Na veertig jaar vriendschap vroegen onze beste vrienden om €35.000, en ik weet niet of onze band dit overleeft

Ik heb de afgelopen weken drie keer een appje getypt aan Marjan en het telkens weer verwijderd. Iets simpels zelfs. “Hoe gaat het?” Of: “Zullen we zondag wandelen?” Maar alles klinkt ineens raar, alsof ik doe alsof er niets aan de hand is terwijl er juist zo veel tussen ons in hangt.

Marjan en Kees kennen we al sinds 1984. Mijn man Rob werkte toen nog bij de PTT, Kees zat bij een installatiebedrijf, en we woonden allebei in een kleine huurwoning in Amersfoort. We hadden geen geld, wel jonge kinderen en altijd mensen over de vloer. Met hen vierden we sinterklaas, oud en nieuw, verjaardagen, de diploma-uitreikingen van onze kinderen. Zij waren er toen mijn moeder stierf. Wij pasten op hun dochters toen Kees een hernia-operatie had.

Ik heb Marjan vaker gezien dan sommige familieleden.

Toen we allemaal wat meer gingen verdienen, werden de etentjes uitgebreider en de vakanties verder weg. Eerst een stacaravan in Zeeland, later Frankrijk, en op een gegeven moment zelfs twee weken naar Kreta. Rob en ik zijn nooit grootverbruikers geweest. We sparen automatisch elke maand iets, al is het maar een paar honderd euro. Rob noemt mij weleens een hamsteraar. Dat is niet helemaal onwaar. Ik ben opgegroeid met een vader die na zijn ontslag een jaar lang overal bonnetjes van bewaarde in een schoenendoos.

Kees en Marjan waren anders. Guller ook, dat moet ik eerlijk zeggen. Als we uit eten gingen, zei Kees vaak: “Deze is van mij, volgende keer jullie.” Alleen die volgende keer kwam dan niet altijd. Ik vond dat ongemakkelijk, maar Rob zei: “Ach, zo zijn ze nou eenmaal.”

De laatste jaren werd het zichtbaarder. Een andere auto terwijl hun oude nog prima reed. Een serre die volgens Marjan echt nodig was omdat haar zus uit Canada misschien vaker zou komen. Een cruise, betaald in termijnen. Tegelijkertijd klaagde Kees over opdrachten die wegvielen sinds hij minder kon werken. Hij heeft jarenlang als zzp’er gewerkt en volgens mij veel dingen vooruitgeschoven die niet vooruit te schuiven waren: belasting, verzekeringen, pensioen.

Ik wist natuurlijk niet precies hoe het zat. Je vraagt ook niet bij de borrel: hoeveel staat er nog open bij de Belastingdienst?

Drie weken geleden belden ze of we die avond konden langskomen. Geen koffie in de middag, geen appje met een foto van een nieuwe plant zoals anders. Gewoon: “Het is belangrijk.”

Marjan had de gordijnen al dicht terwijl het nog licht was. Op tafel stond een schaal met blokjes kaas die niemand aanraakte. Kees zat heel stil met zijn handen tussen zijn knieën. Ik dacht eerst dat er iets medisch was. Dat een van hen ernstig ziek was.

Het bleek geld.

Er waren achterstanden, een lening die doorliep, betalingsregelingen die niet waren nagekomen. De precieze bedragen werden in stukken verteld, door elkaar heen. Kees zei dat hij het overzicht kwijt was geraakt. Marjan zei dat ze jarenlang had vertrouwd op wat hij haar vertelde. Vervolgens zei Kees dat zij ook wist dat het niet goed ging. En dat was waarschijnlijk allebei waar.

Ze moesten binnen korte tijd €35.000 regelen. Anders zouden ze hun huis mogelijk moeten verkopen, vertelde Marjan. Het huis waar ze al meer dan dertig jaar wonen, met die serre dus.

Toen kwam de vraag.

Rob zei niet meteen ja, maar ik zag het aan hem. Hij boog voorover, legde zijn hand op de tafel en zei: “Jongens, we gaan kijken wat we kunnen doen.”

Ik zei niets. Daar schaam ik me nu nog steeds een beetje voor. Marjan huilde, Kees keek naar zijn glas water, en ik zat daar te rekenen zonder cijfers op te schrijven. Ons spaargeld. De badkamer die ooit aangepast moet worden als een van ons slecht ter been raakt. Mijn pensioen, dat niet riant is omdat ik jarenlang parttime in de thuiszorg heb gewerkt. De kleinkinderen, voor wie we allebei een klein potje hebben. Niet omdat ze dat recht hebben, maar omdat ik het fijn vind dat er iets is als ze later gaan studeren of op zichzelf wonen.

In de auto zei Rob: “We kunnen ze toch niet laten vallen?”

Ik zei: “We kunnen niet zomaar vijfendertigduizend euro weggeven.”

“Lenen,” zei hij.

“Zonder plan is dat geen lenen.”

Daar werd hij boos om. Niet schreeuwen, Rob schreeuwt eigenlijk nooit. Hij werd stil op die manier waarop ik precies weet dat hij zich gekwetst voelt. Hij zei dat ik Marjan en Kees behandelde alsof ze vreemden waren die aan de deur kwamen collecteren.

Dat deed pijn. Juist omdat ik van hen houd.

Een paar dagen later zaten we bij ons aan de keukentafel. Rob had allerlei papieren klaargelegd. Hij wilde €20.000 aanbieden, met een schriftelijke afspraak, hoe ongemakkelijk dat ook voelde. De rest zouden ze dan via andere regelingen moeten oplossen. Ik vond twintigduizend al verschrikkelijk veel, maar ik had ermee ingestemd. Niet van harte. Eerder omdat ik zag dat Rob anders tussen zijn vrouw en zijn beste vriend in zou komen te staan.

Kees keek nauwelijks naar de papieren.

“Twintig gaat het niet oplossen,” zei hij.

Marjan zei dat ze juist bij ons waren gekomen omdat wij hen kenden. Omdat we wisten dat ze geen profiteurs waren. Daarna zei ze iets wat ik nog steeds in mijn hoofd hoor, vooral ’s nachts als ik wakker word.

“Als de rollen omgedraaid waren, zouden wij niet twijfelen.”

Ik geloof zelfs dat ze dat meent.

Maar de rollen zijn niet omgedraaid. Wij hebben geen schuld van €35.000 omdat we jarenlang boven onze stand leefden. En ik weet dat het hard klinkt. Ik weet ook dat er pech bij zat: Kees’ rug, corona, een opdrachtgever die niet betaalde. Maar er waren telkens keuzes tussendoor. De cruise. De verbouwing. Het steeds maar denken dat het volgende kwartaal beter zou worden.

Ik vroeg voorzichtig wat ze zelf gingen veranderen. Of de auto weg kon, of ze de serre zouden kunnen meefinancieren door hun huis anders te verkopen, of ze met de schuldhulpverlening hadden gesproken.

Marjan trok wit weg. Kees zei: “Dus je vindt dat we ons hele leven moeten afbreken voordat jullie willen helpen?”

Zo had ik het niet bedoeld. Of misschien deels wel, en durfde ik dat niet hardop te zeggen.

Rob zei later dat ik te zakelijk was geweest. Hij heeft inmiddels voorgesteld om de €35.000 te lenen, zonder harde maandelijkse aflossing. “Als ze weer lucht hebben, komt het wel,” zei hij.

Ik vroeg waarvan dan. Hij kon daar geen antwoord op geven.

We hebben nog niets overgemaakt. Onze bankpasjes liggen gewoon in het laatje, de automatische afschrijvingen gaan door, gisteren heb ik zonder nadenken wasmiddel in de aanbieding gekocht. Maar thuis is het anders. Rob leest de krant en ik weet dat hij niet leest. Ik kijk naar mijn telefoon en hoop tegelijk op een bericht van Marjan en dat er geen bericht komt.

Vanmiddag stuurde ze alleen een hartje. Geen woorden.

Ik heb nog niet gereageerd.