoon mee als je dat wilt,” zei hij. „Ik ga jou niet opsluiten omdat ik andere keuzes maak.”
Maar daar gaat het helemaal niet om. Hij sluit me niet op. Alleen: als ik met hen naar Frankrijk ga, laat ik hem hier achter terwijl hij steeds minder aansluiting heeft bij de mensen die vroeger ook zijn vrienden waren. En als ik niet ga, raak ik misschien de enige kring kwijt waarin ik niet de vrouw van Arjen-met-zijn-principes ben, maar gewoon Marije die te veel praat als ze wijn op heeft en altijd het toetje wil maken.
In de appgroep staat nu een peiling voor de datum. Ik heb hem nog niet ingevuld. Gisteren vroeg Petra alleen of alles goed ging, met zo’n hartje erachter. Ik heb teruggestuurd: „Nog even niet.” Daarna legde ik mijn telefoon in de la bij de theedoeken.
Vanavond eet ik met Arjen linzensoep. Morgen heb ik koffie met Monique. Ik weet nu al dat ik op het laatste moment misschien afzeg.