We dachten dat we Marijke tegen zichzelf beschermden, maar ze zei dat we haar juist kwijt waren

De stoel van Henk staat nog steeds bij ons aan tafel.

Niet letterlijk altijd, natuurlijk. Els schuift hem weg als de kleinkinderen komen, en met kerst hebben we er een extra kinderstoel voor Noortje neergezet. Maar in mijn hoofd is het nog Henks stoel, rechts van mij. Daar zat hij veertig jaar lang ongeveer hetzelfde te doen: te veel zout op zijn eten strooien voordat hij geproefd had, mopperen op de politiek, en na twee glazen wijn vertellen dat hij eigenlijk best gelukkig was.

We waren met z’n vieren vanaf de camping in Frankrijk in 1983. Els en Marijke stonden bij de afwasplaats te klagen over een kapotte gasfles. Henk en ik boden aan te helpen, maakten het erger en zijn daarna maar bier gaan halen. Zo begon het. Later kochten we bijna tegelijk een huis in dezelfde wijk in Amersfoort. Onze kinderen werden min of meer samen groot. We gingen ieder jaar een week naar Texel, daarna naar Portugal toen de knieën slechter werden. Als er iets was, belden we elkaar eerder dan familie.

Toen Henk in november overleed, na die rotziekte die eerst nog behandelbaar leek en toen ineens niet meer, waren Els en ik er veel. Misschien te veel, achteraf. We deden boodschappen voor Marijke, reden haar naar afspraken, haalden post van de mat als ze een paar dagen niet beneden was geweest. Ze zei steeds dat ze blij met ons was.

In januari vertelde ze tijdens het eten dat ze haar huis ging verkopen.

Ze zei het heel gewoon, terwijl ze sperziebonen opschepte die ze veel te lang had gekookt.

“En ik heb iets gezien in Almuñécar,” zei ze. “Een appartementje. Niet groot. Twee slaapkamers, balkon, vijf minuten van zee. Ik ga er volgende maand nog een keer kijken.”

Els legde haar vork neer. Ik weet nog dat ik dacht: doe normaal, laat haar uitpraten. Maar ikzelf zei meteen: “Marijk, je bent nog geen drie maanden alleen.”

Ze keek me aan alsof ik iets onsmakelijks op tafel had gezet.

“Ik weet hoe lang Henk dood is, Paul.”

Dat had ik niet zo bedoeld. Of misschien wel. Ik vond het absurd dat ze haar hele leven wilde inpakken en naar Spanje vertrekken, waar ze niemand kende behalve een Nederlandse makelaar met een te bruine kop op zijn website.

Haar huis was ook niet zomaar een huis. Daar waren de kinderen geboren. Henk had zelf de serre aangebouwd, met hulp van mij. Niet goed trouwens, het dak lekte de eerste winter. In de schuur hing nog zijn racefiets. In de achtertuin stond die oude appelboom waar hij elk jaar veel te veel appels uit haalde en dan bij iedereen zakken voor de deur zette.

Marijke zei dat ze juist daarom weg wilde.

“Alles hier is Henk,” zei ze. “Zelfs de waterkoker klinkt als Henk, omdat hij hem altijd al aanzette voordat ik beneden was.”

Els begon over haar dochter Sanne, die in Utrecht woont. Over de huisarts, over het feit dat de zorg in Spanje toch anders geregeld is. Ik begon over geld. Niet omdat ik dacht dat ze onverstandig was met geld, maar omdat ik bang was dat ze zich liet oplichten. Ze zou haar huis goed kunnen verkopen, ja, maar wat deed ze met de rest? Hoe lang kon ze daar wonen? Wat als ze ziek werd?

Ze luisterde met haar armen over elkaar. Daarna zei ze alleen: “Jullie maken al plannen voor het moment dat ik niet meer kan lopen.”

De weken erna werd het stroever. We gingen nog wel op woensdag bij haar eten, maar er viel iets tussen ons in. Ze had foto’s van de muren gehaald. De plekjes waren lichter dan de rest van het behang. Els vond dat verschrikkelijk. Ik eerlijk gezegd ook.

Toen ze vertelde dat de makelaar maandag zou komen voor de verkoopopdracht, raakte Els in paniek. Ze belde Sanne zonder dat Marijke dat wist. Daar ben ik nog steeds niet trots op. Sanne wist van Spanje, maar zei dat haar moeder al maanden over verhuizen sprak. Niet per se Spanje, maar weg uit dat huis. Ze klonk moe en zei: “Laat haar alsjeblieft niet denken dat ik haar moet tegenhouden.”

Els zei later dat Sanne makkelijk praten had, met haar baan en kinderen en haar leven in Utrecht. Ik zei niks, maar ik vond ook dat Sanne haar moeder wel erg snel losliet.

Ik heb toen een gesprek geregeld met een rouw- en verliescoach. Via de praktijkondersteuner van onze huisarts had ik een naam gekregen. Geen psycholoog, geen keuring, gewoon iemand om mee te praten. Ik belde Marijke en vertelde dat die vrouw dinsdag plek had.

“Dus jij hebt voor mij een afspraak gemaakt?” vroeg ze.

Ik zei dat ze natuurlijk niet hoefde, maar dat Els en ik vonden dat het verstandig was vóór ze tekende.

“Vonden jullie dat?”

Ik hoorde aan haar stem dat het fout zat, maar ik bleef doorpraten. Dat ze zoveel meemaakte. Dat grote beslissingen in rouw beter niet te snel genomen konden worden. Dat we haar niet kwijt wilden. Dat laatste floepte er misschien wel het eerlijkst uit.

Toen zei ze: “Jullie willen mij niet kwijt, dus ik mag mijn huis niet verkopen?”

“Zo moet je het niet zien.”

“Maar zo is het wel.”

Ze heeft die afspraak niet gedaan. De volgende ochtend stond Sanne bij ons aan de deur. Niet boos op een schreeuwerige manier. Veel erger eigenlijk: heel beheerst. Ze zei dat haar moeder de hele nacht had gehuild omdat twee mensen die ze als haar veiligste vrienden zag, blijkbaar dachten dat ze niet meer wilsbekwaam was zodra ze iets wilde wat zijzelf niet zouden kiezen.

Ik zei dat niemand dat had gezegd.

“Nee,” zei Sanne. “Maar jullie gedragen je wel zo.”

Marijke zette het huis in februari online. Binnen vijf dagen was het verkocht, onder voorbehoud van financiering. Els wilde haar niet feliciteren. Ik ook niet, als ik eerlijk ben. Het voelde alsof we applaudisseerden voor iets waar ze spijt van zou krijgen.

Ze is uiteindelijk niet naar Almuñécar gegaan. Dat appartement bleek vochtproblemen te hebben en de VvE was een puinhoop, zei ze later. Ze heeft iets gehuurd in de buurt van Málaga, voor een jaar. Klein, gemeubileerd, met een supermarkt om de hoek en een bus naar het strand. Ze vertrekt over drie weken.

Vorige zondag gingen Els en ik koffie drinken bij haar. De woonkamer klonk hol. Er stonden dozen met stiften erop: KEUKEN, SPANJE, SANNE, WEGDOEN. Henk zijn racefiets ging naar hun kleinzoon.

Ik wilde zeggen dat we bang waren geweest. Dat zijn we nog steeds. Maar dat woord klonk ineens niet meer als een excuus.

Marijke schonk koffie in en vroeg of we in april misschien een paar dagen wilden komen. Niet meteen, zei ze. Eerst wil ze alleen zijn en uitzoeken hoe haar dagen daar voelen.

Els knikte en zei dat dat goed was.

Op weg naar huis zei Els dat ze het niet meende, dat ze nog altijd dacht dat Marijke een fout maakte. Ik zei dat ik dat ook dacht. Daarna reden we een tijd zwijgend door de wijk waar wij al zo lang wonen.

Vanmiddag kreeg ik een foto van haar. Een kaal balkon, een plastic tuinstoel en een stuk blauwe lucht. Er stond alleen bij: “Sleutels gekregen.”

Ik heb drie keer iets teruggetypt en weer weggehaald. Uiteindelijk stuurde ik: “Wat fijn, Marijk. Zorg goed voor jezelf.”

Het voelde mager. Maar voor het eerst dacht ik dat het misschien niet aan mij was om er meer van te maken.