Ik beloofde Kees dat ik zijn familie niet zou bellen, maar ik weet niet meer of ik dat nog kan waarmaken

De pannetjes stonden al koud op het fornuis toen ik bij Kees binnenkwam, maar de gaslucht hing nog in zijn hal. Niet heel sterk, eerder zo’n lucht waarvan je eerst denkt dat je het je inbeeldt. Ik zette meteen geen raam open, ik liep regelrecht naar de keuken. Drie pitten uit. Eén daarvan stond nog aan.

Kees zat in zijn stoel bij het raam, met de Volkskrant op zijn schoot. Hij droeg zijn vest binnenste buiten. Dat zag ik pas later.

“O, ben jij er al?” zei hij. “Ik wilde net koffie zetten.”

Ik zei dat ik het wel deed. Heel gewoon, alsof het niks was. Mijn handen trilden terwijl ik de waterkoker vulde. Niet overdreven, maar genoeg dat ik water op het aanrecht morste.

Kees is al sinds 1978 onze vriend. Eerst was hij vooral de vriend van mijn man, Henk. Ze zaten samen op de technische school in Zaandam en bleven contact houden, ook toen wij naar Alkmaar verhuisden en hij in Haarlem bleef. Later werd hij gewoon van ons allebei. Hij kwam op verjaardagen als familie, hielp Henk ons schuurtje opnieuw dakleer geven en heeft jarenlang op onze dochters gepast als wij een weekend weggingen. Toen mijn moeder na haar beroerte in het verpleeghuis lag, reed Kees me iedere woensdag erheen omdat ik zelf niet durfde op de snelweg.

Hij was degene die altijd opdook. Met een gereedschapskist, een bos bloemen van de markt of een veel te sterke fles jenever die hij dan zelf ook weer opdronk.

Na zijn scheiding, nu bijna vijftien jaar geleden, werd hij eigenlijk nog meer onderdeel van ons leven. Zijn ex, Monique, verhuisde naar Zeeland. Kinderen hebben ze niet. Kees heeft wel een jongere zus, Marjan, ergens bij Amersfoort, en een broer in Duitsland. Maar hij heeft het al jaren niet meer over hen, behalve als hij kwaad is. Dan zijn het ineens “die mensen”.

De eerste tijd viel zijn vergeetachtigheid mee. Hij belde twee keer op een ochtend om hetzelfde te vragen. Hij kwam bij ons eten terwijl we dat een week eerder hadden afgezegd. Hij vergat dat Henk sinds vorig jaar niet meer bij de gemeente werkt. Daar maakten we nog grapjes over, misschien ook omdat het makkelijker was.

Maar in de afgelopen maanden is het anders geworden. Hij raakt de weg kwijt in zijn eigen wijk. Hij had zijn bankpas in de diepvries gelegd, tussen de sperziebonen. Hij heeft een keer de voordeur open laten staan toen hij naar de supermarkt ging. En hij belt mij soms om half twee ’s nachts omdat hij denkt dat er iemand in de tuin loopt. Meestal is het een kliko die door de wind tegen het hek tikt.

Henk en ik gingen steeds vaker even langs. Eerst op dinsdag en vrijdag. Daarna ook “als we toch in de buurt waren”, wat niet waar was. Henk installeerde een video-deurbel omdat Kees bang was voor onbekenden aan de deur. Ik deed zijn was als die zich had opgestapeld. We zetten bakjes met eten in zijn koelkast. Ik keek ongegeneerd in de prullenbak om te zien of hij wel gegeten had. Ik schaam me daarvoor, maar ik deed het toch.

Onze eigen dagen werden er klein van. We hebben allebei pensioen, geen verplichtingen meer die echt moeten. Juist daarom vonden we het lastig om te klagen. Alsof je geen recht hebt op rust als je tijd genoeg hebt.

Maar Henk werd kortaf. Niet tegen Kees, nooit rechtstreeks. Tegen mij vooral.

Als Kees op zondagmiddag voor de derde keer belde omdat zijn televisie het niet deed, zag ik Henk al naar zijn telefoon kijken. Soms nam hij niet op. Dan nam ik wel op, en zei ik: “We komen morgen even.” Vervolgens lag ik wakker omdat ik me voorstelde dat Kees de hele nacht zonder televisie zat, alsof dat het ergste was wat hem kon overkomen.

Twee weken geleden zei Henk aan de keukentafel dat het zo niet door kon gaan. Hij had net de aardappels afgegoten en liet de pan hard op het fornuis zakken.

“We zijn geen zorginstelling, Els. En zelfs als we dat waren, deden we het niet goed. We hopen elke keer maar dat er niets gebeurt.”

Ik werd meteen boos, juist omdat ik wist dat hij gelijk had.

“Dus wat stel je voor? Dat we hem laten zitten?”

“Nee. Dat we hulp regelen. Via de huisarts, ouderenadviseur, weet ik veel. Maar er moet iets op papier komen. Iemand die verantwoordelijkheid draagt. Niet alleen wij.”

Kees wil daar niets van weten. De huisarts had hem vorig jaar al doorverwezen naar de geheugenpoli na een test. Hij heeft een vorm van beginnende dementie, waarschijnlijk Alzheimer, zeiden ze. Kees noemt het zelf nog steeds “dat gedoe met mijn geheugen”. Hij zegt dat iedereen wel eens een pan vergeet.

Toen Henk vorige week voorzichtig begon over personenalarmering en iemand die af en toe kon meekijken, werd Kees heel stil. Daarna zei hij dat hij liever doodging dan dat er vreemden in zijn huis kwamen bepalen wanneer hij moest douchen.

Dat was hard om te horen. Ook omdat niemand het over douchen had gehad.

Later, bij de voordeur, pakte hij mijn arm vast. Zijn greep was sterker dan ik verwachtte.

“Els, jij moet me één ding beloven. Je belt Marjan niet. Niet mijn zus, niet mijn broer. Die hebben zich nooit om mij bekommerd. Nu hoeven ze ook niet ineens lief te gaan doen omdat ik een dossier heb. Beloof me dat.”

Ik zei ja.

Ik weet niet waarom. Misschien omdat hij toen weer even de Kees van vroeger was: trots, koppig, met die blik alsof hij zich al schrap zette tegen iemand die hem iets wilde afpakken. Misschien omdat hij mij vroeger ook beloften heeft laten doen die hij nooit doorvertelde. Niet zulke grote dingen, maar toch. Vertrouwen was altijd vanzelfsprekend tussen ons.

Thuis vertelde ik het aan Henk. Hij werd niet boos, maar hij keek me aan alsof ik iets heel doms had gedaan.

“En als hij morgen brand veroorzaakt? Ga jij dan tegen de brandweer zeggen dat je zijn privacy hebt gerespecteerd?”

Dat was gemeen van hem. Hij weet precies waar ik bang voor ben. Maar ik had ook geen antwoord.

Sinds die dag hebben we ruzie over kleine dingen. Over wie er brood haalt. Over hoe lang Henk wegblijft bij zijn fietsvrienden. Hij zegt dat hij daar juist heen moet, omdat hij anders alleen nog maar aan Kees denkt. Ik vind dat egoïstisch, en tegelijk ben ik jaloers dat hij blijkbaar nog weg kan zonder voortdurend zijn telefoon te checken.

Gisteren belde Kees mij om negen uur ’s ochtends. Hij zei dat hij zijn medicijnen kwijt was en dat er een man aan de deur was geweest die zei dat hij iets moest tekenen. Ik ben erheen gereden. Er was geen man geweest. De medicijnen lagen in een schaaltje naast zijn bed. Hij had ze waarschijnlijk al ingenomen, maar wist het niet meer.

Ik zat naast hem op de rand van het bed en hij keek zo moe. Niet hulpeloos precies. Eerder alsof hij de hele tijd iets probeerde in te halen wat steeds sneller van hem wegliep.

“Ik red me toch nog best aardig?” vroeg hij.

Ik zei: “Meestal wel.”

Dat was laf, want meestal is niet hetzelfde als veilig. Maar ik kon het woord veilig niet over mijn lippen krijgen.

Vanmiddag gaat Henk naar de huisarts van Kees om te vragen wat wij als vrienden überhaupt kunnen doen, zonder medische informatie te eisen. Hij wil ook zeggen dat er thuis dingen misgaan. Ik ga mee, al voelt het alsof ik Kees verraad voordat ik iets gedaan heb.

Marjans nummer heb ik gisteren opgezocht. Het staat in een oud adresboekje dat bij Kees in een la lag. Ik heb het in mijn telefoon gezet en daarna meteen weer verwijderd. Vanmorgen heb ik het opnieuw opgezocht.

Kees weet van niets. Hij denkt dat wij zaterdag gewoon komen eten, zoals altijd. Hij heeft ons gevraagd of we witlof met ham en kaas lusten. Henk zei aan de telefoon dat dat prima was.

Ik hoorde hem daarna in de bijkeuken zacht vloeken. Niet om Kees, denk ik. Misschien om ons allebei.