Na veertig jaar vriendschap wilden Henk en Marja naar Spanje, maar wij konden ons dorp niet zomaar achterlaten
De eerste keer dat Marja het zei, stonden we met z’n vieren in hun keuken naar foto’s op een tablet te kijken. Witgekalkte huisjes, een pleintje met sinaasappelbomen, een terras dat groter leek dan ons hele achtertuintje. Henk had al uitgerekend hoeveel dagen zon daar gemiddeld waren in februari.
„Stel je eens voor,” zei Marja, „dat we daar straks gewoon zitten. Niet drie weken, maar maanden.”
Ik zei nog: „Nou, heerlijk voor jullie.” Ik meende het ook. Of tenminste, ik wilde het menen.
Wij, mijn man Pieter en ik, kennen Henk en Marja sinds 1984. We woonden toen allebei in een huurwoning aan dezelfde straat in een dorp net onder Deventer. De kinderen waren klein, het geld was vaak op voordat de maand voorbij was en we leenden zonder gedoe suiker, een fietspomp of twintig gulden tot vrijdag. We gingen samen kamperen in Frankrijk met twee gammele vouwwagens. Toen mijn moeder stierf, stond Marja als eerste voor de deur met een pan soep waar ik niet van gegeten heb, maar die ik nooit vergeten ben.
Later werden we ouder op een manier die je niet merkt zolang je erin zit. Kinderen het huis uit, ouders die minder konden, verbouwingen, ontslagen, verjaardagen met steeds meer kleinkinderen op de foto. Elke zondagmorgen wandelden we, behalve als iemand griep had of er een geboorte was. Veertig jaar lang was het niet de vraag óf we elkaar zagen, maar wanneer.
Henk ging vorig jaar met pensioen bij de gemeente. Marja stopte een paar maanden later in de thuiszorg. Ze hadden allebei genoeg van de winter, zeiden ze. Van regen op de ramen om vier uur ’s middags, van afspraken die altijd ergens om draaiden. Ze wilden niet wachten tot hun knieën of ogen hen zouden tegenhouden.
Dat begreep ik heel goed. Ik ben zelf ook niet blind voor de tijd. Pieter is 66, ik 64. We zijn gezond genoeg, nog. Dat woordje „nog” hangt tegenwoordig overal boven.
Maar toen kwam het voorstel waar ik niet op voorbereid was.
Ze hadden een makelaar gesproken in Andalusië. Niet om er alleen iets te huren, maar om een kleine woning te kopen. Misschien twee woningen dicht bij elkaar, of iets met een gastenverblijf. Pieter en ik zouden ons huis kunnen aanhouden en van november tot maart bij hen wonen. „Dan maken we er gewoon ons tweede leven van,” zei Henk. „Met z’n vieren. Zoals vroeger, maar dan zonder werk en zonder gezeur.”
Pieter keek naar zijn koffie. Ik voelde meteen dat hij dichtklapte, wat hij doet als iets te groot wordt gebracht alsof het heel simpel is.
Ik zei dat het prachtig klonk, maar dat wij hier niet zomaar weg konden.
Dat kwam harder aan dan ik had verwacht.
Wij zorgen sinds twee jaar veel voor onze buurman, Kees. Hij is 78, weduwnaar, heeft Parkinson en geen kinderen. Zijn zus woont in Limburg en komt heus wel, maar niet voor een kapotte lamp, een ziekenhuisrit of als hij op dinsdag vergeet dat de wijkverpleging pas donderdag langskomt. Pieter doet zijn boodschappen als hij slecht loopt. Ik ga mee naar gesprekken bij de huisarts als Kees daarom vraagt. Niet omdat we heiligen zijn. Hij heeft vroeger ook veel voor ons gedaan. Hij repareerde onze schutting toen Pieter na zijn hernia niets mocht tillen. En eerlijk gezegd: we houden gewoon van die man.
Daarnaast zit Pieter in de dorpsraad. Hij is daar niet de voorzitter of zo, maar wel iemand bij wie mensen aankloppen. Over verkeersdrempels, het speelveldje, de plannen voor woningen aan de rand van het dorp. Ik help twee ochtenden in de week in de bibliotheek en draai mee bij de leesclub voor kinderen. Niet wereldschokkend misschien. Maar het is ons leven.
Marja zei: „Kees heeft toch ook andere mensen?”
Ik antwoordde: „Ja. Maar niet altijd op het moment dat het nodig is.”
Toen zei ze iets wat me nog steeds dwarszit, juist omdat er ook iets van waarheid in zat.
„Jullie doen alsof niemand zonder jullie kan. Maar misschien gebruiken jullie dat ook een beetje om niet te hoeven kiezen voor jezelf.”
Ik werd boos. Meteen. Veel bozer dan nodig was.
„En jullie doen alsof wij ondankbaar zijn omdat we niet drie maanden per jaar bij jullie op een terras willen zitten.”
Niemand zei daarna veel. Henk pakte de glazen op, terwijl we nog maar net aan de borrel zaten. Zo’n huishoudelijk gebaar waar je je bijna nog lulliger door voelt.
De weken erna werd alles stroef. Niet dramatisch met blokkeren op WhatsApp of nare berichten. Misschien was dat nog makkelijker geweest. We stuurden foto’s van de kleinkinderen en reageerden met een duimpje. Onze zondagwandeling ging een paar keer niet door omdat Henk en Marja naar Spanje waren voor bezichtigingen. Daarna gingen Pieter en ik wel, met z’n tweeën, maar na twintig minuten liepen we alweer terug. We wisten niet goed waar we het over moesten hebben zonder hen.
In maart belde Marja. Ze hadden gekocht. Een klein huisje in een dorpje bij Vélez-Málaga, met een dakterras en een logeerkamer. Ze klonk blij, maar ook afwachtend, alsof ze bang was dat ik haar zou feliciteren op een toon die nergens op sloeg.
Ik zei dat ik blij voor haar was. Dit keer meende ik het, al moest ik daarna even zitten met mijn telefoon op schoot.
Ze vroeg wanneer we kwamen kijken.
Ik zei: „Misschien in het najaar.”
Er viel een stilte. Toen zei ze: „Dus niet in januari en februari, zoals we hadden besproken.”
„We hadden niks afgesproken, Marja.”
Dat was feitelijk waar, maar ook flauw. Want we hadden het er wel over gehad, vaak zelfs. Alleen ik had gedacht dat het een droom was waar je samen een beetje in kon rondhangen. Zij hadden het blijkbaar gehoord als een plan.
Pieter vindt nog steeds dat zij ons onder druk zetten. Soms zegt hij: „Ze willen geen vriendschap op afstand, ze willen publiek bij hun nieuwe leven.” Ik snap wat hij bedoelt, maar ik vind het te hard. Henk en Marja hebben altijd alles met ons gedeeld. Misschien doet het hun oprecht pijn dat wij niet mee willen in iets waar ze zo lang van hebben gedroomd.
En soms, als ik Kees’ medicijnen uit de apotheek haal in de regen, of als Pieter ’s avonds weer naar een vergadering gaat waar drie mensen ruzie maken over parkeerplaatsen, denk ik aan dat dakterras. Aan niets hoeven. Aan een paar maanden waarin niemand iets van je verwacht. Dan schaam ik me ook een beetje dat ik Marja’s opmerking zo fel heb weggewuifd.
Vorige week vertelde Kees dat zijn zus wil kijken naar een woonzorgcentrum, misschien tegen de winter. Hij zei het heel nuchter, alsof hij het over een nieuwe cv-ketel had. Maar zijn handen trilden toen hij zijn thee inschonk.
Diezelfde avond stuurde Marja een filmpje van de zonsondergang vanaf hun terras. „Hier zou je moeten zitten,” schreef ze. Daarna, een paar minuten later: „We missen jullie.”
Ik heb teruggestuurd dat wij hen ook missen. Dat was alles.
In september gaan Pieter en ik tien dagen. De tickets zijn al geboekt, al heeft Pieter bij het invullen van zijn gegevens drie keer gevraagd of het echt nodig was om zo vroeg te beslissen. Ik weet niet of tien dagen genoeg is voor hen. Ik weet ook niet of ik na die tien dagen juist makkelijker of moeilijker terug naar huis zal gaan.
Kees heeft de data op zijn kalender geschreven. Hij zei dat hij het fijn voor ons vindt en vroeg of we foto’s van de zee sturen. Pieter heeft de buurvrouw gevraagd of zij die week een beetje extra wil opletten.
Het voelt nog niet als een oplossing. Eerder als een proef waarvoor niemand de regels kent.