Na dertig jaar vriendschap durfde ik voor het eerst te zeggen dat ik niet kon komen

Vorige week dinsdag zat ik om kwart voor acht al in de auto, met een thermos koffie tussen mijn benen en een oude krant op de passagiersstoel. Ik moest Henk om negen uur naar het ziekenhuis in Nieuwegein brengen voor zijn infuus. Dat doe ik bijna elke dinsdag, tenzij het verzet wordt. Soms is het donderdag. Soms moet ik hem ook weer ophalen, afhankelijk van hoe hij reageert.

Het was mistig en koud, zo’n ochtend waarop je normaal nog eens omdraait als je niet hoeft te werken. Ik keek naar ons huis, naar het licht in de keuken waar Marianne nog stond. We zouden die dag eigenlijk naar de markt in Utrecht gaan. Gewoon een beetje lopen, visje eten, misschien even bij de boekhandel kijken. Niks bijzonders. Juist daarom had ik er zin in.

Henk woont twaalf minuten verderop, in hetzelfde dorp. We kennen hem en Els al sinds 1988. Onze kinderen zaten ongeveer tegelijk op de basisschool. We hebben samen gekampeerd in Frankrijk, elkaar geholpen met verbouwingen, verjaardagen gevierd in achtertuinen waar altijd net te veel mensen op te kleine klapstoelen zaten. Toen mijn vader overleed, stond Henk zonder dat ik erom gevraagd had met een pan macaroni voor de deur. Toen Els haar baan bij de bibliotheek kwijtraakte, heeft Marianne wekenlang met haar gewandeld.

Ik zeg dit niet om bij te houden wie wat voor wie heeft gedaan. Zo was onze vriendschap nooit. Het ging vanzelf.

Twee jaar geleden kreeg Henk de diagnose reumatoïde artritis, behoorlijk agressief volgens de reumatoloog. Niet dodelijk, zei hij zelf altijd snel erbij, alsof wij anders in paniek zouden raken. Maar zijn handen werden stijf, zijn knieën deden pijn, en op sommige dagen kwam hij amper de trap op. De medicijnen helpen gedeeltelijk, maar maken hem ook moe en misselijk. Els heeft zelf artrose aan haar heupen en rijdt niet graag meer op de snelweg.

In het begin waren we er gewoon. Natuurlijk waren we er. Ik reed hem naar afspraken, Marianne deed soms boodschappen voor hen, en als Henk een slechte week had, hielp ik met een lamp ophangen of afval naar de milieustraat brengen. Els belde dan vaak met de zin: ‘Het is echt vervelend om te vragen, maar…’

Na een tijdje hoefde ze die zin niet meer af te maken.

Het werd dinsdag ziekenhuis, donderdag apotheek of bloedprikken, zaterdag boodschappen omdat Henk niet mee kon. Soms appte Els om half negen ’s avonds of ik de volgende ochtend even kon kijken naar de cv-ketel, of Marianne misschien een was kon opvouwen omdat haar handen zo opspeelden. Niet elke keer. Maar vaak genoeg dat we onze agenda er ongemerkt omheen begonnen te bouwen.

Marianne zegt dan: ‘Ze hebben ons nodig, Kees.’

En dat is waar. Daar kan ik ook niet tegenin.

Maar ik ben geen jongen meer. Ik heb jarenlang bij de gemeente gewerkt, eerst buiten, later als opzichter. Vroeg op, gedoe met aannemers, altijd bereikbaar als ergens een stoeptegel verkeerd lag of een speeltoestel stuk was. Toen ik met pensioen ging, had ik geen grootse plannen. Ik wilde juist tijd die nergens voor nodig was. Fietsen als het droog was. Een paar dagen weg zonder dat ik eerst drie mensen hoefde te regelen. In de tuin rommelen. Misschien een keer op dinsdag niet eens weten welke dag het is.

Dat klinkt ontzettend egoïstisch als ik het zo opschrijf. Misschien is het dat ook een beetje.

Die dinsdag in de auto zei Henk op weg naar Nieuwegein dat hij zich schuldig voelde. Hij keek naar buiten en zei: ‘Jij bent mijn vaste chauffeur geworden, hè.’ Hij lachte er een beetje bij, maar niet echt.

Ik had kunnen zeggen: joh, onzin. Dat zei ik vroeger altijd.

In plaats daarvan zei ik: ‘We moeten misschien eens kijken of er iets via de Wmo kan, of een vrijwilliger voor het vervoer. Niet omdat ik niet wil, maar gewoon als aanvulling.’

Hij werd stil. Ik zag zijn kaak bewegen. Na een paar minuten zei hij: ‘Dus ik ben nu een dossier geworden?’

Ik voelde meteen dat ik het verkeerd had gezegd. Of te vroeg. Of allebei.

‘Nee, zo bedoel ik het niet.’

‘Je bedoelt dat ik anderen moet lastigvallen in plaats van jullie.’

De rest van de rit ging de radio aan. NPO Radio 2, een nummer uit de jaren tachtig waar we vroeger waarschijnlijk hard om meegezongen hadden. Nu hoorde ik alleen de richtingaanwijzer.

Thuis vertelde ik het aan Marianne. Ze werd niet boos op de manier waarop mensen in films boos worden. Ze zette de waterkoker uit terwijl hij nog niet kookte en keek me aan alsof ik iets breekbaars had laten vallen.

‘Kees, hij heeft al zo weinig over,’ zei ze. ‘Hij kan niet eens meer spontaan de deur uit. En dan ga jij beginnen over vrijwilligers?’

Ik zei dat vrijwilligers geen schande zijn. Dat er huishoudelijke hulp bestaat, vervoer, misschien iemand die af en toe mee kan naar een afspraak. Ik zei ook dat ik niet elke week beschikbaar kan blijven, zeker niet nu we zelf ouder worden.

‘Wij zijn nog hartstikke fit,’ zei zij.

Dat vond ik oneerlijk, want zij klaagt zelf al maanden over haar schouder en ik slik sinds vorig jaar pillen voor mijn bloeddruk. Fit is relatief. En bovendien: het gaat niet alleen om wat je lichamelijk nog kunt. Ik merk dat ik nerveus word zodra mijn telefoon trilt. Niet omdat ik Henk niet wil spreken, maar omdat ik bang ben dat ik weer nee moet zeggen.

Afgelopen zondag gingen we toch bij hen koffie drinken. Els had appeltaart gebakken, al was hij wat te donker aan de rand. Henk zat in zijn sta-opstoel met een plaid over zijn benen. Er lag een folder van de gemeente op tafel, toevallig of niet, over ondersteuning thuis.

Marianne praatte vooral met Els over de kinderen en een buurvrouw die gaat verhuizen. Henk zei weinig. Toen ik opstond om koffie in te schenken, hoorde ik hem tegen Marianne zeggen: ‘Blijkbaar zijn we te veel geworden.’

Marianne keek naar mij. Niet boos dit keer. Eerder verdrietig. Alsof ik iets had gedaan wat we samen niet meer konden terugdraaien.

Maar ik wist ook dat ik niet kon beloven dat alles zou blijven zoals het was. Dat zou liegen zijn. Henk is niet tijdelijk ziek. Misschien worden de medicijnen beter, misschien ook niet. Als ik elke keer ja blijf zeggen omdat we al dertig jaar vrienden zijn, wordt de irritatie groter. En ik ben bang dat ik dan op een dag juist hard uitval om iets kleins, een vergeten boodschap of een afspraak die weer verschuift. Daar heeft niemand iets aan.

Gisteravond heb ik Els gebeld. Ik heb gezegd dat ik dinsdag nog rijd, maar dat we daarna samen moeten uitzoeken wat er mogelijk is. Niet als afscheid, zei ik, maar omdat we dit niet met z’n vieren alleen kunnen blijven dragen. Ze zei eerst niets. Toen zei ze: ‘Henk gaat dat heel moeilijk vinden.’

‘Ik ook,’ zei ik.

Morgen gaan Marianne en ik naar de huisarts voor haar schouder. Daarna wilde ik eigenlijk langs de fietsenmaker, want mijn achterrem loopt aan. Henk heeft vanmiddag geappt of ik vrijdag een kastje voor hem kan monteren. Ik heb het bericht gezien. Ik heb nog niet geantwoord.