Mijn vrouw wil twee dagen per week voor onze beste vriend zorgen, maar ik ben bang dat we ons pensioen kwijt zijn voordat het begonnen is

Vorige maand stond er ineens een wasmand van Henk en Marja in onze bijkeuken.

Niet omdat Marja geen wasmachine meer had. Ze had die ochtend gebeld of Els misschien een paar overhemden van Henk kon meenemen, want hij had zich verslikt in zijn koffie en alles zat onder. Els zei vanzelfsprekend ja. Toen ze thuiskwam, zette ze de mand neer naast onze eigen was en zei: „Ik draai die straks wel even mee.”

Ik weet nog dat ik naar die mand keek en dacht: zo begint het dus. Niet met een groot verzoek, maar met drie overhemden, een pyjamabroek en een handdoek die niet helemaal droog was.

Henk en ik kennen elkaar sinds 1984. We werkten toen allebei bij de gemeentewerf, nog voordat ik bij de groenvoorziening terechtkwam. Marja en Els leerden elkaar kennen op een verjaardag en vanaf dat moment waren we eigenlijk een viertal. Kamperen in Frankrijk, Sinterklaas met de kinderen toen die nog klein waren, zondagen waarop we om vier uur zeiden dat we echt naar huis moesten en dan om half acht nog aan de koffie zaten.

De afgelopen jaren zagen we elkaar bijna elk weekend. Vrijdagavond kaarten, zondag wandelen als het weer meewerkte. Henk was altijd degene die alvast de hapjes op tafel zette, ook al waren het alleen blokjes kaas uit zo’n plastic bakje van de Jumbo. Hij kon nergens snel mee stoppen. Zelfs een barbecue voor zes mensen werd bij hem een halve catering.

Zes jaar geleden kreeg hij Parkinson. Eerst was het vooral zijn hand. Hij lachte er zelf nog om als hij met een bibberend handschrift een score bij het rikken noteerde. „Mijn hand weet gewoon al eerder dat ik verlies,” zei hij dan.

Maar het is niet bij die hand gebleven. Hij loopt moeilijker, raakt sneller de draad kwijt en sommige dagen is hij gewoon op voordat de ochtend voorbij is. Marja doet veel. Te veel, als je het mij vraagt. Ze zegt altijd dat het gaat, maar ze draagt tegenwoordig haar telefoon zelfs mee naar de douche. Als Henk valt of in paniek raakt, wil ze het horen.

Er komt thuiszorg. ’s Ochtends hulp bij het wassen en aankleden, een paar keer per week iemand voor medicatie en controle. Er is ook huishoudelijke hulp via de Wmo, maar die komt weinig uren en niet altijd dezelfde persoon. Marja heeft van alles aangevraagd en geregeld. Ik zie haar nog zitten met een map vol papieren op tafel, terwijl Henk naast haar vroeg waar zijn bril lag. Die stond op zijn hoofd.

Twee weken geleden vroeg ze of Els en ik op dinsdag en donderdag konden komen. Niet de hele dag, zei ze snel. Dinsdag misschien de boodschappen, een was ophangen, bij Henk blijven zodat zij naar de kapper of de huisarts kan. Donderdag eventueel koken en even met hem naar buiten, als dat lukt. „Gewoon vaste momenten,” zei ze. „Dan weet ik dat ik niet alles alleen hoef te dragen.”

Els zei niet meteen ja, maar ik zag aan haar gezicht dat het antwoord er al was.

Ik heb gezegd dat we best willen helpen, natuurlijk. Maar dat ik niet wil toezeggen dat we elke week twee dagen beschikbaar zijn.

Marja keek me aan alsof ik iets heel vreemds zei. Niet boos. Eerder alsof ze me niet goed verstaan had.

„Maar jullie zijn met pensioen,” zei ze.

Dat zinnetje is blijven hangen. Alsof pensioen betekent dat je tijd hebt die blijkbaar van iedereen is, zolang je hem zelf niet dringend nodig hebt.

Els werd stil in de auto naar huis. Pas bij de rotonde, waar we altijd ruzie maken over welke afslag je moet nemen terwijl we er al jaren wonen, zei ze: „Ik snap haar wel.”

Ik snap haar ook. Dat is het probleem.

Ik ben 68 en Els is 66. Ik heb drie jaar langer doorgewerkt dan ik eigenlijk wilde, mede omdat we nog wat wilden sparen. We hadden plannen die nooit spectaculair waren. Met de auto naar Drenthe in september. Misschien een paar weken Portugal buiten het hoogseizoen. Niet meer alles hoeven plannen rond vrije dagen, oppassen of mijn werkrooster. Gewoon op een woensdag besluiten dat we naar zee gaan.

Els zegt dat dat nog steeds kan. „Alsof wij opeens gevangen zitten.”

Maar vaste dagen zijn vaste dagen. Zeker als iemand ziek is. Je zegt niet op donderdagmiddag: sorry Henk, we gaan volgende week naar de Algarve, red je maar even. En als je een keer inspringt omdat Marja een afspraak heeft, komt er vanzelf nog iets bij. Een ziekenhuiscontrole. Een nacht waarin Henk niet heeft geslapen. Een moment waarop de thuiszorg uitvalt. Ik verwijt Marja dat niet eens. Zo werkt het gewoon.

Afgelopen zondag waren we daar voor koffie. Henk zat in zijn stoel bij het raam, magerder dan ik hem ooit heb gezien. Hij had een vest aan dat volgens mij van Marja was, met veel te lange mouwen. We praatten eerst over iets onbenulligs, de nieuwe buren van hen die een trampoline hadden neergezet tegen de schutting.

Toen zei Henk ineens: „Ik word zo moe van steeds vragen.”

Niemand reageerde direct. Marja keek naar haar kopje. Els pakte de suikerpot op en zette hem weer neer zonder suiker in haar koffie te doen.

Henk vertelde dat hij soms wacht met naar de wc gaan omdat hij Marja niet alweer wil roepen. Dat hij niet meer alleen naar buiten durft, omdat hij bang is dat zijn benen halverwege weigeren. „Als jij of Els er zijn, voelt het minder alsof alles op haar schouders ligt,” zei hij tegen mij.

Dat kwam hard aan. Ik wist ook niet wat ik moest zeggen. Ik zei iets stoms als: „Nou ja, we laten jullie niet vallen.” Daar had hij natuurlijk niets aan. Het klonk alsof ik een verre kennis geruststelde na een operatie.

Thuis kregen Els en ik woorden. Niet schreeuwen, zo zijn we niet. Juist dat lage, harde praten in de keuken, terwijl de vaatwasser piept en je hem allebei negeert.

Els zei dat ze niet kon verdragen dat Marja langzaam kapotging en dat wij dan gingen doen alsof een reisje belangrijker was. Ik zei dat ik niet wilde dat we zonder het te beseffen in een zorgschema terechtkwamen waar niemand meer uit kon. Dat ik Henk wil helpen als vriend, maar niet de tweede mantelzorger van Marja wil worden.

„Wat is dan een vriend voor jou?” vroeg ze.

Daar had ik geen goed antwoord op. Ik zei dat vriendschap ook betekent dat je eerlijk moet zijn over wat je aankunt. Maar zelfs terwijl ik het zei, klonk het voor mijn eigen oren als een nette manier om afstand te houden.

De volgende ochtend heeft Els Marja gebeld. Ze heeft voorgesteld dat zij op dinsdag gaat, en ik op donderdag om Henk gezelschap te houden en, als het lukt, een stukje met hem te lopen. Geen hele dagen. We zouden het een maand proberen. Daarna moesten we opnieuw kijken, ook met de wijkverpleegkundige en misschien via het sociaal wijkteam of er meer ondersteuning mogelijk is.

Ik vond dat een redelijk voorstel. Els vond het te weinig, denk ik. Marja zei meteen dat het geweldig was. Misschien omdat ze bang was dat wij anders helemaal nee zouden zeggen.

Morgen is mijn eerste donderdag. Ik heb al bedacht dat ik soep meeneem, al weet ik niet eens of Henk die nog makkelijk kan eten. Misschien neem ik gewoon broodjes mee van de bakker en vraag ik het daar.

Els heeft vanochtend de caravanfolder weer op tafel gelegd. Niet demonstratief, gewoon naast de krant. Ik heb hem niet weggegooid. Maar ik heb hem ook nog niet opengeslagen.