Na veertig jaar vriendschap wist ik niet meer waar helpen ophield en zorgen begon

Ik heb de afgelopen weken drie keer mijn fiets gepakt om naar Marijke te gaan, en één keer ben ik halverwege omgedraaid.

Niet omdat ik geen zin had in haar. Dat is het nare eraan. Als ik aan Marijke denk, zie ik haar nog steeds met haar veel te grote zonnehoed in Frankrijk, scheef op een plastic stoeltje voor de caravan. Of aan onze vrijdagavonden, al ruim dertig jaar bijna heilig: eerst een borrel bij hen of bij ons, daarna eten. Soms uitgebreid, soms gewoon nasi uit een pakje en een schaal kroepoek. Henk deed dan alsof hij de wijnkaart van een sterrenzaak uit zijn hoofd kende en Marijke lachte daar altijd net iets te hard om.

Koos en ik zijn allebei 66. We kennen Henk en Marijke sinds onze kinderen op dezelfde basisschool zaten. De kinderen zijn allang het huis uit, wij zijn alle vier met pensioen of bijna met pensioen, en ik had eerlijk gezegd gedacht: nu komt er eindelijk wat ruimte. Ik ben vorig jaar weer begonnen met keramiek in het wijkatelier. Op woensdag pas ik soms op mijn kleinzoon Mees. Koos golft op maandagochtend, al noemt hij het zelf wandelen met een stok.

Marijke vergat eerst kleine dingen. Waar ze haar bril had gelaten. Dat ze Henk al had gevraagd of hij melk wilde meenemen. Een afspraak bij de mondhygiënist. We maakten er in het begin niet eens echt een punt van. Wie vergeet er nou niets na zijn zestigste?

Maar op een vrijdag stond ze bij ons voor de deur terwijl Henk dacht dat ze boven lag te slapen. Ze woonden nog geen tien minuten fietsen verderop. Ze had geen jas aan en zei dat ze naar ‘de oude Albert Heijn’ zocht, die al jaren een sportschool is.

Daarna ging het snel, of misschien keek ik ineens beter. De geheugenpoli, onderzoeken, een diagnose waar Henk eerst boos van werd. Niet op Marijke, vooral op de neuroloog en op het woord zelf. Dementie. Hij zei dat ze er een stempel op wilden plakken. Later zei hij aan onze keukentafel, met zijn handen om een koud kopje koffie: ‘Maar ze is toch nog gewoon Marijke.’

Daar had hij gelijk in. En tegelijk ook niet helemaal.

In het begin hielpen we vanzelf. Koos bracht Henk en Marijke naar een afspraak omdat Henk na een oogbehandeling niet mocht rijden. Ik ging een ochtend met Marijke naar de markt, omdat ze onrustig werd als Henk belde dat hij langer wegbleef. We namen soms iets extra’s mee van de supermarkt. Normale dingen. Dingen die je doet voor mensen die je lief zijn.

Toen kwam er een gedeelde agenda, waar Henk ons zonder veel uitleg aan toevoegde. Eerst zag ik alleen afspraken van Marijke: fysiotherapie, casemanager, pedicure. Daarna stonden er ook blokken in: ‘Ans bij Marijke?’ en ‘Koos beschikbaar?’

Ik dacht eerst dat hij opties bedoelde. Tot hij op een dinsdagmiddag belde.

‘Jij zou morgen toch van tien tot twee kunnen?’

Ik zei dat ik keramiek had.

Aan de andere kant bleef het even stil. ‘Maar dat is toch een hobby?’

Ik weet nog dat ik naar mijn handen keek. Er zat klei onder mijn nagels van de vorige les. Ik zei iets flauws als dat ik al betaald had en dat we bezig waren met glazuren. Alsof het geld of die glazuren het punt waren.

Henk zuchtte. ‘Ik moet morgen naar de bank. Die machtiging van Marijke loopt vast en ik krijg het niet geregeld via de app.’

Uiteindelijk ging Koos. Hij zei dat het maar anderhalf uur was. Hij kwam pas tegen vieren thuis omdat Henk ook nog langs de apotheek wilde en vervolgens niet meer wist waar hij de auto had neergezet. Koos vertelde het bijna lachend, maar hij was doodmoe.

Daarna ging het vaker zo. Henk vroeg of ik de administratie van Marijke wilde doen, omdat ik vroeger op een schoolsecretariaat had gewerkt. Of Koos haar een middag mee kon nemen als hij naar de kapper moest. Of wij voortaan op vrijdag eerder konden eten, liefst bij hen, omdat Marijke tegen de avond verwarder was.

Het ergste is dat ik niet eens altijd nee zei. Soms zei ik ja en was ik daarna geïrriteerd op Marijke omdat ze vijf keer vroeg waar Henk was. Daar schaam ik me verschrikkelijk voor. Zij doet dit niet expres. Ze kijkt me dan aan met die vertrouwde blauwe ogen, en soms zie ik dat ze zelf merkt dat er iets wegzakt. Dan trekt haar gezicht helemaal dicht.

Koos vindt dat ik te veel op de gevolgen vooruitloop. Hij zegt: ‘Als wij dit zouden meemaken, hoop ik ook dat Henk en Marijke niet zouden zeggen dat ze hun eigen planning belangrijker vinden.’

Daar kan ik nauwelijks tegenin. Want natuurlijk hoop ik dat ook. Alleen: ik hoop niet dat iemand dan zijn leven om ons heen moet bouwen. Ik hoop dat er hulp komt die daarvoor bedoeld is. Een casemanager, dagbesteding, thuiszorg als dat nodig wordt. Henk zegt dat dat allemaal tijd kost en dat de indicaties ingewikkeld zijn. Dat geloof ik meteen. Maar elke keer als iets niet lukt bij een instantie, komt het vervolgens bij ons terecht.

Vorige maand had ik een weekendje Maastricht gepland met mijn zus. Voor het eerst samen sinds onze moeder is overleden. Twee nachten, niks bijzonders. Hotelletje bij het station, musea, te veel koffie drinken. Henk wist het al weken.

De donderdag ervoor belde hij in paniek. Marijke had haar portemonnee verstopt en beschuldigde hem ervan dat hij haar geld had afgepakt. Hij wilde niet alleen met haar blijven. Of ik die zaterdag kon komen, een paar uur maar, zodat hij ‘even adem kon halen’.

Ik zei dat ik weg zou zijn.

Hij zei: ‘O ja. Maastricht.’ Niet venijnig, eerder moe. Maar het kwam toch hard aan.

Ik ben gegaan. Mijn zus merkte op de eerste avond dat ik steeds op mijn telefoon keek. Er waren vier gemiste oproepen van Henk, twee appjes van Koos en één voicemail waarin Marijke op de achtergrond huilde. Ik heb die nacht nauwelijks geslapen. De volgende ochtend ben ik met mijn zus naar het Bonnefanten geweest en ik weet bijna niets meer van wat we gezien hebben.

De echte klap kwam bij de jeu-de-boulesvereniging. We hadden een zomerborrel. Marijke ging al een tijd niet meer mee, maar Henk kwam wel. Hij had zichtbaar te veel gedronken, wat eigenlijk niet bij hem past.

Iemand vroeg hoe het thuis ging. Henk keek eerst naar zijn glas en toen naar Koos en mij.

‘Ach,’ zei hij, ‘je leert wel wie er overblijven als het lastig wordt.’

Het werd stil op zo’n manier die je meteen voelt. Hij ging door, terwijl ik nog dacht dat hij zou stoppen.

‘Veertig jaar vrienden, maar een middag oppassen is blijkbaar te veel gevraagd. Iedereen wil Marijke nog wel zien als ze gezellig is.’

Koos werd rood. Ik ook, maar bij mij sloeg het meer naar binnen. Ik zei niets. Dat is achteraf misschien laf, maar ik wist oprecht niet wat ik kon zeggen zonder te gaan huilen of te schreeuwen.

In de auto naar huis zei Koos dat Henk het niet zo meende. Dat hij kapotzit. Ik zei dat kapotzitten niet betekent dat je alles mag zeggen. Toen kregen we ruzie, harder dan we in jaren hadden gehad. Koos vond dat ik Henk liet vallen. Ik vond dat Koos al maanden ja zei namens ons allebei.

Sindsdien is het vreemd. Henk appt nog wel praktische dingen. Of Koos zondag kan rijden. Of ik weet hoe hij een wijziging bij de zorgverzekering moet doorgeven. Ik antwoord korter dan vroeger. Daar voel ik me klein door, maar ook opgelucht, en die twee gevoelens gaan blijkbaar prima naast elkaar zitten.

Gisteren belde Marijke zelf. Ze zei dat ze me miste en vroeg of we vrijdag weer kwamen eten. Op de achtergrond hoorde ik Henk zeggen dat het maandag was.

Ik heb gezegd dat ik vrijdag kom, maar dat we om negen uur weggaan. Geen overnachting, geen administratie aan tafel, geen afspraak voor de week erna omdat het op dat moment toevallig makkelijk lijkt.

Toen ik ophing, keek Koos me aan alsof hij wilde vragen of dat genoeg was. Ik weet het niet. Ik weet alleen dat ik Marijke niet kwijt wil. Maar ik kan ook niet doen alsof er nog vier mensen aan die vrijdagtafel zitten die allemaal evenveel kunnen dragen.