Na dertig jaar voor de klas moest ik kiezen tussen stoppen of mezelf kwijtraken

Vorige week haalde ik mijn lokaal leeg zonder dat ik ontslag had genomen.

Niet helemaal leeg natuurlijk. Alleen de stapel oude proefwerken uit een onderste lade, drie kapotte whiteboardstiften, een plastic bak met vergeten woordenboeken en een plant die volgens mij al sinds de kerstvakantie dood was. Ik deed het omdat de conciërge had gezegd dat ze misschien lokalen gingen wisselen na de zomervakantie. “Misschien”, zei hij. Op school betekent misschien meestal dat het al besloten is, maar dat niemand zin heeft in de vragen die volgen.

Ik geef Nederlands op het Parkstad College, in een stad waar mensen zeggen dat ze “even naar de stad” gaan als ze naar Zwolle moeten. Dertig jaar zit ik daar nu. Eerst als jonge docent met een veel te wijde rok en een map onder mijn arm, nu als de vrouw van wie leerlingen zeggen: “Mijn moeder heeft ook nog les van u gehad.” Dat is niet altijd leuk om te horen, maar meestal wel.

Mijn man Henk is sinds vorig voorjaar met vroegpensioen. Hij werkte bij een installatiebedrijf en had er op een gegeven moment genoeg van: storingsdiensten, nieuwe systemen, jongere jongens die volgens hem alles op een tablet deden maar niet wisten waar een leiding liep. Nu vist hij op woensdag en zaterdag, soms ook op maandag als het weer goed is. In de schuur heeft hij een werkbank gemaakt waar hij uren kan rommelen met oude fietsen, een kapotte boormachine of iets wat hij op Marktplaats heeft gekocht omdat het “zonde was om weg te gooien”.

We zijn niet ongelukkig samen. Dat wil ik er wel bij zeggen. Henk zet ’s ochtends koffie voordat ik beneden ben. Hij onthoudt wanneer mijn auto naar de apk moet. Als ik griep heb, haalt hij soep en doet hij alsof hij toevallig toch langs de supermarkt moest. Maar we zijn ook een beetje langs elkaar heen gaan leven. Ik met mijn lessen, ouderavonden, mentorgesprekken en nakijkwerk. Hij met zijn werk en later met zijn vissen en zijn schuur.

Toen de directeur me in februari vroeg of ik even kon komen praten, dacht ik dat het over mijn mentorklas ging. Er was een jongen die al weken niet kwam opdagen en zijn moeder nam nooit op. Maar aan tafel zaten ook iemand van personeelszaken en onze teamleider, die ineens heel veel naar haar notitieblok keek.

De school moet bezuinigen. Minder leerlingen, hogere kosten, minder geld vanuit het bestuur. Er verdwijnen vakgroepen, lessen worden groter, taken worden anders verdeeld. Ik kreeg een regeling aangeboden: een bedrag mee, pensioen dat eerder in zou gaan, geen gedoe met boventalligheid. Ze noemden het een “zorgvuldig en waardig traject”.

Ik knikte alsof ik begreep wat er gezegd werd. Ondertussen bleef ik alleen maar denken: ze hebben mijn leeftijd erbij gepakt. Niet mijn lessen. Niet mijn examenresultaten. Niet het feit dat ik elk jaar weer de leerlingen krijg die nergens anders meer lekker passen. Mijn leeftijd.

Er was ook een andere mogelijkheid. Blijven. Maar dan met meer lesuren, minder ontwikkeltijd en een vast lesprogramma dat centraal zou worden bepaald. Minder ruimte om zelf materiaal te maken, minder tijd voor leerlingen die na de les nog even bleven hangen. In theorie was het gewoon een baan. In de praktijk voelde het alsof ik mocht blijven, zolang ik ophield met precies datgene doen waar ik goed in ben.

Henk was opvallend snel klaar met zijn mening.

“Je neemt die regeling toch gewoon aan?” zei hij die avond, terwijl hij de aardappels afgiet. “Dit is toch precies het moment? We kunnen buiten het hoogseizoen weg. Misschien eindelijk die camper huren waar we het over hadden.”

Ik zei dat ik nog niet wist of ik wilde stoppen.

Hij draaide zich om met de pan in zijn handen. “Maar waarom niet? Je zegt zelf al jaren dat je kapot bent na de toetsweken.”

Dat zei ik inderdaad. Ik klaag veel over school. Over ouders die om elf uur ’s avonds mailen. Over vergaderingen waarin iedereen woorden gebruikt als draagvlak en eigenaarschap. Over leerlingen die zonder schaamte vragen of ze hun boek mogen lenen omdat ze het al voor de derde keer kwijt zijn.

Maar klagen over je werk is iets anders dan ermee ophouden. Dat probeerde ik uit te leggen, maar het klonk zelfs voor mezelf niet helder.

“Ik ben niet alleen maar moe,” zei ik. “Ik ben daar ook gewoon mezelf.”

Henk zuchtte. Niet hard, niet gemeen. Eerder teleurgesteld.

“En hier dan?” vroeg hij. “Ben je hier dan niet jezelf?”

Daar had ik geen goed antwoord op. Misschien omdat het antwoord pijn deed. Thuis ben ik vaak degene die moe binnenkomt, die nog snel iets moet nakijken, die met een half oor luistert. Ik weet dat. Ik zie het ook wel. Alleen voelde zijn vraag alsof ik moest bewijzen dat ons huwelijk genoeg was om mijn hele werkende leven achter me te laten.

Onze dochter Marije kwam een paar dagen later eten. Ze werkt als fysiotherapeut in Deventer en heeft de gewoonte om recht voor zijn raap te zijn, ook als niemand daarom vraagt. Toen ze hoorde van de regeling, zei ze vrijwel meteen dat ik het moest doen.

“Mam, je bent al jaren over je grens heen. Je hebt afgelopen herfst nog huilend aan de telefoon gezeten omdat je vier mentorkinderen tegelijk had met gedoe thuis.”

“Dat was een slechte week,” zei ik.

“Het waren heel veel slechte weken.”

Onze zoon Bas was er ook. Hij woont met zijn vriendin in Amersfoort en werkt bij een verzekeraar. Hij zei minder, maar knikte bij alles wat Henk zei. Op een gegeven moment zei hij: “Pap wil gewoon tijd met je. Dat is toch niet raar?”

Nee, dat is niet raar. Juist daarom werd ik zo boos.

Ik zei dat ze allemaal deden alsof ik verslaafd was aan mijn werk, terwijl niemand vroeg wat ik eigenlijk wilde. Marije zei dat ze dat juist wel vroeg. Bas keek naar zijn bord. Henk stond op om de borden te pakken, hoewel ik nog niet eens klaar was met eten.

Later heb ik Marije geappt dat het me speet. Zij stuurde terug: “Mij ook, mam. Maar ik wil niet dat jij weer instort voordat je jezelf toestemming geeft om te stoppen.” Dat woord, toestemming, bleef hangen.

De week erna had ik een gesprek met mijn teamleider. Ik vroeg alsnog of ik niet drie dagen kon blijven werken. Desnoods alleen de examenklassen, of begeleiding van nieuwe docenten. Ze keek oprecht verdrietig, volgens mij. Maar het antwoord bleef nee. In de nieuwe formatie paste geen maatwerk. Of ik koos voor de regeling, of ik bleef volledig inzetbaar onder de nieuwe voorwaarden.

Sindsdien ligt de envelop van personeelszaken in de la van het dressoir. Henk vraagt er niet elke avond naar. Dat maakt het bijna erger. Hij is extra aardig geworden. Hij heeft een mapje gemaakt met campings in Drenthe en Noord-Frankrijk. Hij zegt steeds: “Kijk maar wanneer je eraan toe bent.”

Gisteren kwam ik thuis en lag er op tafel een broodje paling van de markt, speciaal voor mij gehaald. Henk zat in de schuur met de radio aan. Ik heb mijn tas in de gang laten staan en ben een tijdje in de keuken blijven zitten zonder het licht aan te doen.

Maandag moet ik de directie laten weten wat ik doe. Ik heb nog geen handtekening gezet.

Vanmorgen heb ik wel mijn lokaal weer een beetje opgeruimd. De woordenboeken staan terug in de kast. De dode plant heb ik weggegooid.