Na twee jaar stond iedere zondagavond alweer vast, behalve voor mij

Ik had de boodschappen al in de koelkast gezet toen ik ze er vrijdagmiddag weer uit heb gehaald. Twee entrecotes, een bak krieltjes, sperziebonen en zo’n dure tiramisu van de Italiaanse delicatessenwinkel in het dorp. Ik stond met de koelkastdeur open en dacht alleen maar: ik wil dit weekend niet koken voor iemand die niet eens gevraagd heeft of het uitkomt.

Dat klinkt hard als ik het zo opschrijf. Zeker omdat het over Kees gaat.

Kees en Marjan kennen we vanaf 1983. Hans werkte toen bij de gemeente en Kees zat bij hetzelfde volleybalteam. Ik weet nog dat we in hun eerste flat in Nieuwegein op de grond wijn zaten te drinken omdat ze nog geen eettafel hadden. Onze kinderen zijn ongeveer tegelijk geboren. We gingen jarenlang een weekje naar een stacaravan in Zeeland. Niet ieder jaar, maar vaak genoeg dat onze dochters elkaar nog steeds ‘vakantieneefjes en -nichtjes’ noemen, ook al zijn ze allang volwassen.

Toen Marjan tweeënhalf jaar geleden zei dat ze weg wilde bij Kees, kwam dat niet helemaal uit de lucht vallen. Ze hadden al langer gedoe. Kees kon zwijgen op een manier waar je onrustig van werd. Marjan kon dan juist uren doorgaan. Maar ik dacht eerlijk gezegd dat ze, zoals zoveel stellen van onze leeftijd, nog wel een manier zouden vinden. In plaats daarvan ging zij naar een appartement in Houten en bleef hij alleen in dat grote huis zitten.

De eerste maanden waren verschrikkelijk voor hem. Dat zeg ik zonder overdrijving. Hij viel af, sliep nauwelijks en nam de telefoon soms dagen niet op. Hans ging erheen om een lekkende kraan te maken en vond hem in zijn badjas om drie uur ’s middags, met alle gordijnen dicht. De huisarts wist ervan, zei Kees later. Hij had gesprekken bij de praktijkondersteuner en kreeg medicatie. Maar hij had vooral niemand om tegen te praten, zei hij.

Dus nodigden we hem uit op zondag. Eerst af en toe. Soep, broodjes, gewoon makkelijk. Daarna werd het iedere week. Dat is nergens afgesproken. Het gebeurde gewoon. Zaterdag appte Hans: ‘Kees morgen om zes?’ En ik antwoordde meestal met een duimpje, terwijl ik al aan het bedenken was wat ik moest halen.

In het begin vond ik het ook goed. Ik voelde me zelfs nuttig, denk ik. Hij fleurde soms een beetje op als hij hier was. Hij nam een fles wijn mee, al dronk hij zelf nauwelijks. Hij hielp Hans eens met de schutting. Hij vroeg hoe het met onze kleindochter Noor ging en onthield dat ze op turnen zat.

Maar na ongeveer een jaar veranderde er iets. Of misschien veranderde ik.

Kees kwam binnen, hing zijn jas over dezelfde stoel en begon eigenlijk meteen. Over Marjan. Over hoe zij met iemand van haar yogagroep op vakantie was geweest. Over dat de kinderen volgens hem partij kozen. Over zijn lege huis. Over de nachten waarin hij dacht dat het allemaal geen zin meer had, hoewel hij er dan snel achteraan zei dat we ons geen zorgen moesten maken.

Ik zat tegenover hem met mijn vork in mijn hand en zei steeds dingen als: ‘Dat lijkt me heel zwaar’ of ‘Heb je dat bij je behandelaar ook verteld?’ Hans knikte vaak stil. Soms zei hij: ‘Je moet jezelf dwingen de deur uit te gaan, Kees.’ Alsof het daarmee klaar was.

Na afloop deed Hans meestal de vaatwasser inruimen, daar wil ik eerlijk in zijn. Hij is geen man die nooit iets doet. Maar het luisteren, het opvangen, het onthouden dat Kees dinsdag een gesprek had of dat hij donderdag zo somber klonk aan de telefoon, dat kwam bij mij terecht. Hij belde mij ook vaker. Niet altijd lang. Soms alleen om te zuchten en te zeggen dat het regende.

Ik ben 66. Sinds mijn pensioen uit de thuiszorg had ik me voorgesteld dat ik eindelijk wat lichter zou leven. Op woensdag koffie met mijn zus, een cursus keramiek misschien, eens spontaan een weekend naar onze zoon in Zwolle. In werkelijkheid keek ik steeds of zondagavond vrij was. En als die een keer vrij was, voelde ik me schuldig omdat Kees dan misschien alleen diepvriespizza zat te eten.

Hans zag dat anders. Voor hem was het een avond per week. Een vaste gewoonte. Hij miste Kees ook, denk ik, maar op een andere manier. Hij kon na het eten over voetbal beginnen of over een oud-collega. Kees lachte dan soms zelfs. Daarna ging Hans om half elf naar bed en bleef ik nog beneden omdat Kees bij de voordeur ineens begon over hoe stil het was als hij thuiskwam.

In januari heb ik tegen Hans gezegd dat ik wilde afbouwen. Niet stoppen, niet Kees laten vallen. Maar eens per twee weken, en dan niet altijd hier. Misschien een keer lunchen in het dorp. Misschien kon Kees ook bij zijn broer eten, of met een wandelgroep mee. Zijn behandelaar had dat volgens hem geadviseerd.

Hans keek me aan alsof ik had voorgesteld zijn hond weg te doen.

‘Hij heeft bijna niemand meer, Els.’

‘Wij zijn niet bijna niemand meer,’ zei ik. ‘Wij zijn ongeveer alles geworden.’

Daar werd hij boos om. Niet schreeuwen, dat doet Hans niet. Hij werd kort. Hij zei dat ik wist hoe slecht Kees eraan toe was en dat je na veertig jaar vriendschap niet gaat rekenen hoeveel avonden iemand je kost.

Dat kwam hard aan, juist omdat er iets in zat waar ik zelf ook bang voor ben. Dat ik aan het rekenen ben geworden. Dat ik soms zie dat Kees appt en eerst mijn telefoon omdraai.

Vorige week zouden Hans en ik een weekend naar een klein hotelletje bij Arnhem. Niets bijzonders, gewoon twee nachten weg. We hadden het in november al geboekt. Op donderdag belde Kees dat hij die zondag graag bij ons wilde eten, omdat Marjan jarig was en hij wist dat de kinderen bij haar gingen brunchen. Hij zei het heel luchtig, maar ik hoorde aan zijn stem dat hij al had bedacht dat hij alleen zou zijn.

Hans zei meteen: ‘Natuurlijk, jongen.’

Ik stond in de keuken en voelde iets knappen. Geen groot drama. Eerder alsof een elastiek dat al te lang strak staat ineens slap op de grond valt.

Ik zei dat we zondag pas laat terug zouden zijn en dat ik geen bezoek wilde. Hans keek me aan, Kees was nog aan de lijn. Ik hoorde Hans zeggen: ‘Els vindt het niet handig.’ Alsof ik moeilijk deed om de planning.

Toen nam ik de telefoon van hem over. Mijn hand trilde, daar schaam ik me niet voor.

‘Kees,’ zei ik, ‘we zijn dit weekend weg. En daarna wil ik graag even met jou en Hans afspreken hoe we dit doen. Niet omdat je niet welkom bent. Maar iedere zondag lukt mij niet meer.’

Hij was heel stil. Toen zei hij: ‘O, oké. Ik dacht dat het gewoon zo was.’

Dat was misschien het ergste. Want het was ook gewoon zo geworden.

Hij heeft daarna gezegd dat hij wel iets zou regelen. Hans heeft de hele autorit naar Arnhem nauwelijks gepraat. In het hotel hebben we gegeten tussen twee stellen die luidruchtig over hun elektrische fietsen praatten, en ik kon niet ontspannen. Ik zag steeds Kees alleen aan zijn keukentafel voor me.

Zondagavond stuurde hij een foto van een afhaalmaaltijd. ‘Prima hoor, was best lekker,’ schreef hij. Hans reageerde meteen met een lachende emoji. Ik pas de volgende ochtend. Ik wist niet wat ik anders moest zeggen.

Vanavond komt Hans terug van het klaverjassen. We moeten nog bespreken wat we nu doen. Ik wil Kees niet kwijt. Ik wil ook niet dat hij denkt dat zijn verdriet lastig is geworden zodra het te lang duurde. Maar ik wil niet meer iedere week klaarzitten met een gedekte tafel en mijn eigen zondag alvast weggeven voordat hij begonnen is.

De entrecotes heb ik ingevroren. De tiramisu hebben Hans en ik zaterdagavond met z’n tweeën opgegeten. Hij nam drie happen en zei niets. Ik ook niet.