Mijn vrouw helpt onze beste vriendin stiekem, en ik weet niet meer of ik hard ben of gewoon bang

Ik merkte het eerst aan de tas in de gang. Zo’n grote donkerblauwe shopper van Marije, met daarin een thermoskan, twee pakjes crackers, haar telefoonoplader en volgens mij ook schone onderbroeken. Ze had die tas normaal alleen bij zich als we een weekend naar de Veluwe gingen.

Nu stond hij op dinsdagochtend naast de kapstok.

Ik wist toen nog niet dat ze al drie weken naar Ellen ging zonder het me echt te vertellen. Nou ja, zonder het me te vertellen is ook niet helemaal eerlijk. Ze zei wel eens: “Ik ga even bij Ellen kijken.” Of: “Ik help haar met de was.” Maar ik dacht aan een uurtje, hooguit een middag. Niet aan hele dagen waarop ze pas na het eten thuiskwam en te moe was om nog fatsoenlijk te praten.

Wij zijn 63 en 65. Marije is jonger dan ik, daar heeft ze het nog steeds over als ik haar plaag met mijn leesbril. We zijn 38 jaar getrouwd. Ellen en Henk kennen we bijna net zo lang. We zaten vroeger met z’n vieren op dezelfde camping in Frankrijk, nog met kleine kinderen en zo’n veel te grote vouwwagen. Later hadden we vaste vrijdagavonden: borrelen bij de een, eten bij de ander, altijd te veel nootjes en de mannen die zeiden dat ze maar één biertje namen.

Onze kinderen zijn inmiddels het huis uit. Henk en Ellen wonen tien minuten fietsen bij ons vandaan, in een rijtjeshuis dat al jaren te klein voelt maar waar ze nooit weg wilden. Hun dochter woont in Zwolle, hun zoon in Utrecht. Ze komen heus wel, maar ze hebben werk, gezinnen, hun eigen gedoe. Zo gaat dat.

Bij Henk werd vorig najaar alvleesklierkanker vastgesteld. Ik hoef niet uit te leggen dat het daarna heel snel anders werd. Eerst had hij nog energie om ons uit te lachen omdat hij ineens soep moest eten in plaats van zijn geliefde gehaktbal. Daarna lag hij steeds vaker op de bank. Ellen werd kleiner, vind ik. Niet letterlijk natuurlijk, maar ze liep gebogen, alsof ze voortdurend iets droeg dat wij niet zagen.

In het begin deden we allemaal wat. Ik haalde medicijnen bij de apotheek als ik toch in het centrum was. Marije kookte eens extra en bracht een pan nasi. We reden mee naar het ziekenhuis toen Ellen niet durfde omdat Henk na de chemo zo beroerd was. Dat vond ik allemaal normaal. Daar zijn vrienden voor.

Maar op een zondagmiddag, we zaten bij hen aan de keukentafel, vroeg Ellen of Marije drie vaste dagen per week wilde komen. Maandag, woensdag en vrijdag. Niet alleen voor de boodschappen of een maaltijd. Ook om bij Henk te blijven als Ellen even wilde slapen, douchen of een wandeling maken. “Ik trek het niet alleen,” zei ze. Ze keek niet eens naar mij, alleen naar Marije.

Marije pakte meteen haar hand vast.

Ik voelde al weerstand, en daar schaam ik me nu nog voor. Niet omdat Ellen het niet zwaar had. Juist omdat ik zag hoe zwaar het was. Drie dagen klonk niet als helpen. Drie dagen klonk als een baan.

Thuis zei ik voorzichtig dat er toch thuiszorg was. Dat de huisarts misschien iets kon regelen, palliatieve zorg, vrijwilligers van de hospicegroep, ik wist niet precies wat allemaal. Ik zei ook dat Ellen haar kinderen vaker moest inschakelen. Niet als verwijt, maar omdat ik echt dacht: waarom moet alles op Marije terechtkomen?

Marije keek me aan alsof ik iets heel vreemds had gezegd.

“Ellen vraagt niet om een schoonmaakster, Karel.”

“Dat zeg ik toch ook niet?”

“Ze vraagt of ik er ben.”

Ik zei dat je er ook kunt zijn zonder drie dagen per week iemands zorg over te nemen. Daar begon het mee.

De weken daarna werd Marije thuis steeds stiller. Ze zat op de rand van ons bed haar schoenen uit te trekken en zei dan dat Henk vandaag niet uit bed wilde. Of dat Ellen in de bijkeuken had staan huilen omdat ze niet meer wist welke pillen wanneer moesten. Ik luisterde wel, maar ik merkte dat ik boos werd zodra ze zei dat ze woensdag weer ging.

Niet alleen boos op haar. Ook op die ziekte, op Henk, op Ellen, op hun kinderen die ik nauwelijks kende maar die in mijn hoofd ineens altijd tekortschoten. Zelfs op mezelf, omdat ik ondertussen gewoon naar de sportschool ging op dinsdag en donderdag en daarna koffie dronk met mannen die over hun camper praatten.

Op een donderdagavond kwam Marije pas om kwart over acht thuis. Ik had aardappels, sperziebonen en slavinken gemaakt. De pan stond nog op het fornuis. Ik had haar niet gebeld, uit koppigheid vooral.

Ze zei: “Sorry, Henk kreeg het benauwd. We hebben de huisartsenpost gebeld. Het is nu weer rustig.”

Ik zei: “En jij bent daar dus de hele avond gebleven.”

Ze keek naar de tafel. “Ellen was alleen.”

Toen kwam het eruit. Dat ik niet wilde dat ons leven helemaal om hun ziekte ging draaien. Dat ik ook ouder werd, dat mijn knie niet best was, dat we juist hadden gezegd dat we meer samen zouden doen nu ik minder werk. Ik heb nog twee dagen per week in de bouwmarkt gewerkt, vooral voor de gezelligheid. Marije was vorig jaar gestopt in de administratie van een tandartspraktijk. We hadden eindelijk tijd.

“En die tijd geef jij gewoon weg,” zei ik.

Dat was een rotzin. Ik zag het meteen aan haar gezicht. Alsof Ellen iets afpakte en Marije alleen maar dom genoeg was om het toe te laten.

Ze zei heel zacht: “Henk gaat dood, Karel.”

Ik wist niets terug te zeggen.

Toch veranderde er daarna weinig. Marije beloofde dat ze het zou beperken. Eén of twee dagen, afhankelijk van hoe het liep. Maar toen vond ik die tas dus in de gang, op een dinsdag waarop ze volgens mij thuis zou blijven.

Ik vroeg waarom ze niet gewoon had gezegd dat ze ging.

“ იმიტომ jij dan weer begint.”

Dat zei ze. Ze gebruikte nooit zulke korte, harde zinnen tegen mij.

Ik werd kwaad en zei dat ik niet in een huwelijk wilde wonen waarin we dingen voor elkaar verstopten. Zij zei dat ik haar dwong te kiezen tussen mij en Ellen. Ik zei dat Ellen professionele hulp moest regelen en dat Marije geen verpleegkundige was. Marije zei dat er thuiszorg kwam, maar dat thuiszorg niet naast Ellen op de bank zat als ze instortte.

Uiteindelijk zei ik iets waar ik nog steeds niet goed van ben. Ik zei dat ze maar moest beslissen waar haar prioriteit lag: bij ons huis en ons huwelijk, of daar.

Ze pakte haar tas op en ging alsnog. Niet met een deur die dichtgeslagen werd. Gewoon de voordeur dicht, zoals altijd. Dat vond ik eigenlijk erger.

Die avond heb ik alleen gegeten. De slavinken waren droog geworden. Om half tien stuurde ze een bericht dat ze bij Ellen op de bank zou slapen omdat Henk onrustig was en Ellen bang was om alleen te zijn. Ik typte drie keer een antwoord en verwijderde het steeds.

De volgende ochtend kwam ze thuis met dezelfde kleren aan. Ze rook naar koffie en ziekenhuisachtige handcrème. Ik wilde zeggen dat het me speet, maar ik wilde ook nog steeds dat ze begreep dat ik bang was haar kwijt te raken aan iets waar ik niets tegen kon doen.

We hebben nu afgesproken dat we zaterdag met Ellen en haar kinderen om tafel gaan. Niet omdat ik wil bijhouden wie hoeveel uren doet. Maar omdat zo doorgaan niet kan, voor niemand. Marije wil nog steeds drie dagen helpen. Ik weet nog niet of ik daar uiteindelijk mee kan leven.

Vanmiddag heb ik zelf de wasmand van Ellen en Henk opgehaald. Marije keek verbaasd toen ik mijn jas aantrok. Ik zei alleen dat ik toch naar de bouwmarkt moest.

Dat was niet waar. Maar ik kon ook niet de hele middag hier blijven zitten wachten tot mijn vrouw thuiskwam.