Ik wilde mijn beste vriend niet laten vallen, maar ineens draaide ons pensioen om zijn ziekte

Het begon met een appje over kattenvoer.

Kees stuurde me op een dinsdagochtend om kwart over zeven: of ik misschien even bij de Welkoop langs kon, want Marijke had een merk nodig dat ze nog een beetje at en hij had slecht geslapen. Ik lag nog in bed. Els lag naast me wakker, dat hoorde ik aan haar ademhaling, maar we deden allebei alsof we het bericht niet hadden gezien.

Dat klinkt misschien hard. Alleen: die week was ik al drie keer boodschappen voor ze gaan doen, had Els twee middagen bij Marijke gezeten tijdens haar chemo en hadden we zondag ons etentje met mijn broer afgezegd omdat Kees in paniek belde. Zijn wasmachine lekte. Of nou ja, er lag een plas onder en hij wist niet wat hij ermee moest.

We zijn allebei 68. Vorig jaar zijn Els en ik vanuit Amersfoort naar een dorpje net buiten Assen verhuisd. Niet helemaal rationeel misschien, want onze dochter woont nog in het westen en onze zoon in Deventer, maar we wilden ruimte. Een tuin waar ik tomaten kon proberen te kweken, een schuurtje, geen buren die je door de muur hoort telefoneren. We hadden een jaren-tachtigwoning gekocht die eigenlijk te duur was, maar na de verkoop van ons huis kon het net.

Kees en Marijke woonden hier al. We kennen elkaar sinds 1984, van de camping in Frankrijk. Onze kinderen waren klein, onze tentstokken waren kwijt en Kees had toevallig een rol ducttape. Zo is het begonnen. Later hebben we verjaardagen, banenwissels, overleden ouders en het gedoe met pubers samen meegemaakt. Zij waren die vrienden bij wie je zonder aankondiging binnenloopt en dan toch koffie krijgt, ook als het huis een puinhoop is.

Toen Marijke in februari te horen kreeg dat ze uitgezaaide alvleesklierkanker had, stond voor mij buiten kijf dat we zouden helpen. Natuurlijk. Wat moet je anders doen?

In het begin was het heel concreet. Ik reed Kees en Marijke naar het Wilhelmina Ziekenhuis in Assen als hij niet wilde autorijden na zo’n gesprek. Els maakte grote pannen soep. We haalden medicijnen op bij de apotheek. Soms zat ik met Kees in de bijkeuken terwijl Marijke boven sliep, en dan zei hij dingen als: „Ik snap niet hoe mensen dit volhouden.” Ik had daar geen antwoord op. Dus ik schonk hem nog een glas wijn in, hoewel het pas half vijf was.

Het lastige was niet dat hij hulp vroeg. Het lastige was dat hij na een tijdje niet meer echt vroeg.

Hij belde bijvoorbeeld op zaterdagmiddag.

„Henk, je komt toch morgen even?”

Ik zei dat Els en ik naar mijn zus in Zwolle zouden gaan. Dat stond al weken vast; zij werd 65.

Het bleef even stil.

„Ja, logisch,” zei Kees toen. „Maar Marijke vindt de zondagen zo moeilijk.”

Daar zat ik dan. Mijn zus had de laatste jaren ook nogal wat voor haar kiezen gehad, maar ineens voelde haar verjaardag als iets frivools. Alsof wij gingen doen alsof alles gewoon door kon gaan terwijl bij hen thuis alles stilstond.

We gingen uiteindelijk pas later naar Zwolle. Niet omdat Kees nadrukkelijk eiste dat we bleven, dat deed hij meestal niet. Hij zei vaak juist: „Nee joh, laat maar, ik red me wel.” Maar daarna hoorde Els aan zijn stem dat hij dat niet meende. En Marijke was dan soms zo stil dat je je een verrader voelde als je je jas aantrok.

Els was beter in het praktische. Zij zette afspraken in een schriftje dat op hun aanrecht lag. Thuiszorg op woensdag, controle op vrijdag, wie er soep bracht, wanneer de container aan de weg moest. Op een gegeven moment zei ze bij ons thuis: „Ik heb het gevoel dat ik daar meer woon dan hier.”

Ik vond dat overdreven. Tenminste, dat zei ik. Ik was zelf ook moe, maar ik wilde niet degene zijn die klaagde over vermoeidheid terwijl Marijke misselijk in bed lag en bang was om alleen gelaten te worden.

Toch begon ik kleine dingen irritant te vinden. Dat Kees mij belde omdat hij niet wist hoe de vaatwasser aan moest, terwijl dat ding al twaalf jaar in zijn keuken stond. Dat hij vroeg of ik mee kon naar een gesprek met de huisarts, maar vervolgens vergat dat ik diezelfde ochtend naar de mondhygiënist moest. Dat hij zonder te overleggen aan Marijke vertelde dat Els maandag wel bij haar zou zijn, terwijl Els die dag met een oud-collega had afgesproken.

Die oud-collega-afspraak ging overigens ook niet door. Els zei dat ze geen zin had in uitleggen. Ze stuurde een berichtje dat ze zich niet fit voelde. Daarna zat ze met haar telefoon in haar hand aan de keukentafel en zei ze: „Ik lieg nu tegen mensen omdat Kees ervan uitgaat dat ik beschikbaar ben.”

Daar schrok ik van, vooral omdat ik wist dat ze gelijk had.

De uitbarsting kwam niet eens door iets groots. Kees belde op een donderdagavond. We zouden eindelijk naar het dorpshuis gaan voor een optreden van een folkbandje. Kaartjes waren niet duur, twaalf euro of zo, maar we hadden er zin in. Gewoon even tussen andere mensen zitten zonder dat het over bloedwaarden, eten of slapeloze nachten ging.

Kees vroeg of ik langs kon komen om de administratie uit te zoeken. Er lagen rekeningen en hij raakte in de war van de zorgverzekeraar.

Ik zei: „Morgen, Kees. Vanavond lukt niet.”

Hij werd niet boos. Dat was misschien erger.

„Nee, prima,” zei hij. „Ik dacht alleen: jij snapt dat soort dingen. Maar ga maar lekker naar je muziek.”

Ik weet nog dat ik naar Els keek. Zij trok haar jas niet aan. Ze stond alleen daar in de gang met haar tas over haar schouder, en ik voelde ineens een enorme vermoeidheid. Niet alleen van die avond. Van maanden steeds paraat staan.

Ik zei tegen Kees dat het niet eerlijk was om het zo te brengen. Dat wij echt wilden helpen, maar dat we niet elke avond konden laten vallen zodra hij belde. Dat Els geen tweede thuiszorgmedewerker was en ik geen vervanger voor alles wat hij vroeger samen met Marijke deed.

Hij zei heel zacht: „Zij gaat dood, Henk.”

Daar kon ik niets tegenin brengen. Ik heb ook niets tegenin gebracht. Ik zei alleen iets stoms over dat wij ook niet jong meer waren en dat ik bang was dat Els eronderdoor ging. Hij hing op zonder gedag te zeggen.

We zijn die avond niet naar het dorpshuis gegaan. De kaartjes liggen nog in de la bij de foldertjes van de fietsenmaker.

De volgende ochtend ging Els toch naar Marijke. Ik wilde dat eerst niet. Ik vond dat Kees best een keer mocht voelen dat wij niet op afroep kwamen. Maar Els zei: „Ik ga niet voor hem. Ik ga voor haar.” Daar had ze opnieuw gelijk in, en daar werd ik chagrijnig van.

Marijke wist blijkbaar dat er iets was gebeurd. Ze lag op de bank met een deken over zich heen. Ze zag er kleiner uit dan een paar weken daarvoor. Ze pakte Els’ hand en vroeg of wij boos waren.

Els vertelde me dat ze alleen had gezegd dat we moe waren en soms niet wisten hoe we het goed moesten doen. Marijke begon te huilen. Niet hard. Meer tranen die bleven komen terwijl ze naar het plafond keek.

Sindsdien is het niet echt opgelost. We hebben met Kees afgesproken dat hij op zondagavond met ons doorneemt wat er die week nodig is. Als het lukt. Hij belt nog steeds tussendoor, natuurlijk. Soms is het dringend, soms is hij gewoon eenzaam en wil hij dat blijkbaar niet zeggen.

Ik ben weer een keer bij mijn zus geweest. Els heeft vorige week koffie gedronken met haar oud-collega. We voelen ons daar allebei bijna schuldig over, wat belachelijk is, maar zo werkt het kennelijk.

Vanmorgen heb ik kattenvoer gehaald. Niet omdat Kees het vroeg, maar omdat ik toch naar het dorp moest voor brood. Ik heb het bij de achterdeur gezet en ben daarna meteen doorgelopen. Thuis heb ik de tomaten water gegeven. Ze doen het trouwens slecht dit jaar, maar ik blijf er maar mee rommelen.