Na veertig jaar vriendschap bleek een handtekening voor mij zwaarder dan ik had verwacht
Het conceptcontract lag drie weken op onze eettafel, half onder de krant en naast een schaal met mandarijnen die langzaam zacht werden. Ik had het al die tijd niet opengeslagen, behalve de eerste pagina. Daar stond meteen iets over aandeelhouders, gebruiksrechten en een exitregeling.
Alsof we een stel onbekenden waren die samen in een bedrijventerrein wilden investeren.
Mijn vrouw Marijke zei er de eerste dagen weinig over. Ze kent me lang genoeg om te weten dat ik dan juist dichtklap. Wij zijn allebei 67, sinds vorig voorjaar met pensioen. Ik werkte bij de gemeente, op vastgoedbeheer, ironisch genoeg. Marijke zat in het onderwijs. Onze beste vrienden, Hans en Ellen, kennen we sinds 1983. We woonden toen in dezelfde straat in Amersfoort, met jonge kinderen, te weinig geld en van die gammele vouwwagens die je op de camping niet in één keer goed kreeg opgezet.
We hebben werkelijk alles samen gedaan. Verjaardagen, kerstbrunches, kampeerweken in de Ardèche, kinderen naar studentensteden brengen. Toen Ellen borstkanker kreeg, reed Hans niet meer graag alleen in het donker en ging ik vaak mee naar het ziekenhuis in Utrecht. Toen mijn moeder naar een verpleeghuis moest, kwam Ellen zonder aankondiging met soep en een pan stamppot. Niet één keer, maar wekenlang.
Je gaat dan op een bepaalde manier over mensen denken. Niet eens bewust. Zij horen gewoon bij je leven, zoals je zus of je eigen kinderen erbij horen.
Het idee voor dat huis in Frankrijk ontstond twee zomers geleden, aan een plastic tafel bij een gîte in de Drôme. We waren daar met z’n vieren. Het was bloedheet, Hans had te veel rosé op en zei dat hij klaar was met ieder jaar zoeken naar een huurhuis waar de bedden slecht zijn en de pannen ontbreken.
‘Waarom kopen we niet gewoon iets?’ zei hij.
We lachten eerst. Daarna niet meer.
Het werd een serieus plan. Geen luxe villa, maar een oud groot huis waar onze kinderen en kleinkinderen ook terecht konden. Zonnepanelen, een warmtepomp als het technisch een beetje haalbaar was, regenwateropvang voor de tuin. We waren al twee keer gaan kijken. Het huis dat we uiteindelijk vonden lag in een dorpje vlak onder Cahors. Luiken die opnieuw geschilderd moesten worden, een scheve schuur, een zwembad dat eigenlijk meer op een grote lege badkuip leek. Maar er was een lange tafel onder een moerbeiboom. Ik zag ons daar al zitten, over tien jaar misschien, iets krommer en trager, maar nog steeds samen.
De vraag was nooit óf we het samen zouden doen. Alleen hoe.
Ik dacht: ieder de helft erin, ieder de helft eruit. Kosten delen. Als er iets kapotgaat, bellen we elkaar. Zoals we altijd doen. Hans was het daar aanvankelijk mee eens. Maar na een gesprek met zijn dochter, die financieel adviseur is, kwam hij met het voorstel van een Franse SCI of een Nederlandse bv-constructie, met aanvullende afspraken. Uiteindelijk werd het een concept voor een bv, omdat dat volgens hen overzichtelijker zou zijn voor erfgenamen en als iemand eruit wilde.
Ellen stuurde het document via de mail met daarbij: ‘Niet schrikken van de juridische taal hoor. Juist fijn als alles helder is voor later.’
Ik schrok er wel van.
Er stond in dat je weken moest reserveren. Dat er regels zouden komen voor gasten. Dat grote uitgaven alleen met toestemming van beiden konden. Dat er een waardebepaling moest plaatsvinden als één van ons wilde verkopen. En, dat vond ik misschien nog het ergste, wat er zou gebeuren als één van ons ‘duurzaam handelingsonbekwaam’ werd of langdurig niet meer kon bijdragen.
Ik weet heus wel dat zulke dingen kunnen gebeuren. Mijn eigen vader had Parkinson. Ik ben niet achterlijk. Maar moet je dat nu al, terwijl we gezond aan tafel zitten, laten vastleggen alsof je elkaar voor bent?
Toen Hans belde en vroeg wat ik ervan vond, zei ik dat ik het kil vond. Hij bleef even stil.
‘Ja,’ zei hij toen. ‘Dat snap ik. Maar kil is niet hetzelfde als verkeerd, Bas.’
Daar had ik direct een hekel aan, aan die zin. Misschien omdat hij gelijk klonk.
We zijn bij hen gaan eten om erover te praten. Ellen had lasagne gemaakt. Dat soort details onthoud je dan, blijkbaar. Er stond een fles rood op tafel die Hans al open had getrokken voordat wij binnenkwamen. Marijke zat recht tegenover Ellen en ik naast Hans. Het was allemaal zo normaal dat ik bijna dacht dat het wel mee zou vallen.
Hans zei dat hij niet wilde dat onze kinderen later gedoe met elkaar kregen. Zijn zoon woont in Canada, onze dochter in Zwolle en onze zoon in Groningen. Niemand van hen zit te wachten op een huis in Frankrijk waar misschien een lekkend dak op zit en vier verschillende meningen over onderhoud.
‘Dat is toch juist iets voor later?’ zei ik.
‘Later komt sneller dan je denkt,’ zei Ellen zacht.
Ik zei dat we na veertig jaar toch geen contract nodig hadden om elkaar niet op te lichten. Dat we geen zakelijke partners waren. Hans keek toen niet boos, eerder moe.
‘Bas, niemand denkt dat jij ons gaat oplichten.’
‘Maar zo voelt het wel.’
‘Voor mij voelt het alsof jij wilt dat we alleen op goed vertrouwen doorgaan, terwijl het juist ingewikkeld wordt zodra er iets gebeurt waar niemand om gevraagd heeft.’
Marijke mengde zich pas laat in het gesprek. Ze zei dat ze het contract ook niet gezellig vond, maar dat ze ergens begreep wat Ellen bedoelde. Ik voelde me daar, eerlijk gezegd, alleen door. Niet verraden, dat is te groot woord. Maar wel alleen.
Ik heb toen iets naars gezegd. Ik zei: ‘Misschien willen jullie gewoon een huis en zijn wij handig om de helft van te betalen.’
Ellen werd wit. Hans stond op om koffie te zetten, terwijl zijn kopje nog halfvol was. Marijke kneep onder tafel in mijn knie. Ik wist meteen dat ik te ver was gegaan, maar ik kon het niet terugnemen zonder mezelf ook zielig te vinden. Dus ik zei niets.
De weken daarna bleef het stil. Geen appjes over Franse huizen, geen foto’s van stekken uit Ellens tuin, geen voorstel om te wandelen. Uiteindelijk stuurde Hans een bericht: dat de verkopers niet eindeloos konden wachten en dat hij het project los zou laten als wij niet wilden tekenen.
Ik heb niet geantwoord die avond. Ik zat naar het contract te kijken en dacht aan Hans die bij mijn vaders begrafenis naast me stond, zonder veel te zeggen. Aan Ellen die onze dochter als baby uit mijn armen pakte omdat ik zelf zo moe was dat ik bijna omviel. Aan al die jaren waarin we nooit iets hoefden vast te leggen.
Maar misschien is dat precies het punt dat ik niet wil zien: vroeger hadden we minder om over te ruziën. Geen huis in een ander land. Geen pensioenpotten, volwassen kinderen, nalatenschappen en lichamen die niet vanzelfsprekend blijven meewerken.
Gisteren heb ik Hans gebeld. Ik heb gezegd dat ik mijn opmerking over geld terugneem. Hij zei alleen: ‘Dank je.’ Daarna was het even stil, maar geen vijandige stilte.
Ik heb nog niet gezegd dat ik teken. Hij heeft ook niet gezegd dat hij zonder ons doorgaat. Marijke heeft voorgesteld om eerst met z’n vieren bij een notaris of financieel adviseur te gaan zitten, gewoon om de tekst door te nemen en te kijken wat anders kan. Minder alsof we elkaar wantrouwen, meer alsof we proberen vooruit te kijken.
Het contract ligt nog steeds op tafel. Vanmorgen heb ik pagina twee gelezen. Morgen misschien pagina drie.