Toen Kees met pensioen ging, wilde hij zes maanden weg — en ik ontdekte hoeveel onze vriendschap ons allemaal was gaan dragen

De eerste keer dat Kees het over Portugal had, stond hij aardappels te schillen boven de GFT-bak. Het was een dinsdag, net na vieren, en hij had die ochtend zijn afscheidslunch op kantoor gehad. Veertig jaar bij dezelfde installateur in Amersfoort. Hij was thuisgekomen met een bos bloemen, een envelop met cadeaubonnen en zo’n gezichtsuitdrukking die ik al een tijdje niet meer bij hem had gezien.

“Ze zoeken nog mensen bij dat project in de Algarve,” zei hij. “Voor zonnepanelen op die kleine gemeenschapshuizen. Niet om het werk over te nemen, maar om lokale jongens op te leiden. Zes maanden ongeveer.”

Ik dacht eerst dat hij grapte. Kees is nooit iemand geweest die zomaar een weekend weg boekt. Voor onze vakanties naar Frankrijk maakte hij lijstjes met reservesleutels, bandenspanning en waar de caravanverzekering lag.

Maar hij had het er al jaren over. Ooit, als hij tijd had. Iets doen met zijn handen waar hij direct kon zien dat het nut had. Niet meer storingen oplossen in bedrijfspanden van mensen die hem vooral belden om te klagen dat het licht het niet deed.

Diezelfde vrijdag zouden we bij Rob en Anja eten. Iedere vrijdag, al dertig jaar bijna. De ene week bij hen in Soest, de andere week bij ons. Soms iets simpels, pasta of stamppot, soms deed Rob alsof hij in een restaurant werkte en had hij drie gangen. We vierden verjaardagen samen, gingen samen naar Texel en later naar een huisje in Limburg. Toen mijn moeder stierf, zat Anja drie avonden achter elkaar bij mij op de bank zonder dat ik haar echt hoefde te vermaken. Toen Rob na zijn reorganisatie maanden somber door het huis liep, nam Kees hem iedere woensdag mee om te fietsen.

Ik vertelde over Portugal terwijl Anja de salade omschepte. Ik weet nog dat ze te veel dressing op één plek goot en ernaar bleef kijken.

“Zes maanden?” vroeg ze.

Kees zei dat hij misschien tussendoor een paar dagen terug kon komen. Of ik kon langskomen. Hij zei het opgewekt, bijna verontschuldigend, alsof hij de scherpe rand eraf wilde halen.

Rob zei eerst niets. Daarna: “Nou, dat is wel een ander pensioen dan een volkstuin nemen.”

Iedereen lachte een beetje. Behalve Anja. Zij zei: “Wat leuk voor jullie.” Maar ze zei jullie, niet Kees.

Een paar weken daarvoor had Anja gehoord dat ze parkinson had. Nog in een vroeg stadium, had de neuroloog gezegd. Ze kon nog autorijden, wandelde elke dag en als je haar niet kende, zag je hooguit dat haar linkerhand soms niet helemaal meedeed. Maar de diagnose was als een deken over haar heen gevallen. Niet omdat ze nu al zoveel niet kon, maar omdat ze ineens bij alles dacht aan later.

Ze belde mij sindsdien vaak. Soms om iets praktisch te vragen over een verwijzing of een fysiotherapeut. Vaker omdat ze had gegoogeld en daar spijt van had. Dan zei ze: “Miep, ik weet dat ik mezelf gek maak, maar ik zie alleen maar mensen die na vijf jaar…” En dan brak de zin af.

Ik ging mee naar haar eerste afspraak bij de parkinsonverpleegkundige, omdat Rob die dag een klus niet af kon zeggen. Rob is geen slechte man. Hij raakt alleen paniekerig van ziekenhuizen en reageert dan door heel hard over praktische dingen te praten. Over parkeerbonnetjes en of de vaatwasser nog gerepareerd moest worden.

Na dat diner appte Anja me: Ik gun het hem echt. Maar ik weet niet hoe ik dit moet doen als jullie zo ver weg zijn.

Niet jij, dacht ik meteen. Jullie.

Dat was misschien niet eerlijk. Ik kon hier blijven. Maar Kees en ik waren sinds zijn pensioen juist weer zo naar elkaar toe gegroeid. Zijn werk had altijd ruimte ingenomen, ook als hij thuis was. Nu dronk hij koffie aan tafel in plaats van in de auto, liep hij mee naar de markt en vroeg hij wat ik die dag gedaan had zonder ondertussen op zijn telefoon te kijken. Portugal voelde niet alleen als zijn plan. Het voelde ook als een nieuwe periode waarin ik hem niet kwijt wilde raken aan iets wat hij zó graag wilde.

De zondag erna zei ik tegen hem dat Anja het zwaar had.

Hij wist dat natuurlijk. “Maar ik laat Rob en Anja toch niet in de steek omdat ik een halfjaar wegga?”

“Voor haar voelt het wel zo.”

Kees legde zijn krant neer. “Miep, als ik hier blijf omdat Anja bang is, dan wordt dat toch geen goede reden om hier te blijven?”

Ik zei dat hij het altijd meteen zo groot maakte. Alsof ik hem een verbod wilde opleggen. Dat was niet waar, maar ik wilde wel dat hij zelf zou zeggen: dan wacht ik nog een jaar. Ik schaam me daar nu voor. Ik wilde dat besluit niet dragen, maar hoopte wel op de uitkomst.

Hij keek me lang aan en zei toen: “Ik heb altijd gedacht dat wij vier vrienden waren. Niet dat wij verantwoordelijk zijn voor hoe zij zich door elke dag heen moet trekken.”

Daar werd ik woedend van. Vooral omdat er iets in zat wat ik niet wilde horen. Anja leunde op mij. Misschien te veel. En ik leunde op haar ook meer dan ik toegaf. Als Kees laat was geweest, als ik ruzie had met mijn zus, als ik me oud voelde worden op een manier waar je niet met je man over praat: Anja wist het allemaal.

We gingen de week daarna gewoon weer bij hen eten, maar het was verschrikkelijk ongemakkelijk. Rob had nasi gemaakt en bleef bier inschenken terwijl niemand erom vroeg. Kees vertelde dat hij was aangenomen door de stichting en dat vertrek waarschijnlijk begin oktober zou zijn.

Anja zei: “Dus het staat al vast.”

“Nee,” zei ik te snel. “Het is nog niet… nou ja, hij kan nog terug.”

Kees keek naar mij. Niet boos, eerder gekwetst. Ik had hem ineens neergezet als iemand die een keuze maakte waar ik zelf blijkbaar niet achter stond.

Rob schoof zijn bord weg. “Het is jullie leven,” zei hij. “Maar doe niet alsof dit voor ons niets verandert.”

Dat vond ik eigenlijk het eerlijkste wat er die avond gezegd werd.

Later, toen Kees in de auto zat, belde Anja me. Ze huilde niet. Dat maakte het erger.

“Je hoeft niet tussen ons te kiezen,” zei ze.

Maar dat was precies wat er gebeurde. Niet officieel, niet met een ultimatum. Alleen in alle kleine dingen. Als ik naar Portugal zou gaan, was ik niet beschikbaar voor haar controles en haar slechte dagen. Als ik thuisbleef, zou Kees daar alleen zitten en zou ik me afvragen waarom wij op onze leeftijd nog steeds niet mochten kiezen voor iets dat alleen van ons was.

Uiteindelijk is Kees vorige maand vertrokken. Niet voor zes maanden, maar eerst voor vier. Dat was zijn voorstel, al weet ik niet of hij dat voor zichzelf deed of om de rest gerust te stellen. Ik ben twee weken met hem mee geweest om te helpen settelen, wat een veel te groot woord is voor een appartementje boven een bakker in een dorp waar ik niemand verstond.

Anja heeft inmiddels een vaste afspraak met een psycholoog via de huisarts en Rob gaat soms mee. Niet altijd. Ze belt mij nog steeds, maar minder vaak. Soms mis ik haar stem juist op dagen dat ik denk: waarom belt ze niet?

Afgelopen vrijdag aten Rob en Anja bij mij. Ik had te veel sperziebonen gekocht en Rob nam zonder vragen een bakje mee voor thuis, zoals vroeger. We spraken een tijd over de verbouwing van hun badkamer. Over beugels, een inloopdouche, dingen waar Anja nog niet aan toe wil zijn.

Toen ik na het afwassen mijn telefoon pakte, stond er een foto van Kees op. Hij zat buiten aan een plastic tafel met drie jonge mannen die allemaal een duim omhoog staken. Ik moest lachen en ik moest huilen, allebei heel kort.

Anja zag het scherm en zei alleen: “Hij ziet er goed uit.”

Ik zei: “Ja.”

Daarna zette ik koffie, want die was inmiddels koud geworden.