Ik wilde onze beste vrienden niet in de steek laten, maar mijn man wilde onze jubileumreis niet opgeven

Vorige week heb ik voor de derde keer de koffers van de zolder gehaald en weer teruggezet.

Ze stonden al half open op ons logeerbed. Twee nette overhemden van Henk erin, mijn blauwe vest, de wandelschoenen die ik alleen op vakantie draag. We zouden vijf dagen naar de Moezel gaan, voor ons veertigjarig huwelijk. Niet groots, maar wel iets waar we maanden over hadden gepraat. Even geen afspraken, geen ziekenhuis, geen telefoon die op tafel ligt tijdens het eten.

Toen belde Marjan.

Ik zag haar naam op mijn scherm en wist eigenlijk al dat het niet ging om zomaar even bijpraten. Sinds Kees ziek is, belt ze niet meer om een recept of om te vragen hoe het met onze kleindochter gaat. Ze belt zacht, vaak met een stilte voordat ze begint. Dan hoor ik aan haar ademhaling dat ze de hele dag al heeft geprobeerd niet te huilen.

Kees heeft uitgezaaide longkanker. Vorig najaar dachten ze nog dat er met behandelingen tijd te winnen was. Nu hebben ze het vooral over kwaliteit van leven, een woord waar ik een hekel aan heb gekregen. Alsof je die kunt afvinken op een formulier.

Marjan en Kees zijn al sinds 1981 onze vrienden. We leerden elkaar kennen op de camping in Zuid-Frankrijk, toen onze kinderen nog klein waren en alle vier buikgriep kregen. Daarna kwamen de zaterdagavondjes, de gezamenlijke vakanties, de verbouwingen waarbij iedereen altijd net iets te hard meepraatte. Toen mijn moeder overleed, stond Marjan ineens bij de voordeur met een pan soep en een tas met toiletpapier, omdat ze wist dat ik aan zulke dingen niet zou denken. Toen Henk na zijn hartoperatie thuis kwam, reed Kees wekenlang met hem naar de fysio omdat ik nog werkte.

Je gaat dat niet optellen. Dat doe je gewoon niet.

In het begin hielpen we vanzelfsprekend. Henk bracht Kees naar het ziekenhuis als Marjan mee wilde naar het gesprek maar niet durfde te rijden. Ik kookte extra en zette bakjes in hun vriezer. We deden boodschappen, haalden medicijnen op, zaten soms gewoon een uur aan hun keukentafel terwijl Kees boven sliep. Henk maakte ook de lamp in de gang en later de lekkende kraan. Hij deed het zonder mopperen.

Maar de laatste maanden is er iets verschoven. Marjan vraagt niet meer of we kunnen. Ze gaat er soms gewoon van uit.

Op maandag stuurde ze bijvoorbeeld: ‘Henk kan donderdag toch met Kees mee? Ik moet dan naar de kapper, die afspraak staat al weken.’ Henk had die middag zijn vaste kaartclub. Hij ging uiteindelijk toch, want Kees was misselijk van de medicatie en Marjan zei dat ze anders haar afspraak zou afzeggen. Waarop ik dacht: ja, en? Een kapper is geen ziekenhuisbezoek. Maar ik zei het niet, want ik hoorde mezelf al hard klinken.

Onze vrijdagavond met de buren hebben we bijna altijd afgezegd. Henk is gestopt met tennissen op woensdagmorgen. Hij zei eerst dat het winter was en dat hij toch geen zin had, maar dat is niet waar. Hij speelt al twintig jaar, ook bij motregen.

Een paar weken geleden zaten we aan tafel. Henk had de aardappels te hard gekookt en zei er zelf niks over. Dat is hoe ik wist dat hij ergens mee zat.

‘Ik wil vaste dagen afspreken,’ zei hij uiteindelijk. ‘Dinsdag doen we boodschappen en vrijdag gaan we langs. Als er echt iets aan de hand is, natuurlijk. Maar niet elke keer alles laten vallen.’

Ik keek hem aan alsof hij iets heel lelijks had gezegd.

‘Echt iets aan de hand? Kees gaat dood, Henk.’

Hij knikte. Hij keek naar zijn bord.

‘Dat weet ik ook wel, Els. Juist daarom. Dit kan nog maanden duren. Misschien langer. We kunnen niet doen alsof wij ook op afroep moeten leven.’

Ik zei dat Marjan niemand anders had. Haar broer woont in Drenthe en ze hebben al jaren nauwelijks contact. Hun dochter woont in Amersfoort, werkt vier dagen en heeft twee kinderen. Hun zoon zit voor zijn werk veel in België. Ja, ze komen, maar niet zoals wij. Wij wonen tien minuten fietsen verderop. Wij kennen Kees zoals hij was, voordat hij in een ziekenhuisbed veranderde.

Henk werd toen boos, wat hij zelden wordt.

‘Alsof ik hem niet ken. Alsof ik niet elke keer met een brok in mijn keel bij die man zit. Maar jij doet alsof wij alleen goede vrienden zijn als we geen nee meer zeggen.’

Daar had ik geen antwoord op. Ik heb die avond op de bank geslapen, niet omdat ik dat wilde, maar omdat ik na zijn woorden niet naast hem kon liggen. Ik voelde me verraden en schaamde me daar tegelijk voor. Hij had Kees die week nog naar de spoedpost gebracht toen hij zo benauwd was. Hij was om half drie ’s nachts pas thuisgekomen.

Vorige dinsdag belde Marjan dus over onze reis. Haar kleindochter doet komend weekend haar eerste communie. Hun dochter had het feest verplaatst, speciaal zodat Kees er misschien nog bij kon zijn. Marjan wilde dat wij meegingen. Niet alleen voor de gezelligheid, zei ze. Ze was bang dat Kees die dag zou instorten, letterlijk of figuurlijk, en dat zij dan alleen alles moest opvangen. Bovendien kon Henk helpen met de rolstoel en de auto. ‘Jullie weten hoe hij reageert als hij zich schaamt,’ zei ze.

Onze reis vertrekt diezelfde vrijdagmorgen.

Ik zei niet meteen nee. Ik zei dat ik het met Henk zou bespreken. Dat klonk laf, vond ik zelf, maar ik durfde haar niet teleur te stellen.

Henk stond in de schuur de fietsendrager schoon te maken toen ik het vertelde. Hij ging rechtop staan, met een oude handdoek in zijn hand.

‘Nee,’ zei hij meteen.

Niet hard. Niet gemeen. Gewoon nee.

Ik zei dat het voor Marjan en Kees misschien de laatste grote familiedag was. Hij zei dat hij dat snapte, maar dat wij die reis ook niet voor de lol van een folder hadden geboekt. Veertig jaar getrouwd, eindelijk allebei met pensioen, en het was al twee keer uitgesteld: eerst door corona, daarna omdat Kees met zijn behandeling begon.

‘Wanneer zijn wij dan aan de beurt?’ vroeg hij.

Ik zei dat het nu niet over ons ging. Zodra ik het uitsprak, zag ik zijn gezicht dichtgaan. Dat was misschien het gemeenste wat ik had kunnen zeggen, omdat ik wist dat hij zich al maanden schuldig voelt om precies die gedachte.

Marjan belde die avond nog een keer. Ik vertelde dat Henk niet wilde afzeggen. Ze bleef heel stil. Daarna zei ze: ‘Natuurlijk, jullie moeten ook door met je leven.’

Dat klinkt vriendelijk als je het leest. Aan de telefoon voelde het als een deur die zacht dichtvalt.

Sindsdien stuurt ze kortere berichten. Geen hartjes meer, terwijl ze vroeger zelfs onder een foto van een boterham een hartje zette. Gisteren vroeg ze alleen of ik donderdag de apotheek kan doen. Ik heb ja gezegd. Henk hoorde het en zei niets. Hij keek alleen even op van de krant.

De koffers staan nu weer open. We vertrekken overmorgen, als ik tenminste ga. Mijn zus zegt dat Marjan professionele hulp moet regelen en dat wij geen tweede zorgteam kunnen zijn. Misschien heeft ze gelijk. Maar de thuiszorg komt voor Kees, niet voor Marjan als zij in paniek haar jas niet kan vinden omdat ze de vorige nacht nauwelijks heeft geslapen.

Henk heeft vanmiddag de auto volgetankt. Daarna vroeg hij of ik mijn paspoort al had opgezocht.

Ik zei ja, maar dat was niet zo. Het ligt waarschijnlijk in het dressoir onder een stapel oude garantiebewijzen. Ik heb nog niet gekeken.