Ik nodigde onze vaste vriendengroep uit zonder Kees, en mijn man noemt het nog steeds verraad
De appeltaart stond al op het aanrecht toen Arend mijn telefoon pakte. Hij wilde blijkbaar even kijken hoe laat Jos en Marijke zouden komen, want we zouden die middag een wandeling maken en daarna ergens een late lunch nemen.
Hij zag de groepsapp niet eens. Hij zag alleen de namen in mijn agenda: Marijke, Jos, Ellen, Pieter, Hanneke en Leo.
“Waar is Kees?” vroeg hij.
Ik weet nog dat ik een theedoek in mijn handen had en daar veel te lang naar keek. Alsof dat tijd zou opleveren om iets beters te verzinnen.
“Ik heb hem niet uitgenodigd,” zei ik.
Arend legde mijn telefoon neer. Heel voorzichtig, alsof die ineens van iemand anders was. “Dus iedereen behalve Kees?”
We zijn vierenzestig en zesenzestig. Kees en zijn vrouw Anja kennen we sinds onze eerste woning in Nieuwegein, een rijtjeshuis met enkel glas en een tuin waar Arend destijds veel te enthousiast een vijver in had gegraven. De kinderen waren klein, het geld was krap, en toch aten we al samen. Eerst met pannen op schoot, later met steeds uitgebreidere menu’s en goede wijn als iemand iets te vieren had.
De eerste zaterdag van de maand was op den duur gewoon van ons. Acht mensen, soms tien als een van de kinderen mee-at. We bespraken boeken die niemand helemaal hetzelfde had gelezen, politiek waar we het vaak niet over eens waren, reizen, verbouwingen, ouders die ouder werden. Kees was altijd degene die een verhaal net iets te lang maakte, maar hij kon ook prachtig vertellen. Hij wist van elke vakantie nog het merk huurauto en de naam van een ober.
Twee jaar geleden begon hij afspraken te verwarren. Eerst lachten we erom. Daarna vertelde hij tijdens één diner drie keer dat hij vroeger bijna op de KLM-school was aangenomen. Anja lachte niet mee. Ze keek alleen naar haar bord.
Nu heeft hij een diagnose. Beginnende Alzheimer, zei Anja vorig voorjaar aan onze keukentafel. Ze zei het heel zakelijk, alsof ze de uitslag van een APK doorgaf. Toen Arend haar hand pakte, trok ze die niet terug, maar ze pakte hem ook niet vast.
Sindsdien is het snel gegaan, al weet ik dat je dat misschien niet zo mag zeggen. Soms is Kees nog bijna helemaal de oude. Dan komt hij binnen met een bos bloemen voor de gastvrouw en maakt hij een grap over de wijnkaart. Maar hij kan ook ineens boos worden omdat hij denkt dat er over hem gepraat wordt. Of hij vraagt aan Ellen waarom zij eigenlijk steeds bij ons aan tafel zit, terwijl Ellen al meer dan dertig jaar bij de groep hoort.
De ergste avond was bij Jos en Marijke, afgelopen november. Kees was zijn portemonnee kwijt. Hij vond hem uiteindelijk in de binnenzak van zijn jas, maar in dat halfuur had hij iedereen beschuldigd. Niet schreeuwen, geen enorme scène zoals je op televisie ziet. Eerder dat nare, steeds hardere doorvragen.
“Jij was net in de gang, Pieter. Waarom was jij in de gang?”
Pieter was naar het toilet geweest.
Anja probeerde hem mee naar buiten te krijgen voor een luchtje. Kees zei dat ze hem klein wilde houden. Daarna zat zij bijna de hele avond met haar jas nog aan op de bank. We aten de stoofperen terwijl niemand echt praatte.
Arend zei in de auto naar huis: “Vreselijk voor Anja. Vreselijk voor Kees.”
Dat vond ik ook. Alleen dacht ik daarnaast: vreselijk voor ons allemaal. En ik schaamde me meteen voor die gedachte.
Na die avond werden de afmeldingen vaker. Niet openlijk. Leo had ineens een griepje. Hanneke moest oppassen op de kleinkinderen, wat best kon kloppen. Jos stelde voor om de maand erna misschien gewoon eens thuis te blijven, want hij had het druk op het werk. Jos is al drie jaar met pensioen.
In onze app bleef iedereen vriendelijk. Hartjes bij foto’s, beterschapswensen, recepten. Maar het vaste diner voelde alsof je een tafel dekte voor mensen die misschien niet meer wilden komen.
Ik stelde Arend voor om het anders te doen. Niet stoppen met Kees zien. Absoluut niet. Juist niet. Maar misschien eens overdag koffie met z’n tweeën, of met vier mensen tegelijk. Een wandelingetje in het park, als Kees een goede dag heeft. En die grote diners wat kleiner en rustiger houden.
Arend keek me aan alsof ik iets onherstelbaars had gezegd.
“Dus als iemand lastig wordt, maken we hem kleiner?”
“Dat zeg ik niet.”
“Zo komt het wel neer.”
Hij heeft iets heel sterks in zich, Arend. Dat is ook waarom ik van hem hou. Als iemand ziek is, staat hij er. Toen mijn moeder na haar heupoperatie revalideerde, reed hij drie keer per week naar haar toe omdat ik toen nog voor mijn zus in het ziekenhuis aan het rennen was. Hij laat mensen niet vallen.
Maar soms maakt hij van blijven ook een principe waar niemand meer iets naast mag voelen.
Ik heb die afspraak met de anderen uiteindelijk toch gemaakt. Niet als geheim complot, al voelt het achteraf wel zo. Ik stuurde: “Zullen we zondag ergens lunchen? Even bijpraten, gewoon laagdrempelig.” Ik noemde Kees en Anja niet. Ik durfde het niet. Iedereen reageerde opvallend snel.
We zaten bij een brasserie aan de Vecht. Het was koud, maar zonnig. Marijke bestelde meteen een uitsmijter, Leo mopperde dat hij voor twaalf uur eigenlijk geen lunchmens was. Het was bijna normaal. Bijna.
Na een tijdje zei Hanneke, heel zacht: “Ik mis het, hè. Ons zoals het was.”
Niemand reageerde direct. Toen begon Ellen te huilen. Niet hard. Ze veegde haar wangen af met een papieren servetje en zei dat ze zich een laf mens voelde omdat ze soms deed alsof ze niet kon.
Jos zei dat hij bang was voor Kees. Dat kwam er bot uit, maar hij bedoelde, denk ik, dat hij bang was voor wat Kees nog allemaal zou kwijtraken. Pieter vond dat we gewoon moesten blijven komen, maar dan korter. Leo zei dat Anja misschien ook niet steeds die hele avond wilde volhouden.
Ik had gehoopt op duidelijkheid. Die kreeg ik niet. Alleen zes mensen die allemaal iets anders probeerden te beschermen.
Arend wilde die middag niet mee. Ik had hem verteld dat ik met de groep afsprak, maar pas toen ik al mijn jas aanhad. Laf, ja. Hij zei alleen: “Veel plezier met jullie selectie.”
Sindsdien slapen we niet slecht of zo, we maken geen grote ruzies. Dat maakt het misschien juist ingewikkelder. Hij zet koffie voor me. Ik vraag hoe het met zijn knie is. Maar als de eerste zaterdag van de maand dichterbij komt, hangt er iets tussen ons.
Anja belde vorige week. Kees had een redelijke dag, zei ze. Of Arend en ik eens koffie wilden komen drinken. Niet met de hele club, gewoon even. Arend zei meteen ja. Ik ook.
Daarna vroeg hij: “Zie je wel dat het kan?”
Ik zei dat koffie met vier mensen iets anders is dan een diner met acht. Hij zuchtte alsof ik expres moeilijk deed.
Zaterdag gaan we naar Kees en Anja. Ik neem een citroencake mee, omdat Kees die altijd lekker vond, al weet ik niet of hij dat nog weet. Voor volgende maand staat er nog niets in de agenda. De groepsapp is stil, behalve een foto van Marijkes nieuwe kat.
Ik weet niet of ik de vrienden bij elkaar probeer te houden, of juist bezig ben ze op te delen. Misschien allebei.