Na veertig jaar vriendschap vroeg Marijke of wij drie dagen per week voor hen wilden zorgen
Vorige week heb ik onze camperplek in Drenthe afgezegd. Niet omdat we niet wilden gaan, maar omdat ik niet meer wist of we wel weg kónden.
Kees en ik zijn allebei 63. Hij is sinds januari met pensioen en ik sinds maart. We hadden daar jarenlang naar uitgekeken, op een beetje nuchtere Nederlandse manier. Niet dat we dachten dat we ineens elke maand naar Thailand zouden vliegen. Maar wel: in het voorjaar met de camper weg, eindelijk die cursus keramiek voor mij, Kees die bij de fietsclub wilde, doordeweeks naar een museum zonder op de klok te kijken. Kleine dingen waar we steeds van zeiden: later, als we tijd hebben.
Marijke en Pieter kennen we al veertig jaar. We woonden vroeger twee straten van elkaar in Amersfoort. Onze kinderen zaten bij elkaar in de klas, we vierden oud en nieuw samen, gingen kamperen in Frankrijk met twee veel te kleine tenten en een koelbox die het nooit goed deed. Toen mijn moeder stierf, stond Marijke met een pan soep voor de deur zonder dat ik haar had gebeld. Toen Kees na zijn reorganisatie een tijd thuiszat, nam Pieter hem iedere woensdag mee om ergens koffie te drinken, ook al zei Kees steeds dat het niet hoefde.
Zo ging dat tussen ons. Niet bijhouden wie wat deed. Maar wel allebei geven en allebei ontvangen.
Pieter begon ongeveer twee jaar geleden te veranderen. Eerst waren het kleine dingen. Hij vergat dat hij ons had verteld dat zijn broer een nieuwe heup had. Hij maakte ineens rare grappen op momenten dat het stil viel. Een keer kwam hij bij ons eten en kon hij niet meer bedenken waar hij zijn auto had geparkeerd. We lachten er toen nog een beetje om, allemaal ongemakkelijk. ‘Mijn hoofd is een vergiet,’ zei hij zelf.
Daarna ging het sneller dan ik had verwacht. Hij werd onderzocht, er kwamen afspraken in het ziekenhuis, gesprekken waar Marijke steeds stiller van terugkwam. Uiteindelijk zeiden ze dat het waarschijnlijk een vorm van dementie was, maar dat ze nog niet precies konden zeggen hoe het zou verlopen. Pieter heeft ook lichamelijk veel last. Hij loopt onzeker, is een keer in de badkamer gevallen en durft niet meer alleen naar buiten.
Marijke doet nu bijna alles. De administratie, de boodschappen, zijn medicijnen klaarzetten, koken, bellen met de huisarts, meegaan naar afspraken. Ze slaapt slecht omdat Pieter soms ’s nachts opstaat en dan denkt dat hij naar zijn werk moet. Hij was vroeger financieel adviseur. Soms zit hij om half vier ’s nachts aangekleed op de rand van het bed met zijn oude leren tas naast zich.
Ik begrijp heel goed dat Marijke op is. Echt. Als ik bij haar aan tafel zit, zie ik aan alles dat ze nauwelijks meer ruimte in haar hoofd heeft. De wasmand staat vol, er liggen ongeopende enveloppen naast de fruitschaal en ze drinkt koffie die al koud is voordat ze eraan toekomt.
Ze vroeg eerst af en toe of ik mee wilde naar de supermarkt, of Pieter een uurtje gezelschap kon houden terwijl zij naar de kapper ging. Dat deden we. Zonder nadenken. Kees heeft zelfs een handgreep in hun hal gemonteerd, omdat Pieter daar een keer bijna onderuitging.
Maar vorige maand kwam Marijke hier op een dinsdagmiddag. Ze had niet gebeld. Ze stond voor de deur met een regenjas aan, terwijl het droog was. Ik weet nog dat ik dacht: die heeft zich gewoon aangekleed zonder naar buiten te kijken.
Ze ging aan onze keukentafel zitten en zei dat ze het niet meer redde.
Kees en ik zeiden meteen dat we wilden helpen. Dat meenden we ook. Alleen toen kwam het concrete deel.
Marijke had een schema gemaakt. Dinsdag, donderdag en vrijdag. Dinsdag kon ik helpen met schoonmaken en boodschappen. Donderdag wilde ze dat Kees bij Pieter bleef, zodat zij kon slapen of dingen regelen. Vrijdag zouden we samen kunnen koken, wassen opvouwen en ‘gewoon een beetje de sfeer erin houden’, zoals ze het zei.
‘Het hoeft niet de hele dag,’ zei ze. ‘Maar wel vast. Anders moet ik elke week opnieuw rondbellen.’
Ik keek naar dat vel papier op tafel. Er stonden tijden bij. Van tien tot vier, meestal. Kees keek er ook naar, maar zei niets.
Ik denk dat Marijke aan ons zag dat we schrokken. Ze trok haar mond strak en zei meteen: ‘Ik vraag het niet voor mezelf. Pieter heeft vertrouwde mensen nodig. Jullie kennen hem langer dan bijna iedereen.’
Dat was natuurlijk waar. Juist daarom voelde het zo naar om niet direct ja te zeggen.
We hebben gezegd dat we erover wilden nadenken. Die avond kregen Kees en ik voor het eerst sinds zijn pensioen echt ruzie. Niet hard, niet met deuren slaan. Eerder dat vermoeiende soort ruzie waarbij allebei dezelfde zinnen herhalen.
Kees vond dat we niet konden doen alsof dit ons niet aanging. ‘Als ik zo achteruit zou gaan, zou jij toch ook hopen dat Pieter af en toe kwam?’
Ik zei dat af en toe iets anders is dan drie vaste dagen per week. Dat Marijke geen vriendendienst vroeg, maar een deel van de mantelzorg. En dat ik bang was dat als we hiermee begonnen, het nooit meer minder zou worden.
‘Dus omdat we eindelijk vrij zijn, mogen we niemand meer nodig hebben?’ vroeg hij.
Dat kwam hard aan, omdat ik zelf ook bang ben dat ik egoïstisch ben. Mijn vader heeft jarenlang voor mijn oma gezorgd en ik weet nog hoe hij op een gegeven moment nergens anders meer over sprak. Alleen medicijnen, indicaties, nachten niet slapen. Hij werd er niet aardiger van, maar vooral kleiner.
Twee dagen later belde ik Marijke. Ik zei dat drie dagen ons niet lukte. Dat we best één vaste dag wilden doen en daarnaast konden inspringen als er echt iets was. Ik had die woorden van tevoren opgeschreven, wat achteraf belachelijk klinkt, maar anders was ik gaan draaien.
Aan de telefoon bleef het even stil.
Toen zei ze: ‘Ik dacht eigenlijk dat echte vrienden er voor elkaar zijn als het er echt toe doet.’
Niet schreeuwen, niet huilen. Gewoon vlak. Misschien maakte dat het erger.
Ik zei iets als: ‘Dat zijn we toch ook?’ Maar ik hoorde zelf hoe zwak het klonk.
Marijke zei dat ze niet wist hoe ze het anders moest organiseren. De thuiszorg kwam maar kort voor de persoonlijke verzorging. Dagbesteding was nog niet geregeld en Pieter wilde daar voorlopig niets van weten. Haar zus woont in Zeeland en haar kinderen hebben drukke banen en jonge gezinnen. Ik snap dat allemaal. Alleen: het maakte onze dinsdag, donderdag en vrijdag nog steeds niet ineens van haar.
Sinds dat gesprek is het anders tussen ons. We gaan nog wel. Kees is afgelopen donderdag met Pieter naar de bakker gelopen, heel langzaam, alsof ze allebei opnieuw moesten leren oversteken. Ik heb Marijke geholpen met een stapel post en we hebben daarna soep gegeten uit een zak. Ze was vriendelijk, maar ook afstandelijk. Of ik beeld me dat in, dat kan ook.
Onze camper staat nog op de oprit. De reservering in Drenthe is weg. Kees zegt dat we alsnog ergens heen moeten, al is het maar een midweek. Ik wil dat ook, maar ik voel me er misselijk bij als ik denk aan Marijke die alleen wakker wordt omdat Pieter door het huis loopt.
We hebben nu afgesproken dat we dinsdagmiddag vast gaan. Geen hele dag, geen drie dagen. Kees brengt Pieter dan soms naar buiten en ik doe wat er in huis nodig is. Voor de rest zoekt Marijke hulp via de casemanager die bij hen betrokken is, al weet ik dat dat niet betekent dat er morgen een oplossing is.
Ik ben nog steeds boos om die opmerking over echte vrienden. Tegelijkertijd denk ik soms dat ik hem zelf ook had kunnen maken als onze rollen waren omgedraaid.
Morgen ga ik de camper opnieuw inpakken. Niet voor Drenthe, maar voor vier nachten op de Veluwe. Ik heb Marijke nog niet verteld dat we gaan.