Ze zeiden dat ik best alleen thuis kon blijven, terwijl wij al dertig jaar samen naar Frankrijk gingen
“Dan slaat Kees toch gewoon een keer over?”
Ik weet nog precies hoe stil het werd aan tafel toen Anneke dat zei. We zaten bij Henk en Anneke in de serre, koffie, appeltaart, de gebruikelijke stapel folders over Frankrijk tussen ons in. Buiten tikte de regen tegen het glas. Binnen voelde het opeens benauwd.
Kees keek naar zijn handen. Niet boos. Dat was misschien nog erger. Gewoon leeg.
Ik zei nog: “Zo zeg je dat toch niet?”
Anneke haalde haar schouders op. “Nou ja, we draaien er al maanden omheen, Els. We moeten toch iets.”
Al meer dan dertig jaar gingen we met dezelfde club naar Frankrijk. Wij, Henk en Anneke, Ton en Marjan, Ruud en Liesbeth. Eerst met kleine kinderen, later met pubers die chagrijnig op campings rondhingen, en daarna met z’n allen weer zonder kinderen, met wijn, wandelingen, markten en eindeloze avonden aan lange tafels. Het was een soort tweede familie geworden. Of dat dacht ik tenminste.
Maar de laatste twee jaar was alles anders. Kees liep slechter. Zijn heupen, zijn rug, zijn conditie, het stapelde zich op. Een stukje naar de bakker ging nog, maar van die urenlange dagtochten door heuveldorpjes, trapstraatjes en stoffige paden kwam hij kapot terug. Als hij al meeging. Vaak bleef hij op een bankje zitten terwijl de rest verder liep. Dan deed hij alsof hij genoot van de schaduw en het uitzicht, maar ik zag het. Die blik van iemand die niet wil dat een ander merkt hoe hard het pijn doet.
Thuis zei hij steeds vaker: “Misschien moet ik gewoon niet meer mee.”
En ik steeds: “Doe niet zo raar. Natuurlijk ga je mee.”
Alsof ik het daarmee kon wegpoetsen.
Dit jaar stelde ik voor om eens iets anders te boeken. Een rustig huisje, gelijkvloers, niet zo afgelegen, beetje in de Dordogne of de Vendée, waar je ook gewoon op een terras kon zitten zonder eerst een halve berg op te klauteren. Ik dacht echt dat dat redelijk was.
Maar Henk schoof meteen die brochure van een huis in de Ardèche naar voren. “Kijk nou dan, man. Prachtige omgeving. Kanoën, wandelen, marktjes. Eindelijk tijd nu we met pensioen zijn. We willen er ook nog wat van maken.”
“Alsof wij dat niet willen,” zei ik.
“Zo bedoel ik het niet,” mompelde hij, maar hij keek wel weg.
Marjan probeerde nog te sussen. “Misschien kunnen we afwisselen? De ene dag actief, de andere dag rustig.”
Kees lachte toen. Zo’n klein laf lachje dat hij soms heeft als hij zichzelf minder wil maken dan hij is. “Jullie hoeven je vakantie echt niet om mij heen te plannen.”
Ik trapte onder tafel tegen zijn schoen. Niet hard. Meer uit paniek.
Want dat was precies wat ze wilden horen.
Liesbeth nam een slok koffie en zei: “Els, wees eerlijk. Vorig jaar was het toch ook moeilijk? Jij bleef steeds bij Kees en wij voelden ons daar ook rot over. Niemand had echt vakantie.”
Niemand had echt vakantie.
Die zin bleef de hele avond in mijn hoofd rondzingen.
In de auto terug zei Kees bijna niets. Alleen bij het stoplicht in Geldermalsen ineens: “Ze hebben toch gelijk?”
“Nee,” zei ik veel te snel.
“Jawel. Ik ben langzaam geworden. De rest niet.”
Ik keek naar zijn profiel in het donker. Diezelfde man die vroeger in één keer de tent opzette, die met de kinderen dammen bouwde in beekjes, die altijd de grootste boodschappentassen droeg alsof het niks was. Nu had hij moeite om uit de auto te stappen zonder eerst zijn benen recht te duwen met zijn handen.
Ik denk dat daar mijn echte verdriet zat. Niet alleen in die vrienden. Ook in het verlies dat we thuis al lang voelden en waar niemand woorden aan gaf.
De week erna appte Anneke mij apart.
Misschien is het juist fijn als jij wel meegaat. Even eruit. Kees redt zich vast een week.
Ik heb minutenlang naar dat scherm gekeken. Toen heb ik de telefoon weggelegd en ben ik in de bijkeuken gaan staan huilen, tussen de wasmand en de krat met lege flessen. Heel waardig was het niet.
Want ja, er zat ook iets gemeens in wat ze zei, maar ook iets wat prikte omdat het waar was. Ik was moe. Moe van plannen, van langzaam lopen, van opletten of er ergens een leuning was, van doen alsof ik het allemaal vanzelfsprekend vond. En ik miste mijn vriendinnen. Het gelach, de onzin, de rosé om vier uur, het gevoel dat ik ook nog gewoon Els was en niet alleen de vrouw die alles moest opvangen.
Die avond zei ik tegen Kees: “Anneke vindt dat ik gewoon mee moet gaan. Zonder jou.”
Hij knikte alleen.
“Zeg dan iets.”
Hij bleef naar de televisie kijken, geluid zacht. “Misschien moet je dat doen.”
“Wil jij dat?”
Toen zette hij eindelijk het geluid uit. “Nee. Maar ik wil ook niet dat iedereen mij gaat haten omdat ik niet meer mee kan naar een stom middeleeuws dorp met honderd treden.”
Ik schoot uit mijn slof. “Niemand haat jou.”
“Ze vinden me lastig, Els. Dat is iets anders.”
Daar had hij gelijk in. En juist daarom deed het zo’n pijn.
Uiteindelijk heb ik in de groepsapp gezet dat wij dit jaar niet meegaan. Niet hij thuis en ik in Frankrijk. Gewoon allebei niet. Er kwamen meteen keurige reacties. Jammer. Begrijpelijk. Volgend jaar beter. Hartjes erbij. Ik werd er misselijk van.
Het ergste was nog dat niemand belde. Alsof het netjes was afgehandeld.
Een paar dagen later vond ik Kees achterin de tuin, op die oude plastic stoel, jas half dicht, starend naar niks. “Ik had best mee gewild,” zei hij zacht. “Al was het maar om erbij te zitten als jullie kaarten.”
Daar brak mijn hart alsnog, op een lullige dinsdagmiddag in april.
Want daar ging het om. Niet om kanoën of wandelen of welke streek in Frankrijk dan ook. Hij wilde niet verzorgd worden, niet betutteld, niet in de weg lopen. Hij wilde gewoon nog steeds meetellen.
En ik? Ik weet nog steeds niet of ik te veel van onze vrienden vraag, of juist te weinig van echte vriendschap verwacht heb. Hoe ver moet je meebuigen voor iemand van wie je houdt? En wanneer wordt rekening houden ineens hetzelfde als achterlaten?
Wat zouden jullie doen als een vriendengroep niet meer in hetzelfde tempo verder kan? En is samen nog wel samen als de langzaamste uiteindelijk gewoon thuis moet blijven?