Ze stonden ineens voor mijn deur: Hoe mijn vriendinnen mij redden toen ik alles dreigde te verliezen

‘Sanne, doe open. We weten dat je thuis bent.’

De stem van Marloes galmde door het trappenhuis, doordringend en vastbesloten. Ik bleef roerloos op de bank zitten, mijn benen opgetrokken onder een oude deken. Mijn hart bonsde in mijn keel. Ik had de gordijnen dichtgelaten, het licht uit, hopend dat de wereld mij vandaag zou vergeten. Maar de wereld stond nu voor mijn deur, in de vorm van Marloes en waarschijnlijk ook Eva.

‘Sanne, als je niet open doet, bellen we je moeder!’ riep Eva nu, haar stem trillend van bezorgdheid én lichte irritatie. Ik voelde een steek van schaamte. Mijn moeder was het laatste wat ik nu aankon. Maar de gedachte aan haar boze gezicht – ‘Waarom laat je je vrienden voor de deur staan? Wat zullen ze wel niet denken?’ – was genoeg om me langzaam overeind te hijsen.

Met trillende handen draaide ik de sleutel om. Daar stonden ze: Marloes met haar rode haar in een slordige knot en Eva met haar eeuwige sjaal, zelfs in juni. Ze duwden zich langs me heen naar binnen alsof ze bang waren dat ik me zou bedenken.

‘Jezus, Sanne…’ Marloes keek me aan, haar ogen groot. ‘Wanneer heb je voor het laatst gegeten?’

Ik haalde mijn schouders op. ‘Gisteren, denk ik.’

Eva liep meteen naar de keuken en begon in mijn kastjes te rommelen. ‘We maken thee. En tosti’s. Je hebt kaas, toch?’

Ik knikte zwijgend en liet me weer op de bank vallen. De stilte was zwaar, maar hun aanwezigheid vulde het huis met iets wat ik al weken miste: warmte.

‘We maken ons zorgen om je,’ zei Marloes zacht terwijl ze naast me kwam zitten. ‘Je reageert nergens meer op. Zelfs niet op onze appjes.’

‘Het is gewoon… veel,’ fluisterde ik. Mijn stem brak bijna.

Eva kwam terug met drie mokken thee en een bord met tosti’s. Ze zette alles neer en keek me doordringend aan. ‘Je hoeft het niet alleen te doen, Sanne.’

Ik voelde tranen prikken achter mijn ogen. ‘Het is gewoon… sinds papa weg is, lijkt alles uit elkaar te vallen. Mama is alleen maar boos, op mij, op alles. En ik… ik weet niet meer wat ik moet doen.’

Marloes sloeg een arm om me heen. ‘Je hoeft het niet te weten. Maar je moet ons wel binnenlaten als we aanbellen.’

We lachten alle drie door onze tranen heen.

De rest van de ochtend zaten we samen op de bank. Ze luisterden naar mijn verhaal – hoe mijn vader drie weken geleden vertrok na een ruzie die door het hele flatgebouw had gegalmd, hoe mijn moeder sindsdien nauwelijks nog sprak behalve om te snauwen dat ik “eens iets nuttigs moest doen”, hoe ik mezelf steeds meer opsloot in mijn kamer omdat ik niet wist waar ik anders heen moest.

‘Heb je met haar gepraat?’ vroeg Eva voorzichtig.

‘Elke keer als ik iets probeer te zeggen, begint ze te huilen of wordt ze boos,’ zei ik zacht. ‘Ik weet niet meer wat erger is.’

Marloes zuchtte diep. ‘Ouders zijn ook maar mensen, hè? Maar jij bent hun kind. Je verdient steun.’

‘Misschien moet je even bij mij logeren,’ stelde Eva voor. ‘Gewoon een paar dagen eruit.’

Ik schudde mijn hoofd. ‘Dan voelt mama zich helemaal in de steek gelaten.’

‘Maar jij laat jezelf nu in de steek,’ zei Marloes fel.

Die woorden bleven hangen in de kamer, zwaar en waar.

De middag kroop voorbij terwijl we herinneringen ophaalden aan betere tijden: zomers op het strand van Zandvoort, fietsen door de regen naar school, nachtenlang kletsen over jongens en dromen die nu zo ver weg leken.

Tegen vieren ging mijn telefoon af: mama.

‘Neem op,’ zei Eva zacht.

Met lood in mijn schoenen liep ik naar de slaapkamer en nam op.

‘Sanne? Waar ben je? Waarom reageer je niet?’ Haar stem klonk gespannen.

‘Ik ben thuis, mam. Marloes en Eva zijn hier.’

Een stilte aan de andere kant.

‘Je had wel even kunnen zeggen dat je bezoek had,’ zei ze uiteindelijk koel.

‘Sorry…’

‘Ik ben zo thuis.’ Klik.

Toen ik terugkwam in de woonkamer keek Marloes me vragend aan. Ik haalde mijn schouders op.

‘Ze komt zo thuis.’

Eva pakte mijn hand vast. ‘We blijven tot ze er is.’

Een uur later ging de voordeur open en kwam mama binnen – haar gezicht strak, haar ogen rood van het huilen of misschien van vermoeidheid.

‘Hallo meisjes,’ zei ze zonder echt te kijken.

‘Hallo mevrouw Van Dijk,’ antwoordden Marloes en Eva beleefd.

Mama liep naar de keuken en begon zonder iets te zeggen pannen uit het kastje te halen. De spanning was om te snijden.

‘Mam…’ begon ik voorzichtig.

Ze draaide zich om, haar handen trillend. ‘Wat is er?’

‘Ik…’ Mijn stem stokte. ‘Ik red het niet alleen.’

Voor het eerst in weken keek ze me echt aan. Haar gezicht brak open – niet in woede, maar in verdriet.

‘Ik ook niet,’ fluisterde ze toen.

Marloes stond op en legde haar hand op mama’s schouder. ‘U hoeft het ook niet alleen te doen.’

Mama knikte langzaam en zakte toen neer aan tafel, haar hoofd in haar handen.

We zaten daar met z’n vijven – drie vriendinnen, een moeder en een dochter – allemaal even verloren en toch samen.

Die avond kookten we samen pasta en aten we zwijgend maar verbonden aan tafel. Voor het eerst sinds weken voelde het huis niet meer als een gevangenis maar als een plek waar verdriet gedeeld mocht worden.

Later die nacht lag ik wakker in bed. De stemmen van Marloes en Eva klonken nog na in mijn hoofd: ‘Je hoeft het niet alleen te doen.’ Misschien was dat wel waar vriendschap echt om draaide – elkaar vinden als alles uit elkaar lijkt te vallen.

Soms vraag ik me af: hoeveel mensen zitten er nu achter gesloten deuren, wachtend tot iemand aanbelt? En durven we dan open te doen?