Wie heeft mijn leven gestolen? Na 25 jaar huwelijk en een onverwachte ontdekking op het tankstation
‘Dus… dat was het dan?’ vroeg ik, terwijl ik mijn handen om mijn mok koffie vouwde. De stilte in de keuken voelde zwaarder dan ooit. Jan keek me niet aan. Zijn blik was gericht op het raam, waar de regen zachtjes tegen het glas tikte. ‘Ja, ik denk het wel, Marleen,’ zei hij uiteindelijk. Zijn stem was dof, alsof hij de woorden al honderd keer had geoefend.
Vijfentwintig jaar huwelijk, twee kinderen, een huis in Amersfoort, en nu… stilte. Ik dacht dat ik het wilde. Ik dacht dat ik klaar was met Jan, met zijn voorspelbare grapjes, zijn sokken overal, zijn eindeloze discussies over de boodschappen. Maar nu het moment daar was, voelde ik me leeg. Alsof iemand een stuk uit mij had gesneden en het nooit meer zou teruggeven.
De weken na de scheiding verliepen in een waas. De kinderen, Maarten en Lotte, waren volwassen, woonden op kamers in Utrecht en Groningen. Ze kwamen langs, brachten bloemen, probeerden luchtig te doen. ‘Mam, dit is beter zo, toch?’ zei Lotte. ‘Jullie waren alleen nog maar huisgenoten.’ Ik knikte, glimlachte, maar voelde me een schim van mezelf. Mijn dagen vulde ik met werk op de basisschool, wandelingen door het park, Netflix-series die ik niet echt volgde. Mijn beste vriendin, Anja, was mijn rots. Ze kwam langs met wijn, luisterde naar mijn verhalen, veegde mijn tranen weg. ‘Je bent sterker dan je denkt, Marleen,’ zei ze altijd. ‘Dit is jouw tijd.’
Tot die ene vrijdagmiddag. Ik was op weg naar mijn moeder in Apeldoorn en stopte bij het tankstation langs de A1. Terwijl ik de benzinepomp in mijn auto stak, hoorde ik gelach. Bekend gelach. Ik draaide me om en zag Jan. Met Anja. Ze stonden dicht bij elkaar, hun hoofden naar elkaar toe gebogen. Anja legde haar hand op zijn arm, Jan lachte zoals hij vroeger met mij lachte. Mijn hart bonsde in mijn keel. Ik voelde de grond onder mijn voeten wegzakken.
‘Anja?’ Mijn stem trilde. Ze draaide zich om, haar gezicht werd lijkbleek. ‘Marleen… dit is niet wat je denkt…’ Jan keek me aan, zijn ogen vol schuld. ‘We wilden het je vertellen…’
Ik liet de pomp vallen. Benzine spatte op mijn schoenen. ‘Hoe lang?’ vroeg ik. Mijn stem was ijzig. ‘Hoe lang speelt dit al?’
Anja slikte. ‘Sinds een paar maanden. Na jullie scheiding… het was niet gepland…’
‘Niet gepland?’ Ik lachte schamper. ‘Dus terwijl ik dacht dat jij mijn beste vriendin was, was je eigenlijk bezig met mijn ex-man?’
Jan deed een stap naar voren. ‘Marleen, het spijt me. Echt. Maar we zijn allebei volwassen. Jij wilde toch ook verder?’
Ik voelde woede, verdriet, walging. Alles tegelijk. Zonder nog iets te zeggen stapte ik in mijn auto en reed weg, tranen brandend achter mijn ogen. De rest van de rit naar Apeldoorn herinner ik me nauwelijks. Mijn moeder keek me bezorgd aan toen ik binnenkwam. ‘Wat is er, meisje?’ vroeg ze. Ik barstte in snikken uit.
De dagen daarna voelde ik me als een figurant in mijn eigen leven. Op school merkte ik dat ik sneller geïrriteerd raakte. Een leerling liet per ongeluk zijn beker melk vallen en ik snauwde hem af. Mijn collega’s keken me vreemd aan. ‘Gaat het wel, Marleen?’ vroeg Jeroen, de gymleraar. Ik haalde mijn schouders op. ‘Gewoon moe.’
’s Avonds lag ik wakker. Ik dacht aan Jan en Anja. Aan alle keren dat ik mijn hart bij haar uitstortte, niet wetend dat zij ondertussen… Ik voelde me verraden, niet alleen door Jan, maar vooral door haar. Mijn beste vriendin. Mijn vertrouweling. Wie was ik nog zonder haar? Zonder hem? Wie was Marleen, als ze niet meer de vrouw van Jan was, of de vriendin van Anja?
Ik probeerde het te negeren. Ik probeerde nieuwe routines te vinden. Ik schreef me in voor een cursus keramiek, begon met yoga. Maar telkens als ik mijn telefoon pakte, zag ik haar naam. Anja. Ze stuurde berichtjes, probeerde uit te leggen, excuses te maken. ‘Het spijt me zo, Marleen. Ik mis je. Kunnen we praten?’
Ik negeerde haar. Maar de pijn bleef. Op een avond, na een glas wijn te veel, belde ik haar toch. ‘Waarom?’ vroeg ik, zonder begroeting. ‘Waarom moest je hem hebben?’
Haar stem klonk schor. ‘Ik weet het niet. Het gebeurde gewoon. We waren allebei zo alleen. Jij leek het zo goed te doen zonder hem…’
‘Dat dacht jij misschien. Maar ik was kapot. En nu ben ik alles kwijt. Mijn man, mijn beste vriendin. Mijn leven.’
Ze huilde. Ik hing op. De stilte in mijn huis was oorverdovend.
De maanden gingen voorbij. De lente kwam, de bomen in het park werden weer groen. Ik probeerde mijn leven opnieuw op te bouwen. Maar het voelde alsof ik een puzzel was waarvan de belangrijkste stukjes ontbraken. Op een dag stond Lotte ineens voor de deur. ‘Mam, ik maak me zorgen om je,’ zei ze. ‘Je bent niet jezelf.’
Ik haalde mijn schouders op. ‘Misschien weet ik gewoon niet meer wie ik ben.’
Ze pakte mijn hand. ‘Je bent mijn moeder. Je bent sterk. Je hebt altijd voor ons gezorgd. Nu is het tijd om voor jezelf te zorgen.’
Haar woorden raakten me. Die nacht lag ik wakker en dacht na. Wie was ik, los van Jan, los van Anja? Wat wilde ik eigenlijk met mijn leven? Ik besloot kleine stapjes te zetten. Ik ging vaker wandelen, schreef me in voor een schildercursus. Ik sprak af met oude vriendinnen, mensen die ik uit het oog was verloren. Langzaam, heel langzaam, begon ik weer te voelen wie ik was. Niet als de vrouw van, niet als de vriendin van, maar als Marleen.
Toch blijft de pijn. Soms zie ik Jan en Anja samen in de stad. Ze lachen, lijken gelukkig. Ik voel dan een steek van jaloezie, maar ook van berusting. Misschien was het zo bedoeld. Misschien moest ik alles verliezen om mezelf terug te vinden.
Soms vraag ik me af: wie heeft mijn leven gestolen? Of heb ik het zelf laten wegglippen, door te leven voor anderen en mezelf te vergeten? Wat denken jullie: kun je na zo’n verraad ooit weer echt vertrouwen? Of blijft er altijd een stukje kapot?