Na 34 jaar vaste prik staat mijn man ineens buiten onze vriendengroep
Ik heb jarenlang geweten welke schaal van wie was nog vóór ik bij iemand binnenstapte. Bij Anja en Rob de aardappeltjes uit de oven met rozemarijn. Bij Kees en Marleen altijd te veel hapjes op tafel, waaronder van die blokjes oude kaas met mosterd. Bij ons meestal stoofvlees in de winter of zalm van de visboer in het dorp, omdat Henk daar vroeger op zaterdag altijd naartoe ging.
We zijn met z’n zessen: mijn man Henk en ik, Anja en Rob, en Kees en Marleen. Al sinds 1991 eten we één keer per maand bij elkaar. Eerst nog met jonge kinderen die om half negen op de bank lagen te slapen, later met pubers die zich boven verstopten, en nu praten we over kleinkinderen, knieoperaties, verbouwingen en wie er weer uit de straat verhuisd is. Niet wereldschokkend misschien, maar voor mij was het een soort vaste grond.
Henk is 64, ik ben 62. Hij heeft vorig voorjaar een hartonderzoek gehad na een benauwd gevoel op de fiets. Gelukkig was er niets ernstigs, maar zijn cholesterol was te hoog en de huisarts zei dat hij eens naar zijn leefstijl kon kijken. Henk dook daar volledig in. Dat is ook wel typisch hem. Als hij iets besluit, leest hij alles. Eerst waren het podcasts over voeding, toen documentaires, toen boeken van mensen van wie ik de naam nooit onthoud.
Binnen drie maanden at hij veganistisch. Geen vlees, vis, zuivel, eieren, niets. Hij viel af, zijn bloedwaarden werden beter en eerlijk is eerlijk: hij kreeg er energie van. Hij kookte ineens linzencurry’s en maakte hummus die best lekker was. Ik ben niet meegegaan in alles. Thuis eet ik vaak wat hij eet, omdat het makkelijker is, maar ik haal ook gewoon yoghurt en soms een stukje kip. Daar hebben we niet echt ruzie over gehad.
Het lastige begon bij onze etentjes.
De eerste keer nam Henk zelf vegan gehaktballetjes mee naar Rob en Anja. Dat vond niemand een probleem. Anja had zelfs een apart pannetje groente gemaakt zonder boter. We vonden het allemaal wat nieuw, maar ook wel aandoenlijk hoe serieus Henk ermee bezig was.
Aan tafel zei Rob, terwijl hij een stukje entrecote sneed: “Nou Henk, deze koe heeft in elk geval niet voor niks geleefd.” Dat was flauw, maar Rob maakt altijd dat soort grappen.
Henk lachte niet. Hij zei: “Volgens mij is dat precies het verhaal dat we onszelf vertellen om er geen last van te hoeven hebben.”
Het werd stil. Niet heel lang, maar lang genoeg. Anja schoof de jus naar Kees en begon over haar dochter die een andere baan had. Iedereen ging mee in dat onderwerp. Ik dacht toen nog: ach, hij moet wennen. En zij ook.
Maar bij de volgende keren kwam er steeds iets bij. Niet schreeuwen of schelden. Henk deed het juist heel rustig, bijna alsof hij een feitje deelde. Als Marleen vertelde dat haar kleinzoon gek was op frikandellen, zei Henk dat kinderen al jong leren dat dieren producten zijn. Toen Kees een nieuw barbecuepakket van de slager aanbeval, zei Henk: “Ik snap nooit dat mensen daar nog trots op kunnen zijn.”
Ik zag dan hoe Kees’ gezicht veranderde. Hij werd niet eens meteen boos. Hij keek vooral alsof hij op zijn eigen verjaardag iets verkeerds had gedaan.
Thuis zei ik tegen Henk dat hij best mocht vertellen wat hij vond, maar dat hij niet bij elke gang een opmerking hoefde te maken.
“Dus ik moet liegen?” vroeg hij.
“Nee, je hoeft niet te liegen. Je kunt ook gewoon niet overal op reageren.”
Hij keek me toen aan alsof ik iets heel lafs had gezegd. “Jij ziet toch ook wat er gebeurt? Of wil je het gewoon niet zien omdat het gezellig moet blijven?”
Dat raakte me meer dan ik wilde toegeven. Alsof ik geen geweten had omdat ik graag een avond zonder gedoe wilde. Ik zei dat ik heus wel nadacht over wat ik at. Dat ik ook minder vlees was gaan kopen. Maar Henk zei dat minder niet hetzelfde was als stoppen, en daarna heb ik de afwas gedaan terwijl hij boven nog iets zat te lezen op zijn tablet.
In november waren we bij Kees en Marleen. Marleen had vooraf geappt dat ze voor Henk een vegan ovenschotel maakte. Ze had er zichtbaar haar best op gedaan. Het rook ook goed, met pompoen en kikkererwten. Voor de rest was er hachee, omdat Kees daar al weken zin in had.
Tijdens het hoofdgerecht zei Henk tegen Marleen dat hij het fijn vond dat ze rekening met hem hield. Ik voelde al opluchting. Maar daarna zei hij: “Eigenlijk zou het mooi zijn als jullie eens zo’n hele avond plantaardig deden. Dan merk je dat je dat vlees niet nodig hebt.”
Marleen zei: “Nou, het is ónze avond bij ons thuis, hè.” Ze zei het nog met een lachje, maar haar handen lagen plat op tafel.
Henk antwoordde dat hij dat begreep, maar dat gastvrijheid niet betekende dat alles boven kritiek verheven was.
Kees zette zijn glas neer. Harder dan nodig. “We nodigen je uit, we koken apart voor je, en vervolgens moeten we ons hier verantwoorden voor wat wij eten. Daar heb ik eerlijk gezegd geen behoefte aan.”
Ik weet nog dat ik naar mijn servet keek. Ik wist niet eens meer waar ik mijn handen moest laten. Rob mompelde iets over dat iedereen zijn eigen keuzes had. Anja keek naar mij, niet boos, eerder verdrietig. Alsof zij hoopte dat ik iets zou zeggen waardoor het weer normaal werd.
Maar ik zei niets. Ik ben die avond vooral bezig geweest met niet huilen. Wat belachelijk is, want het ging over hachee en een ovenschotel. Tegelijk ging het natuurlijk al lang niet meer alleen daarover.
Twee dagen later belde Anja. Ze draaide er eerst omheen, vroeg hoe het met mijn zus ging en vertelde dat Rob last van zijn schouder had. Uiteindelijk zei ze dat ze met z’n vieren hadden gepraat, zonder ons.
“Els, we willen jullie niet kwijt,” zei ze. “Maar dit trekt zo een wissel op de avonden. Iedereen let op wat hij zegt. Kees wil Henk voorlopig niet meer uitnodigen als hij telkens commentaar heeft op het eten.”
Ik zei dat Henk geen slecht mens was. Dat hij zich zorgen maakte en misschien te fanatiek was geworden.
“Dat weet ik,” zei Anja. “Maar wij zijn ook geen slechte mensen omdat we draadjesvlees eten.”
Dat vond ik moeilijk om te horen, juist omdat het waar was. Henk had nooit letterlijk gezegd dat zij slechte mensen waren. Maar hij liet ze wel voelen dat hij zichzelf moreel beter vond. En misschien had ik hem daarin ook te lang beschermd, omdat ik wist dat hij zich gezonder voelde en eindelijk weer ergens enthousiast over was na dat gedoe met zijn hart.
Toen ik het die avond aan Henk vertelde, werd hij eerst heel stil. Daarna zei hij: “Dus ik mag alleen komen als ik mijn mond houd.”
Ik zei dat hij ook kon komen als hij gewoon geen mensen afviel aan tafel.
“Dat is hetzelfde.”
“Nee,” zei ik. “Dat is echt niet hetzelfde.”
Hij liep naar de schuur en bleef daar bijna een uur. Ik heb in die tijd de vaatwasser uitgeruimd die al schoon was. Daarna weer ingeruimd met vieze kopjes. Ik merkte het pas toen ik een lepel met een koffievlek erin legde.
Sindsdien zijn we niet meer met de hele groep bij elkaar geweest. Anja stuurt nog wel berichten in onze gezamenlijke app. Foto’s van haar kleindochter, een link naar de rommelmarkt, dat soort dingen. Henk reageert nergens op. Ik soms met een hartje, soms helemaal niet, omdat ik bang ben dat elk hartje door iemand anders wordt gelezen als een kant kiezen.
Vorige week vroeg Marleen of ik in december bij haar wilde komen eten, gewoon met de vrouwen. Ik heb gezegd dat ik erover na zou denken. Henk hoorde het en zei: “Ga gerust. Ik wil niet dat jij voor mij thuis moet zitten.” Maar hij zei het op zo’n toon dat ik niet wist of hij het meende.
Hij kookt nog steeds voor ons. Gisteren maakten we samen pasta met een saus van walnoten en tomaat. Hij zette mijn bord neer en vroeg of ik kaas wilde. Ik zei ja. Hij pakte de geraspte kaas uit de koelkast, zette hem naast mijn bord en ging weer zitten zonder iets te zeggen.
Dat was misschien het vriendelijkste wat hij die week had gedaan. Of misschien maakte ik er te veel van. Ik weet het niet meer zo goed.