Na 34 jaar vriendschap voelde onze vakantie ineens als verraad
Vorige week stond ik om half acht ’s morgens in de keuken met een tas vol wasmiddel, een stapel enveloppen en een lijstje dat ik zelf niet eens meer kon lezen. Het regende zo’n miezerige dinsdagregen en ik wist al dat ik te laat zou komen bij de fysio.
Niet omdat ik geen tijd had ingepland. Ik plan tegenwoordig bijna alles in. Maar omdat Henk nog belde toen ik mijn jas dichtdeed.
“Peter, die betaling van de energieleverancier klopt volgens mij niet. Kun jij even komen? Ik word hier helemaal gek van.”
Henk is al 34 jaar mijn beste vriend. Of misschien moet ik zeggen: hij was dat, zonder dat daar ooit een vraagteken bij stond.
We leerden elkaar kennen op de camping in Zeeland, toen onze kinderen nog klein waren en allemaal in dezelfde modderige voetbalkleding rondliepen. Henk en ik hielden allebei van wielrennen, al waren we nooit bijzonder snel. Marja, mijn vrouw, en Els konden uren aan een tafel zitten met wijn, kaarten en later koffie, terwijl wij deden alsof we de Tour zaten te analyseren.
We gingen met z’n vieren naar Frankrijk, vierden oud en nieuw bij elkaar, waren bij elkaars vijftigste verjaardagen. Toen mijn vader overleed, reed Henk zonder iets te zeggen twee uur heen en twee uur terug om mij naar de begrafenisondernemer te brengen. Dat soort dingen vergeet je niet.
Vorig najaar kreeg Henk de diagnose alvleesklierkanker. Ik schrijf het nu vrij nuchter op, maar toen Els het vertelde, zat ik met mijn hand om een koffiekopje en dacht ik alleen maar: nee, niet Henk. Hij was altijd degene die de boodschappen voor de hele straat naar binnen tilde als iemand geopereerd was. Hij had een harde lach, een rode kop na twee glazen bier en altijd plannen.
Na de eerste behandelingen ging het thuis snel mis met de gewone dingen. Niet dramatisch op één dag, maar overal kleine gaten. Henk was te moe om te koken. Els sliep slecht en vergat afspraken. Er kwamen brieven, declaraties, ziekenhuisportalen waar ze niet uitkwamen, een kapotte vaatwasser op het verkeerde moment. Hun dochter woont in Groningen en werkt in de zorg. Hun zoon zit veel voor zijn werk in Duitsland. Ze kwamen wanneer ze konden, maar dat was niet vaak.
Dus wij sprongen bij. Natuurlijk.
Ik maakte een map voor de administratie. Marja ging op maandag en donderdag koken, eerst gewoon een pan soep of stamppot. Ik reed mee naar afspraken als Els niet kon. We haalden medicijnen op, zetten de vuilnis buiten, pasten een middag op de hond van hun dochter als die op bezoek was. Niets voelde toen te veel. Het voelde juist alsof we eindelijk iets konden dóén.
Alleen werden de dagen weken en de weken maanden. Zonder dat iemand het uitsprak, waren wij onderdeel van hun huishouden geworden.
Henk belde niet meer alleen als er iets echt mis was. Hij belde omdat de radiator een vreemd geluid maakte. Omdat Els de verkeerde yoghurt had gekocht. Omdat hij wilde weten waarom de thuiszorg op donderdag tien minuten later was dan dinsdag. Soms nam ik niet op, zag ik zijn naam op mijn scherm, en voelde ik meteen schuld. Daarna luisterde ik zijn voicemail af terwijl ik in de supermarkt stond.
Marja trok het nog zwaarder dan ik. Zij is altijd iemand geweest die zegt: ach, ik doe het wel even. Maar ze kreeg last van haar nek en sliep slecht. Ze ging niet meer naar haar schildergroep op woensdagavond, omdat Els dan vaak wilde praten. Niet eens altijd over Henk. Soms over haar zus, of de buurvrouw, of dat ze bang was dat de gemeente moeilijk zou doen over iets met een parkeerplek.
Op een avond zei Marja aan tafel: “Ik kan niet meer naar dat huis zonder dat ik me schuldig voel als ik na een uur weer wegga.”
Ik zei dat we dan gewoon duidelijker moesten zijn.
Dat is makkelijk praten als je zelf de telefoon soms op stil zet.
In februari had ik zelf een controle bij de huisarts, omdat mijn bloeddruk te hoog bleef. Niet schokkend, zei hij, maar ik moest meer bewegen, beter slapen en minder stress hebben. Ik heb hem niet verteld dat ik die ochtend al drie keer met Henk had gebeld voordat ik in de wachtkamer zat. Ik schaamde me een beetje dat ik daar zat te klagen over stress terwijl Henk kanker heeft.
Toch boekten Marja en ik in maart een weekje naar Texel. Geen verre reis, geen luxe gedoe. Een huisje in De Koog, buiten de schoolvakanties. We wilden fietsen als het weer meezat, vis eten, en vooral niet op een klok kijken. We hadden het er eerst zelfs niet over willen vertellen, omdat we al wisten hoe het zou vallen. Maar dat voelde kinderachtig.
Dus ik ging langs bij Henk en Els. Ik had koffie meegenomen van hun favoriete branderij in Utrecht, alsof dat de mededeling zachter zou maken.
Henk lag op de bank met een deken over zijn benen. Hij zag er die dag broos uit, maar zijn ogen waren scherp.
Ik vertelde dat we van maandag tot maandag weg zouden zijn. Dat ik hun zoon al had geappt en dat hij twee dagen zou komen. Dat Els misschien bij de wijkverpleegkundige kon navragen wat er extra mogelijk was. Dat de buren van nummer twaalf hadden gezegd dat ze de hond konden uitlaten.
Henk luisterde zonder me te onderbreken. Toen ik klaar was, zei hij: “Dus jullie gaan gewoon op vakantie.”
Ik zei: “Ja. Even een week.”
“Terwijl Els hier alles alleen moet doen.”
Els zei meteen dat hij niet zo moest doen, maar ze keek naar haar handen. Dat vond ik bijna nog erger.
Ik probeerde rustig te blijven. Ik zei dat we niet verdwenen waren, dat we bereikbaar zouden zijn, dat we de afgelopen maanden echt heel veel hadden gedaan. Op dat laatste reageerde hij fel.
“Moet ik daar nu dankbaar voor gaan zitten wezen? Is dat hoe jij ernaar kijkt?”
Daar ging ik de fout in. Ik zei: “Nee, maar het is ook niet vanzelfsprekend dat wij jullie administratie doen en vier keer per week langskomen.”
Hij werd stil. Niet woedend, gewoon stil. Daarna zei hij dat hij blijkbaar niet wist waar hij stond bij ons.
Op weg naar huis zei Marja bijna niets. Bij een stoplicht begon ze ineens te huilen. Niet hard, meer alsof ze al weken haar adem inhield. Ze zei dat ze Els niet alleen wilde laten. Ik zei dat ik dat ook niet wilde. En tegelijk voelde ik opluchting bij het idee van die week weg, en daar werd ik misselijk van.
Sinds dat gesprek belt Henk minder. Dat zou rust moeten geven, maar het voelt eerder als een dichte deur waar wij allebei aan de verkeerde kant staan. Els stuurt Marja nog wel berichten, meestal praktische dingen. Gisteren vroeg ze of ik zaterdag naar de bank mee kon, omdat er iets met een machtiging geregeld moest worden. Ik heb ja gezegd. Marja keek me aan, maar zei niets.
De reservering voor Texel staat nog steeds. Ik heb de fietsen al bijgeboekt. Maar ik weet dat ik die maandag waarschijnlijk met mijn telefoon op tafel zit, het geluid aan, wachtend op een bericht van Henk.
En ik weet ook dat Marja haar schildertas al maanden niet heeft opengemaakt.