Mijn man wil liever thuisblijven dan dat onze vriendengroep zich aan hem aanpast

Ik had nooit gedacht dat een koffieochtend in de bibliotheek zo ingewikkeld kon worden.

Wij, mijn man Henk en ik, gaan al bijna dertig jaar elke donderdag met dezelfde mensen op pad. Niet altijd groots. Eerst koffie bij De Koffiepot, vroeger nog aan de Markt, daarna vaak een stukje lopen, soms kaarten bij Joop en Ria, en eens per maand eten bij een eetcafé waar ze allemaal weten dat Henk zijn saté zonder kroepoek wil. Sinds we met pensioen zijn, is die donderdag eigenlijk onze vaste paal geworden. Je hoeft elkaar niet elke keer uit te leggen hoe het thuis gaat. Je bent er gewoon.

Henk is 74. Hij heeft in januari een beroerte gehad. Geen grote, zeggen de artsen, en daar heb ik nog steeds een vreemd gevoel bij, want voor ons was hij behoorlijk groot. Zijn linkerbeen wil niet altijd mee. Hij loopt met een stok, binnenshuis gaat het redelijk, maar drempels, gladde stoepen en een volle zaak met tafeltjes te dicht op elkaar kosten hem zichtbaar moeite.

Hij is er zelf heel nuchter over. Of hij doet alsof.

De eerste weken kwam bijna iedereen wel even langs. Met bloemen, soep, een kaart. Joop nam zelfs een puzzelboek mee, terwijl Henk een hekel heeft aan puzzels. Dat soort dingen. Lief bedoeld, een beetje onhandig. Henk kon er nog om lachen.

Maar toen het voorjaar werd en onze groep weer begon over terrasjes en wandelingen, veranderde er iets. Niet met een klap. Meer alsof Henk steeds stiller werd terwijl de rest gewoon doorkletste.

De eerste keer dat hij weer meeging naar de koffie, stond hij bij de ingang al te kijken naar dat ene opstapje. Het was misschien twaalf centimeter hoog. Ik zag hem zijn kaak aanspannen. Binnen was het druk en een jong meisje van de bediening schoof meteen een stoel aan de kant.

‘Hier kunt u makkelijk zitten, meneer,’ zei ze.

Henk zei dank je, maar de rest van de ochtend zat hij met zijn jas nog half aan. Alsof hij elk moment weg kon.

Thuis zei hij: ‘Dat was dus niks.’

Ik zei dat het de eerste keer was en dat het vanzelf makkelijker zou worden.

‘Voor jou misschien.’

Dat was niet eerlijk, vond ik toen. Ik had die hele ochtend naast hem gelopen, zijn jas aangenomen, naar de wc gekeken of hij daar met zijn stok wel fatsoenlijk kon draaien. Maar ik zei niets terug. Hij was moe, ik ook.

Een paar weken later belde Ria mij. Niet Henk, mij.

‘Zeg, we kunnen toch ook gewoon bij jullie koffie drinken?’ zei ze. ‘Om en om misschien. Dan hoeft Henk dat gedoe niet met die stoep en die drukte. En wandelen hoeft niet. We kunnen ook rummikub doen of een keer met z’n allen een lunch laten bezorgen.’

Ik voelde meteen opluchting. Misschien te veel opluchting.

‘Wat lief,’ zei ik. ‘Ik denk dat Henk dat ook fijn vindt.’

Dat had ik niet moeten zeggen voordat ik het hem gevraagd had.

Henk hoorde het later aan tafel en zette zijn vork neer. We aten macaroni, wat hij normaal altijd zonder commentaar opeet.

‘Jij denkt dat ik het fijn vind dat zes mensen hier komen zitten kijken of ik goed uit mijn stoel kom?’

‘Zo bedoelt niemand het.’

‘Nee, natuurlijk niet. Ze bedoelen het goed. Dat is juist het probleem.’

Ik werd boos, sneller dan ik wilde. Ik zei dat niemand hem zielig vond en dat het normaal was dat vrienden rekening met elkaar hielden. Hij keek me toen aan, echt lang, en zei: ‘Ik wil niet dat hun donderdag om mij draait.’

Daar kon ik niet meteen iets op zeggen.

Want hij had ergens gelijk. Onze groep is altijd zo gelijkwaardig geweest. Ria is degene die altijd te laat is. Joop moppert op de prijzen. Fatima neemt te veel koek mee. Ik vergeet steevast mijn leesbril. Henk was degene die de wandelroute wist, ook als hij hem ter plekke verzon. Als iedereen nu bij ons moet komen omdat Henk niet makkelijk weg kan, verandert dat. Dat weet ik ook wel.

Maar wat moet er dan gebeuren? Dat hij langzaam uit beeld verdwijnt?

De laatste maanden gaat hij nog hooguit eens in de drie weken mee. Hij zegt vaak al op woensdag dat zijn been niet goed voelt. Soms is dat waar. Soms zie ik hem ’s avonds nog zonder veel problemen naar de schuur lopen om naar zijn gereedschap te kijken. Niet omdat hij liegt, denk ik. Eerder omdat hij de energie voor de groep niet meer kan opbrengen als hij weet dat iedereen op hem let.

Ik ga meestal wel. Eerst bleef ik ook thuis, uit solidariteit misschien. Maar na twee donderdagen merkte ik dat ik de hele middag tegen hem zat te praten terwijl hij naar Studio Sport op herhaling keek. Daarna zei hij zelf: ‘Ga jij maar. Ik red me wel.’

Daar zat ook iets in van: laat mij met rust.

Bij de groep is het ongemakkelijk geworden. Ze vragen voorzichtig hoe het met hem gaat en kijken dan naar mij alsof ik de juiste antwoorden heb. Soms begin ik zelf over praktische dingen. Dat we best de kaartenmiddag bij ons kunnen doen. Dat de bibliotheek een zij-ingang zonder opstap heeft. Dat we misschien niet altijd hoeven te wandelen.

Dan zie ik Joop knikken, maar niet te enthousiast. Alsof hij bang is dat hij Henk beledigt door akkoord te gaan.

Vorige donderdag zei Fatima: ‘We willen hem er gewoon bij houden, Marjan.’

Ik zei: ‘Dat wil ik ook.’

Ria roerde in haar koffie en vroeg zacht: ‘Maar wil Henk dat zelf ook?’

Ik voelde me toen ineens betrapt. Alsof ik mijn man probeerde te regelen via zijn vrienden.

Thuis heb ik het er weer over gehad. Rustiger dit keer. Ik zei dat ik hem niet wilde wegdrukken en dat ik heus snapte dat hij niet als patiënt behandeld wil worden. Maar dat ik bang ben dat hij eenzaam wordt. Dat ík ook eenzaam word als ik steeds moet kiezen tussen bij hem blijven en naar de mensen gaan die al zo lang bij ons horen.

Hij zat aan de keukentafel met zijn handen om zijn mok. Sinds die beroerte doet hij dat vaak, alsof zijn handen warm moeten blijven.

‘Jij hoeft niet te kiezen,’ zei hij. ‘Ga gewoon.’

‘Maar jij dan?’

Hij haalde zijn schouders op. ‘Ik ben er nog. Alleen niet overal.’

Dat klonk heel stoer en heel verdrietig tegelijk. Ik weet nog steeds niet welke van de twee het meest waar was.

Deze week hebben Joop en Ria voorgesteld om zondagmiddag bij ons langs te komen, gewoon met z’n vieren. Geen hele groep, geen aangepast programma. Henk weet het nog niet. Ik heb het niet durven zeggen, terwijl ik juist degene ben die altijd vindt dat je dingen niet moet opkroppen.

De app van onze vriendengroep staat open op mijn telefoon. Fatima vraagt of iedereen er om twee uur kan zijn en stuurt er een duimpje achteraan. Ik kijk naar Henk in de woonkamer. Hij slaapt niet, maar hij heeft zijn ogen dicht.

Ik weet nog niet of ik op ‘ja, gezellig’ ga drukken.