Tussen Twee Huizen: Wanneer Mijn Schoonmoeder Voor Ons Beslist

‘Janka, je moet begrijpen dat het huis van mijn moeder gewoon praktischer is. Het is groter, moderner, en we hoeven er nauwelijks iets aan te doen,’ zegt Pieter, terwijl hij zijn handen door zijn haar haalt. Zijn stem klinkt vermoeid, maar ook ongeduldig. Ik kijk hem aan, mijn hart bonkt in mijn borst. ‘Maar Pieter, het huis van mijn grootouders… dat is mijn thuis. Daar liggen mijn herinneringen, mijn dromen. We zouden het samen kunnen opknappen, het helemaal van ons maken.’

Hij zucht diep en draait zich van me weg. ‘Mijn moeder rekent op ons. Ze heeft het niet makkelijk sinds papa er niet meer is. Ze wil dat we haar huis overnemen, dat we haar niet in de steek laten.’

Ik voel de tranen prikken achter mijn ogen. ‘En wat wil jij, Pieter? Wil jij dat echt, of wil je gewoon je moeder niet teleurstellen?’

Hij zwijgt. Het blijft stil in de keuken, alleen het zachte tikken van de klok is hoorbaar. Buiten waait de wind door de bomen, het is een typische grijze Nederlandse herfstdag. Ik staar naar het aanrecht, waar de afwas zich opstapelt. Alles voelt zwaar, log, alsof het huis zelf mijn verdriet weerspiegelt.

Mijn gedachten dwalen af naar vroeger. De zomers in het oude huis van opa en oma in Friesland, het geluid van de krekels in de tuin, de geur van versgebakken appeltaart. Ik zie mezelf als klein meisje, rennend door de gang, lachend, vrij. Dat huis is niet zomaar een stapel stenen. Het is een deel van mij.

‘Janka, je moet niet zo sentimenteel doen,’ zegt Pieter plotseling, zijn stem hard. ‘We moeten praktisch zijn. Mijn moeder heeft het huis al bijna op onze naam gezet. Ze heeft zelfs al plannen gemaakt voor een verbouwing.’

‘Maar ze vraagt het niet, ze beslist gewoon!’ Mijn stem slaat over. ‘En jij… jij laat het toe. Waar blijven wij in dit verhaal, Pieter? Waar blijft mijn stem?’

Hij kijkt me aan, zijn ogen donker. ‘Ik wil geen ruzie, Janka. Maar ik kan mijn moeder niet laten zitten. Ze heeft niemand meer.’

‘En ik dan?’ fluister ik. ‘Heb ik dan niemand meer?’

Die nacht lig ik wakker. Pieter slaapt naast me, zijn ademhaling rustig, maar ik voel me alleen. Mijn gedachten razen. Wat als ik toegeef? Wat als ik mijn droom opgeef voor zijn moeder? Zal ik ooit gelukkig zijn in dat huis, waar alles aan haar herinnert, waar ik altijd de schoondochter zal blijven, nooit de vrouw des huizes?

De volgende ochtend belt mijn moeder. ‘Hoe gaat het, lieverd?’ vraagt ze, haar stem warm en bezorgd. Ik slik de brok in mijn keel weg. ‘Niet zo goed, mam. Pieter wil naar het huis van zijn moeder. Ik… ik weet het niet meer.’

Ze zucht. ‘Je moet voor jezelf kiezen, Janka. Je hebt altijd al zo’n groot hart gehad, maar je mag jezelf niet verliezen. Denk aan wat jij wilt, niet alleen aan wat anderen van je verwachten.’

Ik knik, ook al kan ze dat niet zien. ‘Dank je, mam. Ik probeer het.’

Die middag ga ik naar het oude huis van mijn grootouders. Het staat er verlaten bij, de tuin is verwilderd, het hek hangt scheef. Maar als ik de sleutel in het slot steek en de deur open, ruik ik meteen de vertrouwde geur van hout en oude boeken. Ik loop door de kamers, mijn vingers glijden over het verweerde behang. In de woonkamer ga ik op de vloer zitten, sluit mijn ogen en laat de herinneringen toe. Hier hoorde ik oma zingen, hier vertelde opa verhalen over vroeger. Hier voelde ik me veilig.

Plots hoor ik mijn telefoon trillen. Een bericht van Pieter: ‘Mijn moeder wil vanavond met ons praten. Ze heeft een voorstel.’

Ik voel de spanning in mijn buik. Wat nu weer? Toch ga ik die avond mee naar haar huis. Mevrouw de Groot zit al klaar aan de eettafel, haar handen gevouwen, haar blik streng. ‘Janka, Pieter, ik heb nagedacht. Jullie kunnen het huis krijgen, maar ik blijf hier wonen. Jullie krijgen de bovenverdieping, ik de benedenverdieping. Zo kan ik op jullie rekenen, en hebben jullie toch je eigen plek.’

Ik voel de woede opborrelen. ‘Dus we mogen hier wonen, maar alleen als u erbij blijft?’

Ze knikt. ‘Ik ben oud, Janka. Ik wil niet alleen zijn. En Pieter is mijn enige kind.’

Pieter kijkt naar zijn moeder, dan naar mij. ‘Het is een compromis, Janka. Beter dan niets.’

Ik schud mijn hoofd. ‘Dit is geen compromis. Dit is uw wil opleggen. Ik wil een thuis, geen kamer in uw huis. Ik wil samen met Pieter iets opbouwen, niet altijd de tweede viool spelen.’

Mevrouw de Groot balt haar vuisten. ‘Je bent ondankbaar, Janka. Ik bied jullie alles, en toch is het niet goed genoeg.’

‘Omdat het niet van ons is!’ roep ik uit. ‘Omdat ik altijd het gevoel zal hebben dat ik te gast ben. Dat ik moet oppassen wat ik zeg, wat ik doe. Dat ik nooit mezelf kan zijn.’

Pieter grijpt mijn hand onder de tafel. Zijn hand is koud, klam. ‘Janka, laten we er thuis over praten.’

Thuis barst de bom. ‘Waarom kies je altijd haar kant?’ schreeuw ik. ‘Waarom zie je niet wat dit met mij doet?’

Hij kijkt me aan, zijn ogen vol twijfel. ‘Omdat ze mijn moeder is. Omdat ik haar niet kan laten vallen.’

‘En ik dan? Laat je mij dan wel vallen?’

Hij zegt niets. Ik pak mijn jas, ren de deur uit, de koude nacht in. De wind snijdt langs mijn wangen, mijn tranen branden. Ik loop zonder doel, alleen maar weg van het huis, weg van de pijn.

De dagen daarna praten we nauwelijks. Pieter is stil, ik ben op. Op een avond zit ik aan de keukentafel, een kop thee in mijn handen. Mijn moeder belt weer. ‘Janka, je kunt altijd bij mij terecht. Maar je moet nu echt kiezen. Wil je je eigen leven, of blijf je in de schaduw van je schoonmoeder?’

Ik weet het niet. Ik weet alleen dat ik niet gelukkig ben. Dat ik mezelf verlies, beetje bij beetje. Dat mijn droom steeds verder wegdrijft.

Een week later neem ik een besluit. Ik ga naar Pieter toe, die in de woonkamer zit, starend naar de televisie. ‘Pieter, ik kan dit niet meer. Ik wil het huis van mijn grootouders opknappen. Dat is mijn droom. Als jij dat niet wilt, dan weet ik niet of wij samen verder kunnen.’

Hij kijkt me aan, zijn gezicht bleek. ‘Janka, je vraagt me te kiezen tussen jou en mijn moeder.’

‘Nee,’ zeg ik zacht. ‘Ik vraag je om samen met mij te kiezen voor óns. Voor een toekomst waarin we allebei gelukkig kunnen zijn. Maar als jij dat niet wilt… dan moet ik misschien alleen verder.’

Hij zwijgt. Ik zie de strijd in zijn ogen. Maar ik weet dat ik mijn keuze heb gemaakt. Voor het eerst in lange tijd voel ik me sterk. Ik zal mijn droom niet langer opofferen voor de verwachtingen van anderen.

Soms vraag ik me af: hoeveel van jezelf kun je opgeven voor de liefde, voordat je jezelf helemaal kwijtraakt? En wie ben je nog, als je niet meer durft te kiezen voor je eigen geluk? Wat zouden jullie doen als je in mijn schoenen stond?