Verraad in de schaduw van ziekte: Mijn strijd om mezelf terug te vinden

‘Hoe lang weet je dit al, Mark?’ Mijn stem trilt, mijn handen klemmen zich om de rand van het aanrecht alsof ik anders omval. Mark kijkt weg, zijn ogen gefixeerd op het raam, waar de regen zachtjes tegen het glas tikt. ‘Een paar maanden,’ mompelt hij. ‘Ik wilde je niet nog meer pijn doen, Sanne.’

Het is alsof de grond onder me wegzakt. Mijn hoofd bonkt, mijn borst voelt zwaar. Ik probeer te begrijpen wat hij zegt, maar de woorden dwarrelen als herfstbladeren door mijn hoofd. Een paar maanden. Terwijl ik vocht tegen de kanker die mijn lichaam langzaam overnam, vocht hij een andere strijd. Of misschien vocht hij helemaal niet. Misschien gaf hij zich gewoon over. Aan haar.

De diagnose kwam op een grijze dinsdag in februari. Ik weet het nog precies, want de lucht hing vol sneeuw die nooit viel. De arts keek me aan met die blik die ik nu uit duizenden herken: medelijden, voorzichtigheid, afstand. ‘Het is borstkanker, mevrouw de Vries. We moeten snel handelen.’

Mark was er die dag niet bij. Hij had een belangrijke vergadering, zei hij. Ik belde hem direct na het gesprek, mijn stem schor van het huilen. ‘Het is kanker, Mark. Ik heb kanker.’ Hij was stil, te lang stil, en zei toen: ‘We komen hier samen doorheen, Sanne. Ik beloof het je.’

Maar nu, maanden later, weet ik dat hij toen al loog. Terwijl ik vocht tegen de misselijkheid van de chemo, de angst voor de dood, de onzekerheid over mijn toekomst, was hij ergens anders. Bij haar. Linda. De naam brandt op mijn tong als ik hem uitspreek. ‘Is het Linda?’ vraag ik, mijn stem nauwelijks hoorbaar. Hij knikt, schaamt zich niet eens meer. ‘Het is niet wat je denkt, Sanne. Het gebeurde gewoon. Ik voelde me zo machteloos, ik kon het niet aan om je zo te zien lijden.’

‘Dus je zocht troost in haar bed?’ Mijn woorden zijn scherp, maar ik voel me leeg van binnen. Alsof ik niet meer besta. Alsof de ziekte niet alleen mijn lichaam, maar ook mijn ziel heeft opgegeten.

De dagen na zijn bekentenis zijn een waas. Mijn moeder komt langs, brengt soep die ik niet kan eten. Mijn zusje Anne belt elke avond, haar stem vol bezorgdheid. ‘Je moet voor jezelf kiezen, San. Je bent sterker dan je denkt.’ Maar ik voel me allesbehalve sterk. Ik voel me verraden, alleen, kapot.

De behandelingen gaan door. Elke keer als ik in de witte, kille kamer lig, kijk ik naar het plafond en probeer ik niet te denken aan Mark. Maar het lukt niet. Alles doet pijn. Mijn lichaam, mijn hart, mijn vertrouwen. Soms vraag ik me af of het niet makkelijker zou zijn om gewoon op te geven. Maar dan denk ik aan mijn kinderen, Lotte en Bram. Hun kleine handjes in de mijne, hun vragen over waarom mama zo moe is, waarom haar haar uitvalt. Ik kan het niet maken om hen ook nog kwijt te raken.

Op een avond, als de kinderen slapen en het huis stil is, belt Mark. ‘Kunnen we praten?’ vraagt hij. Ik wil nee zeggen, maar ik ben te moe om te vechten. Hij komt binnen, ruikt naar aftershave en schuld. ‘Het spijt me, Sanne. Echt. Ik weet niet wat me bezielde. Ik was bang je kwijt te raken en ik kon het niet aan om je zo te zien lijden. Linda was gewoon… makkelijk. Ze vroeg niks, ze was er gewoon.’

‘En ik dan?’ snauw ik. ‘Ik was er ook. Ik vocht voor mijn leven, Mark. Voor ons gezin. En jij…’ Mijn stem breekt. Ik kan niet meer. Hij huilt, voor het eerst in jaren. Maar zijn tranen doen me niets. Ik ben leeg.

De weken kruipen voorbij. Ik probeer te herstellen, fysiek en mentaal. Mijn haar groeit langzaam terug, maar mijn vertrouwen niet. Mark blijft proberen, stuurt bloemen, appt elke dag. Maar ik kan het niet meer. Ik ben veranderd. De ziekte heeft me veranderd. Het verraad heeft me veranderd.

Op een dag, als de zon eindelijk weer schijnt en de lucht ruikt naar lente, besluit ik dat het genoeg is. Ik pak zijn spullen in, zet ze bij de deur. Als hij thuiskomt, kijkt hij me aan met die smekende blik. ‘San, alsjeblieft…’

‘Nee, Mark. Het is klaar. Ik moet mezelf terugvinden. Zonder jou.’

Hij vertrekt, en voor het eerst in maanden voel ik me licht. Het is niet makkelijk. De avonden zijn stil, de nachten lang. Maar langzaam, heel langzaam, vind ik mezelf terug. In de lach van mijn kinderen, in de geur van verse koffie, in de stilte van een ochtendwandeling langs de Amstel.

Soms vraag ik me af of ik ooit weer iemand zal vertrouwen. Of ik ooit weer durf te hopen. Maar dan kijk ik naar Lotte en Bram, en weet ik dat ik niet opgeef. Dat ik sterker ben dan ik ooit dacht.

Hebben anderen dit ook meegemaakt? Hoe vind je jezelf terug na zo’n verraad, na zo’n ziekte? Of is het vertrouwen voorgoed weg?