Na veertig jaar vriendschap zei ik voor het eerst dat we niet meer elke week konden komen
Vorige dinsdag heb ik voor het eerst de telefoon laten overgaan toen ik zag dat Anja belde. Dat klinkt misschien kinderachtig, op mijn leeftijd zeker, maar ik kon het gewoon niet opbrengen. Marjan zat tegenover me aan de keukentafel een sudoku te maken en keek niet eens op. Ze wist meteen wie het was.
We zijn 68 en 66, net allebei een paar jaar met pensioen. We hadden ons dat heel anders voorgesteld. Niet groots hoor. Een beetje fietsen, af en toe met de camper weg, kleinkinderen ophalen als het uitkwam. En elke donderdag aten we al jaren met Kees en Anja. Om en om bij elkaar. In de zomer in de tuin, in de winter meestal stamppot of iets uit de oven. Met kerst gingen we soms een weekend naar Duitsland en in september een week naar Frankrijk.
Kees was altijd degene die het eten te zout vond en daarna toch nog een tweede keer opschepte. Hij kon overal een praatje maken. Soms was hij ook wel bot, maar dan lachte hij zelf het hardst en wist je dat het niet kwaad bedoeld was.
Twee jaar geleden begon hij dingen te vergeten. Eerst van die dingen waar je nog grapjes over maakt. Zijn leesbril zoeken terwijl die op zijn hoofd stond. Vragen of we de nieuwe auto al gezien hadden, terwijl hij die een week eerder zelf had geholpen uitzoeken. Daarna werd het vreemder. Hij wist ineens niet meer dat onze dochter al twaalf jaar in Zwolle woont. Op een verjaardag vroeg hij aan haar of ze “nog steeds bij die jongen van de supermarkt” was. Ze is 41, getrouwd en heeft twee kinderen.
De huisarts heeft hem doorverwezen en uiteindelijk kwam er de diagnose: vermoedelijk Alzheimer, nog in een vroeg stadium. Anja vertelde het met haar handen om haar koffiekop heen. Kees zat ernaast en zei dat iedereen tegenwoordig meteen een etiket nodig had. Daarna vroeg hij drie keer of we nog suiker wilden.
Vanaf dat moment is het eigenlijk gaan schuiven. Niet ineens, maar iedere maand een stukje.
Anja belde vaker. Of wij Kees even mee wilden nemen naar de bouwmarkt, want hij werd onrustig thuis. Of Marjan een middag bij hem kon zitten omdat Anja naar de kapper moest. Eerst zeiden we overal ja op. Dat doe je voor vrienden. Zeker voor mensen die op onze kinderen hebben gepast toen ze klein waren, die bij mijn moeder in het ziekenhuis zaten toen ik vaststond in Engeland vanwege een geannuleerde vlucht. Kees heeft me destijds geholpen met de schutting, twee volle zaterdagen. Zo’n vriendschap zet je niet op een lijstje met uren.
Maar Kees werd ook moeilijker in gezelschap. Hij zei dingen die hij vroeger misschien dacht maar nooit hardop zou hebben gezegd. Tegen onze schoondochter merkte hij op dat ze er “wel moe uitzag voor haar leeftijd”. Tegen Marjan zei hij, toen zij voor de vierde keer uitlegde waar de wc was: “Doe niet zo bazig, mens.”
Het ergste was nog niet eens wat hij zei. Het was dat hij daarna kon omslaan. Dan keek hij je aan alsof jij degene was die raar deed. Een keer, bij ons thuis, wilde hij naar buiten omdat hij ervan overtuigd was dat zijn fiets gestolen was. Hij had geen fiets meegenomen. Het regende, het was half elf ’s avonds en hij duwde zo hard tegen de voordeur dat het glas ervan trilde.
Anja stond er met haar armen langs haar lijf. Ze zei alleen: “Je moet hem niet tegenspreken, daar wordt hij erger van.”
Dat begreep ik best. Tenminste, een beetje. Maar het was wel ónze voordeur. En het was Marjan die de volgende ochtend zei dat ze de hele nacht wakker had gelegen.
We hebben voorzichtig geprobeerd te praten over hulp. Niet op een belerende manier, hoop ik. Ik heb gezegd dat er casemanagers zijn, dagbesteding, mensen die mee kunnen denken. Anja kapte het meteen af. Kees wilde geen vreemde mensen over de vloer en zij ging hem dat niet aandoen. Bovendien, zei ze, waren wij toch als familie.
Dat woord bleef hangen.
Want familie ben je in haar ogen blijkbaar vooral als er iets geregeld moet worden. Toen wij in oktober drie dagen naar Texel wilden, belde ze op zondagavond. Of we dat misschien konden verzetten, want Kees raakte de laatste tijd in paniek als ze alleen boodschappen ging doen. Marjan zei dat de boot al betaald was. Anja bleef even stil en zei toen: “Nou ja, fijn dat jullie nog gewoon weg kunnen.”
Marjan heeft na dat gesprek in de bijkeuken staan huilen. Niet eens lang. Ze draaide zich om, zette de waterkoker aan en zei: “Ik ben zo moe van me schuldig voelen.”
Ik ook, alleen reageer ik anders. Ik werd kortaf. Als Anja belde, zei ik dat ik al iets had. Soms was dat waar. Soms zat ik gewoon de krant te lezen. Daar schaam ik me voor, maar ik merkte dat ik al nerveus werd van haar naam op mijn scherm.
De echte ruzie kwam drie weken geleden. Kees was ’s nachts gevallen in de gang. Niets gebroken gelukkig, maar Anja had hem niet alleen overeind gekregen. Ze belde ons om kwart over twee. Natuurlijk ben ik gegaan. Daar wil ik ook geen discussie over: als iemand midden in de nacht hulp nodig heeft, ga je.
De volgende middag kwam ze bij ons langs. Ze had haar jas nog aan en keek alsof ze in dagen niet geslapen had. Dat zal ook wel zo zijn geweest. Ze zei dat het niet meer ging en dat ze een oplossing nodig had totdat Kees “weer een beetje stabieler” was.
Toen vroeg ze of wij onze logeerkamer konden vrijmaken, zodat Kees daar een paar nachten per week kon slapen. Dan kon zij tenminste bijtanken.
Ik dacht eerst dat ik haar verkeerd verstond. Kees bij ons laten slapen, zonder Anja, terwijl hij soms niet weet waar hij is en boos kan worden als je hem corrigeert. Marjan werd helemaal wit. Ze zei zacht dat dat niet kon.
Anja keek haar aan alsof Marjan haar een klap had gegeven.
“Dus na veertig jaar is dit het?” zei ze. “Een kamer hebben jullie wel, maar geen plek?”
Ik zei dat een logeerkamer niet hetzelfde is als zorg kunnen bieden. Dat we van Kees houden, dat we willen helpen zoeken naar iets dat wél veilig is. Ik hoorde mezelf praten en vond het tegelijk verschrikkelijk zakelijk klinken.
Anja begon te huilen, maar boos. Ze zei dat instanties haar van het kastje naar de muur stuurden en dat iedereen haar vertelde wat ze moest doen zonder dat iemand het overnam. Daar had ze niet helemaal ongelijk in. Ze zei ook dat wij alleen maar herinneringen wilden aan de leuke Kees, aan vakanties en wijntjes op het terras, en dat we nu de echte vriendschap niet aankonden.
Daarna is ze weggegaan. De koffie stond nog onaangeroerd op tafel.
Sindsdien hebben we weinig contact. Ik heb haar een bericht gestuurd met het nummer van de casemanager van de geheugenpoli, dat ik via de huisarts van een kennis had gekregen. Geen reactie. Afgelopen week stuurde ze alleen: “Kees vraagt waar jullie zijn.” Ik heb teruggeschreven dat we zondag even langskomen, als dat goed is.
Niet om te doen alsof alles weer normaal is. Dat wordt het niet. Ook niet om een groot gesprek te voeren waarin iedereen precies de juiste woorden vindt. Ik weet niet eens of Kees nog begrijpt waarom wij minder vaak komen.
Maar we gaan niet elke donderdag meer eten. Marjan heeft dat heel duidelijk gezegd, ook tegen mij, want ik ben geneigd alsnog toe te geven zodra Anja verdrietig klinkt. We willen één keer per twee weken langskomen, overdag, en alleen als zij iets concreets nodig heeft waar wij echt bij kunnen helpen. Boodschappen, een ritje, een middag in de tuin zitten. Geen nachten, geen opvang in huis.
Ik vind het nog steeds pijnlijk. Soms kijk ik naar de camper op de oprit en denk ik dat we eigenlijk weg zouden moeten gaan voordat ik weer ga twijfelen. Maar zondag ga ik eerst naar Kees. Misschien drinken we koffie en vraagt hij weer of ik nog werk bij de gemeente, terwijl ik daar al negen jaar weg ben.
Dan zal ik gewoon zeggen dat het goed met me gaat. En dat ik hem gemist heb.