Na veertig jaar vriendschap vroeg Henk ons ineens om kleur te bekennen

Ik heb de laatste app van Henk nog steeds niet verwijderd. Niet omdat ik hem steeds wil teruglezen, integendeel. Soms zie ik dat rode cijfertje bij WhatsApp en denk ik heel even dat het een foto is van Marianne met hun kleindochter, of een berichtje over de dahlia’s in hun tuin. Dan weet ik weer wat er staat.

“Zondag om twee uur op het Stationsplein. Het is belangrijk dat jullie er zijn. Geen uitvluchten deze keer.”

Ik ben 64, mijn man Kees is 66. Henk en Marianne kennen we sinds 1982, toen we alle vier net in onze eerste koophuizen woonden in Almere Haven. Kleine huizen, dunne muren, een kind op komst bij hen en bij ons nog helemaal niets. We hadden alle tijd van de wereld, dachten we. Henk hielp Kees met het leggen van laminaat. Marianne stond bij mij in de keuken toen ik na jaren gedoe eindelijk zwanger bleek. Later pasten we over en weer op elkaars kinderen.

We waren geen mensen van grote gebaren. Juist dat vonden we prettig aan elkaar. Elke donderdag aten we om de beurt samen. Soms iets simpels: pasta, soep, een ovenschotel die net te lang in de oven had gestaan. In september gingen we vaak naar Zeeland, een huisje bij Burgh-Haamstede, fietsen tegen de wind in en daarna een borrelplank op tafel. Henk kon uren praten over geschiedenis, Marianne over boeken. Kees en hij hadden het over vroeger op het werk, en ik wist precies wanneer Marianne moe was zonder dat ze iets zei.

Politiek kwam heus wel langs, maar nooit als een wedstrijd. We stemden niet altijd hetzelfde. Henk was van huis uit behoorlijk links, Kees eerder praktisch: eerst maar eens kijken wat het kost. We konden daar om lachen. “Nou, daar heb je de boekhouder weer,” zei Henk dan. En Kees zei: “Daar heb je de wereldverbeteraar.” Het bleef licht.

Toen Henk vorig jaar met pensioen ging, merkte ik eerst vooral dat hij zich verveelde. Hij had ruim veertig jaar bij de gemeente gewerkt, op een afdeling vergunningen. Niet het soort baan waar je op verjaardagen veel verhalen over vertelt, maar hij hield ervan. Hij kende iedereen, had een vaste route op de fiets, dronk om tien uur koffie met twee collega’s. Ineens zat hij thuis. Marianne werkte nog drie dagen in de bibliotheek en ik denk dat Henk daar meer last van had dan hij toegaf.

Hij begon filmpjes te kijken en stukken te lezen over een actiegroep die zich bezighoudt met klimaat en grote bedrijven. Op zich vond ik daar niets raars aan. Ik maak me ook zorgen over hoe het gaat. Onze zoon heeft twee kinderen en ik denk heus weleens: wat laten we achter?

Maar Henk ging er helemaal in op. Bij elke donderdagavond kwam het ter sprake. Eerst vertelde hij gewoon enthousiast wat hij gelezen had. Daarna liet hij filmpjes zien van acties op de A12 en van mensen die bij aandeelhoudersvergaderingen naar binnen riepen. Hij werd niet alleen feller, hij werd ook anders in zijn luisteren. Alsof hij al wist wat je ging zeggen en daar meteen een antwoord op had.

Marianne zat er vaak stil naast. Zij zei dan iets als: “Henk, laat Els eerst eens haar bord leeg eten,” half lachend. Maar haar lach kwam niet meer bij haar ogen.

Op een avond, ergens in november, zei Henk dat hij zich had aangesloten bij een lokale groep. Hij moest een training volgen over vreedzaam demonstreren. Kees vroeg nog: “Moet je dan echt op straat gaan zitten?”

Henk keek hem aan alsof Kees had gevraagd of je bij een brand wel echt water nodig hebt.

“Als het nodig is, ja.”

“Maar je bent net met pensioen,” zei Kees. Het klonk onhandig, dat hoorde ik zelf ook. “Je hoeft toch niet meteen opgepakt te worden om betrokken te zijn?”

Henk schoof zijn stoel naar achteren. “Dat is nou precies het probleem. Iedereen wil betrokken zijn zolang het niet ongemakkelijk wordt.”

Daarna werd het stil. Ik weet nog dat ik opstond om koffie te zetten terwijl er nog zeker drie glazen wijn op tafel stonden. Je doet dan maar iets met je handen.

De maanden erna werden erger, al is dat misschien een groot woord. Er waren geen schreeuwpartijen. Dat past ook niet bij ons. Het zat in kleine dingen. Henk stuurde groepslinks en petities. Hij vroeg of wij een busje wilden huren voor een demonstratie in Den Haag. Toen we zeiden dat we daar geen zin in hadden, stuurde hij een lang bericht terug over comfort en verantwoordelijkheid.

Marianne belde mij op een dinsdagmiddag. Ze fluisterde bijna, hoewel Henk volgens haar boodschappen deed.

“Hij is niet agressief of zo,” zei ze meteen. “Dat moet je niet denken. Maar alles is nu een test. Als ik zeg dat ik liever niet mee wil, zegt hij dat ik bang ben voor wat mensen vinden. Misschien is dat ook zo. Ik weet het niet meer.”

Ik zei dat ze bij ons kon komen eten, gewoon even. Ze kwam die donderdag alleen. Henk had een bijeenkomst. Kees maakte hutspot en Marianne nam twee happen en schoof haar bord weg. Ze vertelde dat Henk een spandoek in de garage had geschilderd. Dat hij wilde dat zij bij de volgende actie naast hem stond.

“Hij zegt dat hij eindelijk wakker is,” zei ze. “Maar ik heb soms het gevoel dat hij juist nergens anders meer naar kijkt.”

De zondag van dat bericht had Henk een grotere demonstratie georganiseerd, of in ieder geval hielp hij mee. Hij wilde dat wij alle drie kwamen. Niet om mee te doen aan een blokkade, zei hij, maar om zichtbaar te zijn. “Als vrienden.”

Kees wilde eigenlijk gaan, alleen om Henk niet kwijt te raken. Ik wilde niet. Niet omdat ik tegen demonstreren ben, maar omdat ik niet wilde worden neergezet als bewijsstuk in iets waar ik mijn twijfels over had. Bovendien wist ik dat er een kans was dat de actie zou uitlopen op gedoe met de politie. Ik heb daar geen behoefte aan. Misschien laf, maar ik slaap al slecht als ik een rekening vergeet te betalen.

We hebben uiteindelijk een bericht gestuurd dat we niet kwamen. Kees tikte eerst: “We steunen je,” maar ik vroeg hem dat weg te halen. Dat voelde oneerlijk. We steunden Henk als mens, maar niet automatisch elke keuze die hij maakte. Het verschil bleek groter dan ik dacht.

Henk belde niet. Hij stuurde alleen: “Duidelijk. Jullie kiezen dus voor jullie rustige leventje.”

Kees werd daar heel kwaad om. Hij belde terug, ik hoorde hem in de bijkeuken praten. Niet hard, wel met die lage stem die hij krijgt als hij zich gekwetst voelt. Later zei hij dat Henk had gezegd dat zwijgen medeplichtigheid was.

“En wat zei jij?” vroeg ik.

Kees keek naar de vuilniszak die hij net dichtknoopte.

“Ik zei dat vriendschap geen lidmaatschap is.”

Sindsdien hebben we Marianne twee keer gezien, zonder Henk. Dat voelt verkeerd, alsof we een gezin uit elkaar trekken, terwijl zij zelf zegt dat ze die paar uur nodig heeft. Henk reageert nog af en toe in onze oude appgroep, meestal met een link of een foto van een spandoek. Vorige week stuurde hij een foto van zichzelf op een plein, natgeregend, met mensen die ik niet ken. Hij keek oprecht gelukkig, of in elk geval vastberaden.

Ik mis hem. Ik mis ook wie wij waren met z’n vieren. Maar ik merk dat ik bij elk bericht eerst spanning in mijn schouders krijg. Donderdag eten we nu vaak met z’n tweeën. Kees zegt dat het misschien overwaait. Ik denk dat hij dat zegt omdat hij niet weet wat anders te hopen.

De app van Henk staat nog steeds open. Zondag is inmiddels voorbij. Ik weet niet of hij is opgepakt, of dat het rustig is gebleven. Marianne heeft alleen gestuurd dat ze thuis is en dat ze moe is. Ik heb haar een hartje teruggestuurd, wat ik zelf eigenlijk een beetje een armoedig antwoord vind.

Vanavond maak ik stamppot andijvie. Veel te veel, zoals altijd. Ik twijfel of ik Marianne zal vragen mee te eten. Daarna denk ik aan Henk, aan zijn lege plek aan onze tafel, en leg ik de telefoon toch weer met het scherm naar beneden.