Na veertig jaar vriendschap durfde ik niet meer samen op vakantie

Ik heb de caravanrit naar Zeeland afgezegd terwijl Marjan naast me aan de keukentafel zat en niets zei. Dat was misschien nog het naarste: ze was het met me eens, maar ze keek alsof we iets stukmaakten wat al veel ouder was dan die ene vakantie.

We kennen Theo en Els sinds 1987. Onze kinderen zaten op dezelfde basisschool in Amersfoort. Eerst waren het etentjes na een voetbalwedstrijd, later weekends weg, kamperen in Frankrijk toen iedereen nog rugzakken en luchtbedden kon tillen zonder er drie dagen last van te hebben. Theo regelde altijd alles. Hij had zo’n mapje met reserveringen, routes, bonnetjes. Els en Marjan konden uren in een museum blijven hangen terwijl Theo en ik buiten een koffie deden en mopperden op de prijs.

Het was nooit zo dat wij voor hen zorgden of zij voor ons. Als iemand te veel wijn had gedronken, reed de ander. Als er een kind ziek was, haalde iemand boodschappen. Gewoon normaal, over en weer.

Vier jaar geleden kreeg Theo de diagnose Parkinson. Niet de snelle, dramatische versie die je soms op televisie ziet. Hij is niet terminaal en hij is geestelijk nog helemaal Theo. Juist daarom is het ingewikkeld. Hij wil alles nog. Hij zegt ook vaak: “Ik ben niet dood, hè.” En daar heeft hij natuurlijk gelijk in.

Maar zijn lichaam doet niet meer zomaar mee. De ene dag loopt hij redelijk, de volgende dag staat hij twintig minuten bij de voordeur te prutsen omdat zijn benen niet op gang komen. Hij raakt snel moe, zeker als er veel geluid of gedoe is. Een terras met ongelijke stoeptegels, een parkeerplaats ver van de ingang, een trap naar een toilet: voor mij zijn dat dingen waar ik vroeger niet eens naar keek. Nu scan ik ze automatisch.

In het begin vond ik dat helemaal niet erg. Natuurlijk haal je een vriend op als hij niet meer prettig rijdt. Natuurlijk loop je naast hem als hij onzeker is. Ik ben zelf ook geen jonge vent meer; ik heb een versleten knie. We deden wat rustiger aan. Geen probleem.

Alleen werd ‘wat rustiger’ steeds vaker ‘alles anders’.

Als we gingen fietsen, moest ik Theo op de elektrische fiets in de gaten houden omdat hij soms te laat remde. Bij een wandeling liep ik aan zijn kant, met mijn arm losjes achter zijn rug, klaar voor als hij wegzakte. Els is klein en heeft zelf last van haar schouder, dus die kan hem niet goed opvangen. Marjan hielp dan ondertussen met jassen, medicijnen, een plek zoeken waar hij kon zitten. Zonder dat we het bespraken, was er een soort taakverdeling ontstaan.

Theo merkte het volgens mij wel, maar hij deed alsof het niet zo was. Of misschien móést hij wel doen alsof. Als ik zei dat een route misschien te lang was, zei hij: “Ach, we zien wel.” Dat klonk luchtig, maar vervolgens zag ik hem na drie kwartier bleek worden en kortademig kijken.

En dan kwam het moment waarop ik toch zei: “Zullen we teruggaan?”

Daar werd hij vaak boos van. Niet schreeuwen, maar dat stugge. “Jullie hoeven je niet steeds aan mij aan te passen.”

Maar dat deden we al. De hele dag.

Vorig najaar gingen we een weekend naar Maastricht. Het was Els haar idee, omdat ze daar vroeger met haar ouders kwam. Ik had vooraf gevraagd of een hotel dicht bij het centrum niet handiger was. Theo wilde per se dat appartement dat Els op Booking had gevonden, “lekker ruim en goedkoper”. Op de foto’s zag het er prima uit. In werkelijkheid zat het boven een winkel, met een smalle trap en geen lift.

Ik heb Theo die trap niet letterlijk gedragen, maar het scheelde weinig. Hij wilde geen hulp, waardoor het juist gevaarlijk werd. Boven was hij kapot. Die avond ging Marjan met Els nog even naar de stad. Ik bleef bij Theo omdat hij zei dat hij niet alleen wilde blijven. We keken naar een voetbalwedstrijd die hij nauwelijks volgde. Om half elf zei hij dat hij naar bed wilde en vroeg hij of ik kon helpen met zijn sokken.

Dat deed ik. Wat moest ik anders?

Toen ik later in bed lag, zei Marjan heel zacht: “Ik voel me een slecht mens, maar ik heb hier geen zin meer in.”

Ik zei dat zij dat niet zo moest zeggen. Maar ik voelde precies hetzelfde.

De dagen daarna appte Theo alsof Maastricht geweldig was geweest. Hij stuurde een foto van ons vieren op het Vrijthof. Op die foto lachen we allemaal. Als je niet weet wat eraan voorafging, zie je vier mensen die het goed hebben samen.

In januari begon Els over onze vaste voorjaarsvakantie. Normaal gingen we dan een week naar een huisje in Drenthe of de Achterhoek. Theo wilde graag naar de Veluwe. Hij had al gekeken naar een bungalowpark met een zwembad en zei dat er vast een scootmobiel gehuurd kon worden.

Ik voelde mijn maag meteen samenknijpen. Niet eens door dat idee van die scootmobiel. Eerder omdat ik al wist hoe het zou gaan: ik zou hem ophalen, zijn tas dragen, uitzoeken waar hij kon opladen, meelopen naar het restaurant, opletten als hij moe werd, en de enige zijn die hem zou kunnen helpen als hij ’s nachts naar het toilet moest.

Els zou zeggen dat het wel losliep. Marjan zou stil worden omdat zij geen scène wilde. En Theo zou zich groot houden totdat het niet meer ging.

Ik heb twee weken gewacht met reageren. Laf, ik weet het. Uiteindelijk belde Els me op.

“Heb je het gezien? Theo wil graag snel boeken, anders zijn de aangepaste huisjes weg.”

Ik zei dat ik eerst met Marjan moest overleggen.

Ze viel even stil. “Is er iets?”

Toen heb ik het er maar uitgegooid. Niet netjes, niet goed voorbereid. Ik zei dat ik bang was dat het voor mij geen vakantie meer zou zijn. Dat ik merkte dat ik voortdurend verantwoordelijk ben zodra we samen weggaan. Dat ik Theo niet wil laten vallen, maar dat ik het ook niet meer aankan alsof ik zijn mantelzorger ben.

Els begon te huilen. Geen hard huilen, meer dat ingehouden ademhalen. Ze zei: “Dus nu kan er gewoon niks meer met hem?”

Dat had ik niet gezegd, maar ik snapte wel waarom zij het hoorde.

Een paar uur later belde Theo zelf. Hij was heel rustig. Dat maakte het erger.

“Je had het ook tegen mij kunnen zeggen, Henk.”

Ik zei dat ik dat had moeten doen.

“Je vindt het dus te veel gedoe.”

“Nee,” zei ik. “Ik vind jou geen gedoe. Maar sommige dingen zijn te veel voor mij geworden.”

Hij lachte kort. “Dat is ongeveer hetzelfde.”

Daarna hebben we weken nauwelijks contact gehad. Marjan stuurde Els nog een kaartje toen zij jarig was. Els reageerde vriendelijk, maar afstandelijk. Theo stuurde in onze groepsapp een foto van een wandelstok met de tekst: ‘Nieuwe aanwinst.’ Niemand wist goed wat we moesten zeggen. Ik zette een duimpje. Daar schaam ik me nog steeds voor.

Vorige maand zijn Marjan en ik met z’n tweeën drie dagen naar Terschelling geweest. We hebben gefietst, veel te veel koffie gedronken en een keer zonder plan door West gelopen. Ik merkte hoe opgelucht ik was dat ik nergens op hoefde te letten. Die opluchting voelde bijna als verraad.

Sinds kort drinken we af en toe weer koffie bij Theo en Els thuis. Niet te lang. Geen uitjes waar een heel programma aan hangt. Theo is soms gewoon zichzelf en maakt grappen over de slechte koffie van Els. Soms zit hij stil en kijkt hij naar zijn handen.

Over een gezamenlijke vakantie hebben we het niet meer gehad. Ik weet niet of dat betekent dat het voorbij is, of dat we er alle vier nog omheen lopen.

Volgende week wil Theo naar het Spoorwegmuseum met zijn kleinzoon. Hij appte of ik mee wil, omdat zijn zoon die dag moet werken. Ik heb ja gezegd. Niet omdat alles weer goed is, maar omdat ik hem niet alleen kwijt wil raken terwijl hij er nog is. Ik heb wel meteen gevraagd hoe laat we teruggaan.